Wie aan Amerikaanse klassieke muziek uit de late negentiende eeuw denkt, komt al snel uit bij Dvořák, Victor Herbert of later Charles Ives. Arthur Foote (1853–1937) doet bij aanzienlijk minder luisteraars een belletje rinkelen. Toch behoort hij tot de Boston Six, de generatie die in de tweede helft van de negentiende eeuw mee vorm gaf aan een Amerikaanse kunstmuziek. Anders dan veel tijdgenoten studeerde Foote volledig in de Verenigde Staten; hij was de eerste die aan Harvard een graad in muziek behaalde en bouwde in Boston een stevige reputatie op als pianist, organist, componist en pedagoog.
Deze opname brengt alle cellowerken van Foote samen: de drie Pieces opus 1, Aubade opus 77, Scherzo opus 22, de Cellosonate in e klein opus 78 en het Celloconcerto in g klein opus 33 – dat laatste als allereerste commerciële opname van het werk. Foote zoekt hier een eigen plaats binnen de romantische traditie. Schumann en Brahms zijn nooit ver weg, maar Franse invloeden en een Amerikaanse klankkleur geven de muziek een herkenbaar profiel.
Overgave zonder voorbehoud
Dat profiel wordt meteen neergezet in de drie Pieces for Cello and Piano, opus 1 uit 1881: vol overgave, maar nooit zwaar op de hand. Julian Schwarz en Marika Bournaki vinden een mooie balans, waarbij cello en piano voortdurend op elkaar reageren en Footes kleurschakeringen alle ruimte krijgen – een lyrische, uitnodigende opener.
Aubade opus 77 uit 1912 is een fascinerend stuk: de cello lijkt hier niet alleen te zingen, maar ook te spreken, doorleefd en melancholisch, met een warmte die Schwarz natuurlijk weet te treffen. Geschreven voor cellist Alwin Schroeder, heeft het werk een Frans aandoend karakter en beweegt het zich in de sfeer van een sicilienne. Bournaki blijft wat op de achtergrond, maar haar pianopartij vult de cellolijn precies aan waar nodig en geeft het geheel de finishing touch.
Ook het Scherzo opus 22 uit 1890 overtuigt door de vanzelfsprekendheid van het samenspel: zangerige cellolijnen, een speelse piano ernaast, en zelfs wanneer beide musici muzikaal een andere richting uitgaan, blijven hun partijen naadloos in elkaar grijpen. In het trio klinkt trouwens een melodie die bijna voor een Amerikaans volkslied zou kunnen doorgaan.
De Cellosonate in e klein opus 78 (1912–1918) is het meest omvangrijke van de werken voor cello en piano en toont Foote op zijn compositorisch meest ontwikkelde punt: chromatiek, motiefwerking en sonatevorm krijgen meer gewicht, terwijl de muziek toch direct en herkenbaar blijft. Het eerste deel klinkt robuust waar nodig, maar kan even gemakkelijk melancholisch worden – Schwarz houdt beide aspecten mooi in evenwicht.
Het tweede deel krijgt een doorleefde vertolking: de cello draagt de hoofdmelodie, Bournaki werkt het geheel af met fijnzinnige pianotoetsen, en waar de piano even op de voorgrond treedt, pikt Schwarz daar gevoelig op in: mooie glissandi met de diepe celloklank eronder leveren een klein, veelzeggend moment op. Het derde deel krijgt een frisse, beweeglijke vertolking. Zo blijft de sonate over haar hele lengte boeien en wordt duidelijk hoe overtuigend Foote binnen zijn romantische idioom een eigen geluid weet te ontwikkelen.
Boeiend, maar minder overtuigend
Het Celloconcerto in g klein opus 33 vormt het historische zwaartepunt van de uitgave. Foote schreef het voor Bruno Steindel, cellist van het Theodore Thomas Orchestra, met uitgebreide cadensen in de eerste en derde beweging. Voor deze opname werd de negentiende-eeuwse partituur opnieuw ontsloten en een nieuwe editie voorbereid; het concerto werd in maart 2024 live opgenomen in Kleinhans Music Hall in Buffalo met het Buffalo Philharmonic Orchestra onder Gerard Schwarz.
Solist, dirigent en orkest geven zich volledig aan deze muziek, maar de compositie overtuigt minder. Het eerste deel geeft de cello een prominente rol en bevat intrigerende momenten, maar verliest ook geregeld zijn richting, waardoor het materiaal niet altijd overtuigend wordt ontwikkeld. Het tweede deel is het sterkste: lyrisch en mooi opgebouwd. In het derde deel trekken solist en orkest de energie weer open, zonder dat het geheel als samenhangend stuk helemaal overtuigt. Als kennismaking is het concerto de moeite waard, maar compositorisch moet het onderdoen voor de rest van de cd.
Een pleidooi voor de kamermuziek
De opnamekwaliteit draagt bij aan het luisterplezier: helder en duidelijk, met ruimte voor de kleinste accenten, zowel in de cello-pianowerken als in het concerto, waarin solist en orkest goed te onderscheiden blijven.
Deze cd is vooral een sterk pleidooi voor Foote als kamermuziekcomponist. De drie Pieces, de Aubade en vooral de Cellosonate verdienen een plek in de concertzaal en het reguliere repertoire van elke cellist op zoek naar minder platgetreden paden. Het Celloconcerto is tegelijk een waardevolle historische aanvulling en een boeiende kennismaking, maar wie het sterkste bewijs van Footes kwaliteiten zoekt, vindt dat vooral in de intimiteit van cello en piano samen.