Al vanaf de eerste maten van de Symfonie in d klein van César Franck (1822-1890) wordt duidelijk dat André Cluytens deze muziek niet benadert als een laatromantisch monument, maar als een levende muzikale architectuur. Hij kiest voor tempi die nooit slepend worden, maar voortdurend in beweging blijven. Daardoor behoudt de symfonie haar natuurlijke spanningsboog, zonder ooit gehaast te klinken. Cluytens vermijdt bewust het zware romantische klankbad waarin dit werk zo vaak wordt ondergedompeld. Nergens wordt de spanning kunstmatig opgedreven of afgeremd; de grote vorm ontvouwt zich organisch, alsof de muziek zichzelf vertelt.
Vooral het Allegretto treft door zijn lichte, bijna dansante elegantie. De houtblazers krijgen hier prachtig gedoseerde accenten die de melodische lijnen voortdurend kleur en reliëf geven, terwijl de warme strijkersklank nergens verzandt in wolligheid of overdreven sentimentaliteit. Wat misschien nog het meest opvalt, is de voorbeeldige balans tussen de verschillende orkestgroepen. Geen enkele sectie domineert het klankbeeld; alles staat in dienst van de partituur. De muziek lijkt in en uit te zoomen: intieme, kamermuzikale gesprekken tussen enkele instrumenten wisselen af met een breed symfonisch panorama waarin het Philharmonia Orchestra zijn rijke, transparante klank volledig ontplooit. Juist die combinatie van beweeglijkheid, transparantie en orkestrale warmte maakt deze uitvoering van Franck zo onweerstaanbaar.
Alleen al deze uitvoering van Franck maakt de Audite-uitgave de moeite waard. Maar terwijl de laatste akkoorden nog nazinderen, dringt zich onvermijdelijk een andere vraag op: hoe is het mogelijk dat een dirigent van dit kaliber vandaag bijna uit ons muzikale geheugen verdwenen is? Wie kent André Cluytens eigenlijk nog? Zijn naam duikt nog op in discografieën van Ravel, Berlioz of Bizet, en kenners weten dat hij begin jaren zestig met de Berliner Philharmoniker een van de meest inspirerende Beethoven-integrales opnam – nog vóór Herbert von Karajan zijn eigen cyclus realiseerde. Toch is het buiten die kring van liefhebbers opvallend stil geworden rond een dirigent die in zijn tijd moeiteloos naast Charles Münch, Ernest Ansermet en de iets jongere Jean Martinon werd genoemd.
Het begeleidende essay van Malte Lohmann werpt een boeiend licht op de man achter deze uitvoering. Cluytens, geboren in 1905 in Antwerpen als Augustin Cluytens, groeide op in een uitzonderlijk muzikale familie waarin dirigeren, zingen en musiceren haast vanzelfsprekend waren. Later nam hij de Franse nationaliteit aan en groeide hij uit tot een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Franse dirigeerschool. Toch was hij allesbehalve een specialist in één repertoire. Hij werd de eerste Fransman die in Bayreuth dirigeerde en voelde zich even vanzelfsprekend thuis in Wagner als in Ravel, Berlioz of Tsjaikovski. Die veelzijdigheid weerspiegelt zich ook in het programma van de concertavond die Audite op deze cd weer tot leven bracht.
Ook de omstandigheden waarin deze opname tot stand kwam, zijn veelzeggend. Na een conflict met het vaste Festivalorkest werd in 1954 het jonge Philharmonia Orchestra naar Luzern gehaald. Cluytens deelde er het podium met Furtwängler, Kubelík, Fricsay en Karajan – een gezelschap dat zijn internationale reputatie beter illustreert dan welke biografie ook. Dat op diezelfde concertavond ook een piepjonge solist uit de Sovjet-Unie zijn opwachting maakte, maakt deze historische registratie des te interessanter.
Voor het Vioolconcerto van Aram Khachaturian (1903-1978) werd de amper drieëntwintigjarige Igor Oistrach geëngageerd, zoon én leerling van David Oistrach, die het werk in 1940 in Moskou had gecreëerd. Midden in de Koude Oorlog was een dergelijke muzikale ontmoeting tussen Oost en West allesbehalve vanzelfsprekend, maar de jonge Oistrach bewijst hier dat hij al lang op eigen benen stond. Zijn spel combineert een feilloze techniek met een opvallend natuurlijke muzikaliteit. Vooral in het warme Andante sostenuto zingt zijn viool met een bijna vocale intensiteit. In het eerste deel speelt hij de grote, technisch bijzonder veeleisende cadens van zijn vader David – doorgaans de meest gespeelde versie, en zelfs veeleisender dan Chatsjatoerjans eigen origineel – met een virtuositeit die er volledig eigen op klinkt, zonder ooit demonstratief te worden. Alles blijft volledig in dienst van het muzikale betoog.
Minstens even indrukwekkend is Cluytens' begeleiding. Waar Khachaturians concerto gemakkelijk kan ontaarden in kleurrijk exotisme of louter virtuoos spektakel, kiest hij voor een opmerkelijk evenwichtige benadering. De Armeense couleur locale blijft volledig aanwezig, maar wordt nooit een doel op zich. Achter de briljante oppervlakte laat Cluytens voortdurend de symfonische structuur spreken, waardoor het concerto niet alleen schittert als solistisch visitekaartje, maar ook als een hecht opgebouwde orkestcompositie. Tegelijk geeft hij het orkest een opvallende ritmische veerkracht, waardoor de hoekige dansritmen en de energieke orkesttutti voortdurend hun natuurlijke impuls behouden. Ook hier blijkt opnieuw hoe trefzeker Cluytens spanning opbouwt zonder de muziek te overdrijven.
Klankmatig overtuigt deze uitgave eveneens. De oorspronkelijke banden zijn niet bewaard gebleven en voor deze release werd teruggevallen op een kopie uit het archief van het Institut national de l'audiovisuel. Daar hoor je in de praktijk nauwelijks iets van. Zoals wel vaker bij Audite wordt hier niet geprobeerd een historische opname kunstmatig te moderniseren; de restauratie respecteert haar leeftijd en laat tegelijk verrassend veel detail horen. Ludger Böckenhoff laat de historische monoklank natuurlijk ademen, met voldoende lucht rond het orkest en een soloviool die haar aanwezigheid nooit verliest.
Misschien is dat uiteindelijk de grootste verdienste van deze release. Ze documenteert niet alleen een uitzonderlijke concertavond, maar herstelt ook een muzikaal geheugen dat langzaam dreigde te vervagen. André Cluytens blijkt geen voetnoot naast Karajan, Münch of Ansermet, maar een dirigent met een geheel eigen artistieke stem: energiek zonder gehaast te klinken, transparant zonder afstandelijk te worden, warm zonder ooit in romantische overdaad te vervallen en altijd volledig in dienst van de muziek. Zijn plaats in de muziekgeschiedenis hoeft niet opnieuw bevochten te worden; ze hoeft alleen opnieuw beluisterd te worden.