Deze finale-avond heeft een Belgisch tintje, namelijk een alumni van de Musica Mundi School in Waterloo verdedigt zijn kandidatuur, Krysztof Michalski. Net als de elf anderen wensen we hem alle kansen en een eervolle prijs. Het extra aandachtspunt van de presentatrice bij het begin van de avond ging in op meerderen hun ergernis: gelieve niet te hoesten of als het niet anders kan, het dan zo discreet mogelijk te doen. Heeft haar oproep effect? Al bij de eerste zin van het opgelegde werk hoor je een hoest en die is niet in de partituur voorzien…
Fang Man (°1977) – Four Odes to the Tidings of Flowers
Dat Leland Ko wedstrijden gewend is, zie je aan zijn houding. Hij is een prijzenbeest, zoals de volksmond het zegt en speelt alvast met een rijke celloklank al overtuigt hij niet echt in zijn eerste deel van dit plichtwerk. Hij is enorm technisch onderlegd en straalt ambitie uit die er niet om liegt. Is hij té zelfzeker? In het tweede deel hoor je enkele minder fraaie klanken door een niet al te ideaal gebruik van de strijkstok, althans zij lijkt het maar dat is het niet, hij kiest ervoor. Het slotakkoord dat verwijst naar Bach kan veel sprekender. Het is minimaal. Zijn derde deel zet wel sterk in, maar dat is een voornamelijk zeer technisch deel met glissando’s, loopjes, pizzicato’s en zo meer, maar een muzikale zin komt er niet bepaald uit. Het vierde deel is even technisch uitgepuurd en toch hoor je weer die onkiese bijklank van de strijkstok. Haalt hij het telkens met het showelement?
Samuel Barber (1910-1981- Concerto in a op. 22
Ko doet me de vraag stellen of hij de muzikale lijn wel volgt bij zijn inzet. Dit is heel anders dan die van het orkest. Zeer kort nadien pikt hij de muzikale lijnen met mooie volzinnen, fijn ingekleurde harmonieën en orkestklanken, volledig op. Hij is mogelijk wat eigenzinnig en beperkt de nuances, beperkt de fraseringen wat het filmisch en lyrisch karakter van dit werk niet echt ten goede komt. Het is teveel ‘kunstjes op de cello’. (En horen we dan toch weer eens een smartphone? ‘Gelukkig tussen deel een en twee maar toch: “grmbl!”)… Barber schreef zeer bewust een vooral voor de cello melodisch tweede deel met wat contrasten van het orkest. Het derde energieke deel, een rijkgevuld pallet biedend dat meer is dan bravoure, houdt het bij de bravoure waar je het publiek meer koopt, maar het werk niet dient. Een sterke prestatie? Zeker, maar niet een die muziek vertolkt.
Fang Man – Four Odes to the Tidings of Flowers
Techniek verenigt zich, in de mate van het mogelijke, tot muziek. Ondanks dat het orkest de cello moet overstijgen, zo is het wel degelijk voorzien door de componiste, kan je Michalski toch nog horen in de bijna oorverdovende passages. Hij fraseert en ademt in de rustigere delen, iets wat in de overdondere passages niet mogelijk is. Zijn gekozen tweede deel is zeer breekbaar, subtiel, voorzichtig. Geen show, geen tentoonspreiden van ‘zie wat ik kan’ maar wel in het stuk kruipen en volwaardig uitvoeren, er betere muziek van maken. Over heel het werk heen gaat hij voor iets interessant, intelligent en zo trouw mogelijk aan het werk van Fang Man. Hoe hij die korte verwijzing naar Bach vertolk? Het is meteen Bach, je bent dat korte slotfragment opeens in Bachs wereld. Afsluiten doet hij met het wat mystieke, zwevende, ongrijpbare laatste deel. De solo in dit deel is ronduit mooi musicerend, hij legt er leven in, fraseert sterk.
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975) – Concerto n. 1 in Es op. 107
Ja hoor, in dit concerto krijgen we meteen ook naast kracht en ritme nuancering en frasering. Dit werk houdt allicht ook moeilijkheden in die het technische kunnen moeten benadrukken, maar het is vooral in die 20ste eeuwse niet al te tonale muziek toch een muzikale lijn trekken, inhoudelijke thematiek en herkenbaarheid in te leggen, een dialoog tussen orkest en solist. Dat krijgen we allemaal. Soms wordt dit eerste behoorlijk agressief gespeeld, maar dat is hier niet het geval. Het is wel sterk gefundeerd. Het tweede deel zet heel zangerig in, met een weemoedige hoornpartij die overgaat in de cello die de leiding overneemt. Dit langzame deel is toch zo uitnodigend, het is verzachtend, troostend. Zo voelt het toch aan bij deze vertolking. Een nadenkende rust overvalt me. In het derde en vooral vierde deel lijkt er even afzwakking, maar de draad wordt sterk terug opgenomen en leidt tot een knappe, opwindende apotheose.







