Toen Julius Eastman in 1990 in Buffalo overleed, was hij vrijwel uit het muziekleven verdwenen. Zijn dood bleef maandenlang onopgemerkt en veel van zijn partituren en opnamen gingen verloren. Pas met de uitgave van Unjust Malaise in 2005 kwam zijn muziek opnieuw onder de aandacht. Sindsdien groeide Eastman uit tot een van de meest intrigerende herontdekkingen uit de Amerikaanse muziek van de tweede helft van de twintigste eeuw.
Julius Eastman (1940-1990) was pianist, zanger, choreograaf, dirigent en performer, maar al die rollen lijken uiteindelijk samen te komen in zijn composities, waarin schrijven, improviseren, performen en maatschappelijke stellingname nauwelijks van elkaar te scheiden zijn. Zijn muziek sluit aan bij het minimalisme, maar bij Eastman krijgt herhaling een veel lichamelijker, soms zelfs explosieve kracht. Zijn zogenaamde 'organische muziek' groeit vanuit kleine muzikale cellen die zich herhalen, opstapelen en verdichten tot een steeds krachtiger klankgeheel. Dat wordt overtuigend geïllustreerd op deze cd van het New European Ensemble onder leiding van Emlyn Stam, met Joy Boy (1974), Gay Guerilla (1979) en Buddha (1983).
Eastmans partituren leggen niet alles vast. Binnen bepaalde kaders krijgen de uitvoerders ruimte om keuzes te maken in onder meer toonhoogtes, ritmes en instrumentale uitwerking. Daardoor kan hetzelfde werk in verschillende uitvoeringen een opvallend ander klankbeeld krijgen. Dat vraagt niet alleen technische beheersing, maar vooral gevoel voor de balans tussen vrijheid en structuur. Het New European Ensemble gaat daar overtuigend mee om. De klank krijgt ruimte, zonder dat de onderliggende architectuur ergens uit beeld raakt.
Vreugde met een rafelrand
De cd opent met Joy Boy, dat meteen duidelijk maakt dat Eastmans muziek zich niet laat vangen in het vertrouwde beeld van minimal music als louter repetitief en meditatief. Korte, herhaalde tremolo-achtige bewegingen komen op gang, verdwijnen en keren gewijzigd terug. Wat aanvankelijk bijna speels klinkt, krijgt gaandeweg iets nerveus en ongrijpbaars.
Die onrust klinkt ook door in een titel die allesbehalve onschuldig is. Joy roept vreugde, lichtheid en plezier op, terwijl boy in de Amerikaanse geschiedenis een beladen woord is waarmee zwarte mannen tot een ondergeschikte positie werden gereduceerd. Bij Eastman, een zwarte homoseksuele componist die zelf met maatschappelijke uitsluiting en stereotypering te maken kreeg, krijgt die combinatie een extra lading: Joy Boy brengt vreugde en vernedering, speelsheid en maatschappelijke spanning ongemakkelijk dicht bij elkaar. De muziek vertelt daar geen letterlijk verhaal over, maar de titel kleurt wel de luisterervaring: de energie klinkt nooit helemaal zorgeloos, alsof achter de vreugde iets blijft schuren.
Precies daarin toont Eastman zijn kracht. Hij heeft geen grote gebaren nodig om spanning op te bouwen. Kleine muzikale gebeurtenissen krijgen door herhaling en verschuiving steeds meer gewicht. De aanvankelijk losse bewegingen lijken zich gaandeweg in het klankbeeld vast te zetten, tot ze niet langer als afzonderlijke figuren maar als één groeiende spanning worden ervaren. Joy Boy is daarmee meer dan een intrigerende opening: het zet meteen de toon voor een klankwereld waarin ogenschijnlijk eenvoudige patronen steeds meer onderhuidse onrust oproepen.
Stilte die niet stil blijft
Met Buddha verandert het karakter van de cd ingrijpend. Waar Joy Boy de luisteraar in een nerveuze, zich opstapelende beweging trekt, lijkt Buddha zich terug te trekken uit de tijd. De klank wordt ijler, de beweging schaarser en tussen de afzonderlijke gebeurtenissen ontstaan ruimtes waarin ogenschijnlijk weinig gebeurt. Maar juist daar wordt het luisteren intenser.
Dat gevoel van openheid zit al besloten in de merkwaardige vorm van de partituur. Eastman tekent Buddha als een ei, dat zowel van links naar rechts als in de tegenovergestelde richting kan worden gelezen. Een vanzelfsprekend begin- en eindpunt ontbreekt daardoor. De uitvoerders krijgen geen uitgestippelde route, maar een muzikale ruimte waarin zij tijdens de uitvoering bepalen hoe het materiaal zich ontvouwt. Langdurige klanken en korte, pulserende ingrepen houden de tijd voortdurend in beweging. Een toon kan aan de rand van het gehoor blijven hangen en door een kleine verschuiving plotseling naar voren treden. Wat stil lijkt, blijkt voortdurend te veranderen.
Buddha is dan ook geen comfortabele uitnodiging tot meditatie. Daarvoor blijft de muziek te gespannen en te onvoorspelbaar. Een enkele puls, een verschuiving in klankkleur of het verschijnen van een nieuwe toon kan de hele muzikale ruimte kantelen. Eastman vraagt de luisteraar niet om achterover te leunen, maar om aandachtig aanwezig te blijven bij wat klinkt én bij wat tussen de klanken gebeurt.
Het New European Ensemble maakt die kwetsbaarheid hoorbaar in kleine, bijna onopvallende details: een strijker laat een toon net iets langer uitsterven dan verwacht; een stilte duurt net lang genoeg om voelbaar te worden. Klanken lijken elkaar aan te trekken, af te stoten en opnieuw ruimte te geven, waardoor een soort akoestische ademhaling ontstaat. Daarin schuilt de fascinatie van Buddha: de stilte krijgt geen rustpunt, maar een eigen beweging. Ze verschuift en houdt de spanning onderhuids vast.
Van minimale cel naar geluidsmuur
Gay Guerilla is inmiddels een van Eastmans bekendste composities en tegelijk een van zijn meest uitgesproken werken. De titel alleen al maakt duidelijk dat Eastman muziek niet als een neutrale ruimte beschouwde. Zijn composities konden identiteit opeisen, geschiedenis terug in herinnering brengen en zich verzetten tegen maatschappelijke uitsluiting.
Eastman omschreef een guerrilla als iemand die bereid is zijn leven op het spel te zetten voor een overtuiging. De titel krijgt daardoor een uitgesproken politieke lading, maar de muziek hoeft die betekenis niet letterlijk te illustreren. Ze draagt haar strijdlust in de manier waarop ze zich ontvouwt. Vanuit uiterst beperkt materiaal ontstaat een proces dat zich langzaam maar onverbiddelijk uitbreidt. Een patroon krijgt gezelschap van een tweede, vervolgens van een derde, terwijl de herhaling zich steeds nadrukkelijker aan de luisteraar opdringt. Wat aanvankelijk bijna kaal klinkt, wordt geleidelijk steeds moeilijker te ontwijken.
Daarin schuilt de bijzondere kracht van dit werk. Eastman heeft geen traditionele climax nodig: de muziek maakt zichzelf steeds zwaarder. Klanken stapelen zich op, ritmische patronen raken verweven en de ruimte tussen de afzonderlijke gebeurtenissen wordt kleiner. Je hoort niet alleen een geluidsmassa ontstaan, maar ervaart bijna lichamelijk hoe ze zich vormt. Herhaling wordt druk, druk wordt spanning en uiteindelijk krijgt de muziek een eigen zwaartekracht.
Pas na ongeveer twee derde van het werk verschijnt – als een lang uitgestelde herinnering – het Lutherse koraal Ein feste Burg ist unser Gott. De melodie komt niet als een helder citaat van buitenaf de muziek binnen, maar lijkt langzaam uit de opgebouwde klankmassa los te komen. Eerst is er herkenning, daarna krijgt de melodie steeds meer greep op het klankbeeld. Na al die minuten van opstapeling biedt ze plots houvast, maar tegelijk opent ze een nieuwe laag: religieuze herinnering, gemeenschap, standvastigheid en verzet. In combinatie met Eastmans titel en zijn eigen positie als zwarte homoseksuele kunstenaar laat het koraal zich bovendien lezen als meer dan een religieuze verwijzing: het krijgt een bredere lading van identiteit, gemeenschap en weerstand.
Dat Gay Guerilla hier klinkt in Jessie Montgomerys bewerking voor strijkers, terwijl het werk doorgaans door vier piano's wordt uitgevoerd, is dan ook meer dan een praktische keuze. De strijkers veranderen het karakter van de klankmassa zonder de fundamentele kracht van Eastmans muziek aan te tasten. Hun klank kan zich uitstrekken en voortdurend blijven bewegen, waardoor de patronen minder hoekig en meer organisch in elkaar grijpen. De herhaling krijgt iets fysieks: strijkers voegen laag na laag toe, tot de klankruimte steeds verder wordt gevuld. Wanneer het koraal zich uiteindelijk uit die massa losmaakt, voelt het daardoor niet als een ingevoegd citaat, maar als iets wat al die tijd onder het oppervlak aanwezig was.
Juist daar maakt het New European Ensemble indruk. De opbouw wordt nergens geforceerd, waardoor het verschijnen van het koraal des te harder binnenkomt. Gay Guerilla eindigt niet zozeer in een traditionele climax als wel in een toestand waarin de opgebouwde klankmassa haar volle kracht heeft bereikt.
Een componist die zich niet laat neutraliseren
Misschien is dat wel de grootste verdienste van deze cd: het New European Ensemble presenteert Eastman niet als een curiosum uit de Amerikaanse avant-garde, maar als een componist wiens muziek zelf overtuigt. De maatschappelijke en persoonlijke context is belangrijk, maar uiteindelijk doet de klank het werk. En die klank is weerbarstig, kwetsbaar, nerveus en soms overweldigend.
Joy Boy, Buddha en Gay Guerilla tonen drie verschillende kanten van dezelfde eigenzinnige geest. Van nerveuze herhaling en geladen stilte tot een klankmassa die zich steeds verder verdicht: Eastman zoekt nergens de gemakkelijkste weg. Die achtergrond verklaart veel van wat er in deze muziek op het spel staat, maar ze is geen voorwaarde om erdoor geraakt te worden: ook wie niets van Eastmans leven afweet, hoort in deze drie werken een componist die geen compromissen sluit.
Voor wie Eastman nog moet ontdekken, is dit een bijzonder sterke kennismaking. Gay Guerilla vormt het onbetwistbare hoogtepunt, maar juist de combinatie met Joy Boy en Buddha maakt de opname overtuigend. Met 47 minuten is de speelduur voor een fysieke cd eerder compact, maar de drie werken laten wel een opvallend geconcentreerde indruk na.
Eastmans muziek laat zich niet gemakkelijk consumeren. Ze dringt zich langzaam aan je op en laat je daarna niet meer los.