De nocturne is een genre waarin een pianist met kleine middelen een wereld kan oproepen. Op Italian Nocturnes brengt Maria Agnese Mason pianomuziek van Giovanni Sgambati, Giuseppe Martucci en Ottorino Respighi samen. In een Italië waar de opera het muziekleven domineerde, zochten deze componisten ook naar een eigen stem in de instrumentale muziek.
Een dromerige ouverture
Ottorino Respighi (1879–1936) is vooral bekend om zijn kleurrijke orkestwerken, zoals Fontane di Roma en Pini di Roma. Zijn pianominiaturen laten een meer intieme kant van zijn kunstenaarschap horen.
Met de Intermezzo-Serenata uit de Sei Pezzi ontstaat onmiddellijk een dromerige sfeer. Mason speelt met een fijnzinnig toucher en laat de melodie rustig ontplooien. De weloverwogen vertragingen en momenten van verstilling voelen natuurlijk aan en geven de muziek alle ruimte om te ademen. Al vanaf de eerste maten ontstaat het verlangen om verder te luisteren.
Ook in Notturno roept Mason een serene sfeer op, ondanks de soms duistere ondertoon. Onder die rust blijft de muziek voortdurend in beweging. Subtiele glissandi geven de klank extra kleur en houden de spanning levendig. Zo krijgt de verstilling ook een onrustiger onderlaag.
Van beweeglijkheid naar drama
Giovanni Sgambati (1841–1914), die bij Franz Liszt studeerde, speelde een belangrijke rol in de herwaardering van de instrumentale muziek in Italië. Zijn nocturnes sluiten aan bij de Europese romantische traditie, maar achter de melodische schoonheid schuilt geregeld een donkerder harmonische wereld.
Dat contrast komt ook tot uiting in de Sérénade valsée. Beweeglijke hoge noten en muzikale figuren wisselen elkaar af als vraag en antwoord. Mason houdt de dansante beweging licht en soepel en geeft de verschillende elementen voldoende ruimte. Het stuk vormt zo een levendiger tegengewicht voor de nocturnes, waarin de lyriek geleidelijk aan dramatische kracht wint.
In die nocturnes krijgt haar spel meer aandrijving. De melodische gedachten lijken vanzelf uit elkaar voort te komen, alsof de muziek uit één adem is ontstaan. Mason bewaart daarbij een goed evenwicht tussen de melodie en de harmonische onderlaag.
De derde nocturne, in c klein uit opus 20 en meteen het langste stuk van de cd, spreekt me het meest aan. Mason begint met enkele subtiele aanslagen, waarna zich een meeslepende melodie ontvouwt. Geleidelijk krijgt de muziek een dramatischer karakter. Onder de zangerige lijn tekenen zich donkere ondertonen af die een dreigende spanning oproepen. Mason voert het stuk indringend naar zijn rustpunt. Wanneer de beweging tot bedaren komt, blijft de diepte nog even voelbaar.
De daaropvolgende nocturne, in Des-groot uit opus 31 nr. 5, zet die dramatische lijn voort. Mason geeft de muziek een doorleefde uitvoering. Vooral de boventonen vallen op, met een zangerigheid die na de momenten van conflict opnieuw ruimte krijgt. De melodie lijkt zich geleidelijk los te maken van de voorafgaande spanning. Mason laat het stuk verstild eindigen, waardoor de onderliggende onrust nog even blijft nazinderen.
Een krachtiger gebaar
Giuseppe Martucci (1856–1909) zocht, net als Sgambati, naar een zelfstandige plaats voor de instrumentale muziek in Italië. Zijn nocturnes sluiten aan bij de Duitse romantiek, met een harmonische uitwerking die de melodische lijn geregeld onder spanning zet. De muziek ontvouwt zich zoekender dan bij Respighi en Sgambati en krijgt daardoor een uitgesprokener dramatisch karakter.
Mason vertaalt dat in een stevigere aanslag en scherpere contrasten. Ze geeft de muziek daarmee een uitgesproken dramatische expressie, maar Martucci spreekt me minder aan dan de twee andere componisten. Bij Respighi ervaar ik diepgang in de spanning onder de serene oppervlakte, bij Sgambati in de manier waarop de lyriek geleidelijk aan dramatische kracht wint. Martucci's muziek raakt me ondanks haar expressieve momenten minder diep.
Een programma met een eigen spanningsboog
De volgorde van het album werkt goed: Respighi opent met dromerige verstilling, Sgambati voert de muziek van beweeglijkheid naar dramatische hoogtepunten en Martucci sluit af met een krachtiger, zoekender karakter. De drie componisten geven elk een eigen invulling aan de romantische nocturne.
De opname laat Masons spel goed tot zijn recht komen. De pianoklank is helder en transparant, de registers blijven goed van elkaar te onderscheiden en de beheerste nagalm laat de nuances intact.
Italian Nocturnes biedt een waardevolle kennismaking met drie componisten die buiten Italië minder vaak op de concertprogramma's staan. Vooral Respighi en Sgambati blijven bij. Bij Respighi is het de verfijnde wisselwerking tussen sereniteit en onrust; bij Sgambati de manier waarop een zangerige melodie kan uitgroeien tot een klein drama. Daarin ligt voor mij de grootste aantrekkingskracht van deze cd.