Naar de inhoud
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Recensie

Artur Rodziński – voorbij de mythe van de tiran (deel 2)

W
· 7 min lezen
Deel dit artikel
Artur Rodziński – voorbij de mythe van de tiran (deel 2)

In deel 1 zagen we hoe Rodziński als geen ander een partituur kon ontleden zonder haar spontaniteit te doden. In dit tweede deel duiken we in zijn theaterinstinct: de decennia in de operabak die zijn manier van musiceren voorgoed hebben gekleurd.

De theaterman: muziek die verhalen vertelt

Een van de meest kenmerkende eigenschappen van Rodziński als dirigent is zijn ervaring als operadirigent. Decennia in de operabak – hij leidde onder meer de westerse première van Sjostakovitsj' Lady Macbeth van Mtsensk – hebben zijn manier van musiceren diepgaand beïnvloed. Bij hem wordt muziek zelden louter mooi gespeeld: ze moet spreken, personages hebben en spanning opbouwen. Dat verklaart waarom vooral het repertoire waarin theatrale elementen een rol spelen tot de sterkste momenten van deze box behoort.

Dat begint al met George Bizet (1838-1875). De suite uit L'Arlésienne (cd 2) klinkt bij Rodziński niet als een verzameling Franse sfeerschilderingen, maar als een dramatisch geheel waarin iedere scène haar eigen karakter krijgt; soms zijn de randen scherp en zelfs wat ruw: Rodziński zoekt niet naar een gladde elegantie, maar naar de spanning die onder de oppervlakte aanwezig is. De Carmen-suites worden op dezelfde manier behandeld: geen populaire orkestfragmenten die vooral moeten bekoren, maar muziek die haar oorsprong in het theater nooit verliest, waarbij achter iedere melodie de dramatische situatie voelbaar blijft.

Diezelfde kwaliteiten maken ook de beide Peer Gynt-suites (cd 9) van Grieg (1843-1907) bijzonder overtuigend. Zonder toneeltekst en zonder de oorspronkelijke context maakt Rodziński van beide suites één groot muzikaal drama: de Morgenstemming wordt geen vrijblijvend natuurtafereel, maar een moment van verwachting, Åses dood ontroert door eenvoud en ingetogenheid zonder overdreven sentimentaliteit, en In de hal van de Bergkoning ontstaat de dreiging niet alleen door tempo en volume, maar door een steeds verder aangescherpte ritmische spanning. In het Pianoconcerto toont Rodziński zijn kwaliteiten als begeleider: Yuri Boukoff is voor veel luisteraars misschien geen bekende naam, maar overtuigt door zijn muzikale eenvoud, vooral in een langzame beweging waarin het orkest hem draagt zonder ooit te overheersen.

Ook Zoltán Kodály (1882-1967) profiteert van datzelfde vermogen om muziek als verhaal te benaderen. In de Háry János-suite en de Dansen van Galánta en Marosszék (cd 10) krijgt iedere orkestgroep een duidelijke functie – de houtblazers krijgen een eigen stem, de strijkers zorgen voor warmte, de ritmische elementen behouden hun scherpte – en Rodziński laat de volksmuzikale oorsprong horen zonder ooit de grotere compositorische structuur uit het oog te verliezen. Vooral in Háry János wordt duidelijk dat hij geen beelden nodig heeft om een wereld op te roepen: het orkest zelf wordt het toneel.

De twee cd's (13-14) met werk van Sergei Prokofjev (1891-1953) behoren mogelijk tot de grootste verrassingen van de hele box. De Klassieke Symfonie klinkt bij hem allesbehalve braaf of keurig: de openingsbeweging bezit een enorme drive en een bijna uitdagende frisheid, het tempo ligt hoog maar nooit ten koste van de helderheid, en iedere orkestgroep blijft hoorbaar terwijl ieder detail zijn plaats krijgt. Ook de suite uit The Love for Three Oranges bruist van leven – Rodziński begrijpt de ironie, de absurditeit en de theatrale energie van Prokofjevs muziek: geen mechanische virtuositeit, maar muziek die ademt en beweegt. Bijzonder interessant zijn de twee versies van Peter en de Wolf: één met verteller Garry Moore (cd 13) en één als zuivere orkestversie (cd 14). Juist hier wordt duidelijk wat voor een verhalenverteller Rodziński was – ook zonder gesproken tekst blijven de personages herkenbaar en ontstaat een volledig muzikaal verhaal.

Een van de meest verbluffende schijven van de hele box is ongetwijfeld die met muziek van Richard Strauss (1864-1949): Till Eulenspiegels lustige Streiche, Don Juan en de suite uit Der Rosenkavalier (cd 18). Till Eulenspiegel klinkt sneller dan Strauss het zelf ooit in zijn eigen opnamen uitvoerde, maar nergens wordt de muziek oppervlakkig of jachtig; juist door het hoge tempo krijgen de ritmische scherpte en de humor extra kracht, en blijft elk detail van de orkestratie hoorbaar. Don Juan wordt geen leeg virtuozenstuk waarin het orkest vooral zichzelf bewondert, maar een verhaal waarvan de spanning ontstaat uit de manier waarop de episodes logisch uit elkaar voortvloeien, terwijl de suite uit Der Rosenkavalier daar een prachtig contrast mee vormt: de Weense elegantie krijgt hier alle ruimte, maar wordt nooit sentimenteel of oppervlakkig, en de sfeer van de opera wordt bijna tastbaar. Hier vallen precisie en theater volledig samen – en dat maakt deze cd tot een van de mooiste visitekaartjes van de hele box.

Ook in balletmuziek blijkt hoe sterk Rodziński's theaterinstinct was. De volledige Notenkraker met het Royal Philharmonic Orchestra klinkt levendig, rijk geschakeerd en vol karakter, met orkestkleuren die zorgvuldig worden uitgewerkt zonder ooit ten koste te gaan van de grote lijn – dit is geen begeleidingsmuziek die op dansers en decor wacht, maar zelfstandig muziektheater. De suites uit Het Zwanenmeer en De Notenkraker, opgenomen met het orkest van de Weense Staatsoper, voegen daar nog een andere dimensie aan toe: de warmere strijkersklank van dit ensemble geeft vooral de lyrische passages extra diepte, en Het Zwanenmeer krijgt daardoor een bijna melancholische schoonheid, met een prachtig geïntegreerde harp en een orkestkleur die volledig in dienst staat van de muziek.

Het absolute bewijs van deze theatrale kracht vinden we echter aan het einde van de box, in de fragmenten (cd 24-25) uit opera’s van Richard Wagner (1813-1883). Dit is geen verzameling beroemde fragmenten die vooral afzonderlijk moeten imponeren – Rodziński behandelt ze als scènes uit een groter geheel. De Walkürenritt bezit enorme ritmische energie, maar blijft altijd georganiseerd; de Feuermusik uit Die Walküre ontstaat niet door puur volume, maar door zorgvuldig opgebouwde spanning; en de Trauermarsch uit Götterdämmerung behoort zelfs tot de indrukwekkendste momenten van de hele box, geen massief monument maar een tragedie die stap voor stap onvermijdelijk wordt. Ook de Lohengrin-Prelude overtuigt door haar transparantie en bijna bovenaardse sfeer, terwijl de ouverture van Die Meistersinger opnieuw laat horen hoe scherp Rodziński ritme en structuur kon plaatsen, in een tempo dat verrassend genoeg meer aansluit bij de energieke Strauss-traditie dan bij de zwaar aangezette Wagnerbeelden die later vaak dominant werden. Juist hier wordt duidelijk waarom Rodziński uiteindelijk meer was dan een technisch bekwame dirigent: zijn grootste kracht lag niet alleen in precisie of controle, maar in het vermogen om muziek een innerlijke noodzaak te geven, alsof hij niet zozeer een partituur wilde tonen als wel een verhaal wilde onthullen.

Niet overal lukt dat verhalende instinct even goed. De walsen van Johann Strauß II (1825-1899) tonen zonder twijfel Rodziński’s vakmanschap (cd 17) – de orkestrale balans is zorgvuldig verzorgd, accenten zijn nauwkeurig geplaatst en iedere sectie krijgt aandacht – maar toch ontbreekt hier iets wat bij deze muziek essentieel is: de vanzelfsprekende Weense elegantie, die combinatie van lichtheid, charme en subtiele melancholie die de beste Strauß-vertolkingen zo bijzonder maakt. Waar men bij grote Strauß-dirigenten uiteindelijk vergeet dat er iemand aan het sturen is, blijft men hier soms te bewust luisteren naar de dirigent zelf. Het resultaat is zeker niet mislukt, maar het maakt vooral duidelijk waar Rodziński's grootste kracht lag: hij was op zijn best bij muziek die om dramatische structuur en architectuur vraagt, minder bij een stijlgevoel dat bijna instinctief aanwezig moet zijn. Het blijft bovendien jammer dat deze werken niet met het Weense orkest werden opgenomen; juist dat ensemble had wellicht een extra dimensie aan deze muziek kunnen geven.

Wordt vervolgd in deel 3, met onder meer Rodziński als begeleider van solisten (Morini, Janigro, Badura-Skoda, Demus), de late Tsjaikovski- en Sjostakovitsj-opnamen en het besluit.

Besproken cd

Artur Rodzinski - Complete Westminster Recordings

Paul Badura-Skoda, Erica Morini, Yuri Boukoff, Leopold Wlach, Karl Oehlberger, Jörg Demus, Royal Philharmonic Orchestra, Orchester der Wiener Staatsoper, Hermann Scherchen, Artur Rodzinski

Label
Australian Eloquence · 4848489
Volledige fiche →
Deel dit artikel
NL