Naar de inhoud
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Recensie

Twee Franse cellosonates tussen lyriek en ernst

W
· 4 min lezen
Deel dit artikel
Twee Franse cellosonates tussen lyriek en ernst

Rond 1900 schreven Franse componisten als Debussy, Ravel en Fauré muziek die vandaag nog geregeld op concertprogramma’s staat. Minder vertrouwd zijn de namen van Guy Ropartz (1864–1955) en Albéric Magnard (1865–1914). De twee componisten waren bevriend en deelden een voorkeur voor een ernstige, persoonlijke muzikale taal. Hun cellosonates laten tegelijk horen hoe verschillend ze die invulden. Cellist Alain Meunier en pianiste Anne Le Bozec brengen beide werken samen op deze cd.

Een ontdekking die blijft groeien

Voor mij was Ropartz’ Tweede cellosonate een ontdekking. Ik heb de opname ondertussen verschillende keren beluisterd en waardeer het werk telkens meer. De muziek geeft haar geheimen niet meteen prijs, maar ik ontdek bij elke beluistering nieuwe aspecten.

Ropartz componeerde de sonate in 1919, kort na het einde van de Eerste Wereldoorlog. Het werk bestaat uit drie delen: Lent – Ardent, Lent et calme en Très lent – Assez animé. In het eerste deel zet Meunier met zijn cello meteen een donkere toon. Zijn spel is trefzeker en intens, met lange melodische lijnen die natuurlijk doorstromen. De heldere klank van Le Bozecs pianospel laat de details van haar zelfstandige partij goed uitkomen. Ze antwoordt niet alleen op de cello, maar wakkert de spanning ook verder aan. Het samenspel maakt de opening meteen meeslepend.

Het tweede deel vormt een rustpunt. Onder de kalmte blijft een melancholische onderstroom voelbaar, maar de muziek klaart af en toe op zonder haar weemoed helemaal los te laten. Meunier geeft de cello een kwetsbare, vrije expressie, terwijl Le Bozec het verloop met een heldere, transparante klank ondersteunt. Die afwisseling tussen ingetogenheid en momenten van opklaring maakt het middendeel boeiend.

In het slotdeel komt de muziek na een trage inleiding weer in beweging. De cello houdt haar lyrische karakter vast, terwijl de piano met een lichte spot en een scherp ritme voor een speelser accent zorgt. Het dansante karakter geeft de muziek nieuwe vaart. Naar het einde toe neemt de ritmische energie verder toe, waardoor beide instrumenten steeds sterker naar elkaar toe lijken te bewegen. Zo eindigt de sonate met een levendigheid die scherp afsteekt tegen de rust van het middendeel.

Een sonate vol contrasten

Bij Magnard, die zijn Cellosonate op. 20 in 1911 voltooide, ligt het accent anders. De vierdelige sonate is beweeglijker en bouwt op scherpe contrasten. In het openingsdeel, Sans lenteur – Alla zingarese, geven Meunier en Le Bozec de muziek een uitgesproken ritmische vaart. Tegenover de onstuimigheid van de begeleiding laat Meunier de cello een melancholische melodie zingen. Die afwisseling tussen ritmische scherpte en een meer naar binnen gekeerde lyriek maakt het deel interessant.

Ook daarna volgt geen rustmoment: het scherzo drijft het tempo nog verder op. De hoge pianonoten en de cellopartij staan in een levendige wisselwerking. Meunier volgt Le Bozec niet zomaar, maar brengt een eigen muzikale gedachte in, waardoor beide partijen elkaar als het ware uitdagen. Die onderlinge spanning geeft het deel zijn nerveuze energie.

Het derde deel, Funèbre, vormt het emotionele zwaartepunt van de sonate. Na de beweeglijkheid van de eerste twee delen krijgt de muziek een plechtige, ingetogen sfeer. Meunier laat de cello een droevige, gedragen frase zingen, zonder de expressie zwaar aan te zetten. Ook in de tussenruimtes blijft de spanning voelbaar. Le Bozec geeft die ingetogenheid een tegengewicht met een pianopartij die de onderliggende onrust mee vormgeeft. Daardoor wordt dit deel niet alleen een moment van verstilling, maar ook het aangrijpendste moment van de cd.

In de afsluitende finale keren Meunier en Le Bozec terug naar een beweeglijker klankbeeld. De scherpe ritmiek houdt de muziek voortdurend in beweging, terwijl de cello en piano elkaar alert aanvullen en uitdagen. Zo vormt de finale een tegenwicht voor de ernst van het Funèbre, zonder dat de melancholie van dat derde deel helemaal naar de achtergrond verdwijnt.

Twee karakters, één dialoog

De combinatie van beide sonates maakt deze cd interessant voor wie het Franse kamermuziekrepertoire uit die periode verder wil ontdekken. Ropartz spreekt me aan door de afwisseling van lyriek, donkere accenten en momenten van rust. Bij Magnard blijft vooral het aangrijpende Funèbre hangen, tegen de achtergrond van de beweeglijkheid in de andere delen.

Meunier en Le Bozec geven beide werken een eigen profiel. De goede balans tussen cello en piano laat de wisselwerking tussen beide instrumenten helder uitkomen. Ik heb twee sonates leren kennen die me elk op hun eigen manier hebben geraakt. Deze cd smaakt alvast naar meer van beide componisten.

Besproken cd

Guy ROPARTZ . Albéric MAGNARD | Alain MEUNIER et Anne le BOZEC

Alain Meunier, cello, en Anne le Bozec, piano

Label
Le Palais des Dégustateurs · PDD029
Volledige fiche →
Deel dit artikel
NL