Het Milaan van de zestiende en vroege zeventiende eeuw krijgt zelden de aandacht die het verdient. Wie aan het Italië van die tijd denkt, denkt spontaan aan Venetië, Rome of Ferrara, maar het Milaan van de Spaanse onderkoningen – ingeklemd tussen de pestepidemieën van 1576 en 1630 en sterk beïnvloed door aartsbisschop Federico Borromeo – blijft doorgaans buiten beeld. Precies dat vergeten muzikale landschap wil deze nieuwe Passacaille-uitgave opnieuw hoorbaar maken. Niet als een verzameling curiositeiten, maar als het portret van een stad met een uitgesproken eigen muzikale identiteit. Het resultaat is een opname die historisch inzicht moeiteloos met puur muzikaal luisterplezier weet te verbinden.
Bruce Dickey – al decennialang een van de grootste pleitbezorgers van de cornetto en van de Noord-Italiaanse muziek rond 1600 – stelde een programma samen dat de luisteraar meeneemt langs componisten die vandaag nauwelijks nog klinken, maar destijds een belangrijke rol speelden in het muzikale leven van Milaan. Giovanni Paolo Cima, Andrea Cima, Francesco Rognoni Taeggio, Giovanni Domenico Rognoni Taeggio, Agostino Soderini, Giuseppe Gallo en Cesare Gussago vormen samen een fascinerend muzikaal mozaïek waarin madrigalen, instrumentale canzona’s, canzon-mottetti en religieuze motetten elkaar voortdurend afwisselen.
Een van de interessantste ontdekkingen is zonder twijfel de canzon-mottetto, een genre dat uniek is voor Milaan en nergens anders in Italië een vergelijkbare ontwikkeling kende. Het combineert vocale en instrumentale elementen op een manier die de grenzen tussen beide voortdurend doet vervagen. Stemmen en instrumenten staan er niet tegenover elkaar, maar lijken voortdurend met elkaar in gesprek te gaan, elkaar te beantwoorden, te spiegelen en soms zelfs elkaars retoriek over te nemen. Precies die voortdurende dialoog vormt de rode draad doorheen deze afwisselende cd en verleent haar een volstrekt eigen klankwereld, die zich duidelijk onderscheidt van de monumentale Venetiaanse meerkorigheid.
Die dialoog krijgt een ideale vertolking door Cappella Mariana en The Breathtaking Collective. De vijf zangers – Hana Blažíková, Barbora Kabátková, Vojtěch Semerád, Tomáš Lajtkep en Martin Schicketanz – versmelten tot één ademend geheel, maar behouden tegelijk hun eigen kleur, waardoor de stemmen elkaar voortdurend aanvullen en versterken. De loepzuivere intonatie, de natuurlijke frasering en de voorbeeldige tekstverstaanbaarheid maken elke polyfone lijn moeiteloos hoorbaar. Niemand treedt op de voorgrond; juist de perfecte balans tussen de stemmen verleent deze muziek haar verfijnde zeggingskracht en maakt de polyfone weefsels opvallend transparant. Bruce Dickey zelf bewijst opnieuw waarom hij tot de absolute referenties van dit repertoire behoort. Zijn cornetto klinkt nooit als een virtuoos buitenbeentje, maar als een volwaardige zangstem die zich moeiteloos met de menselijke stemmen vermengt. Ook het instrumentale ensemble speelt met een bewonderenswaardige precisie en een hoorbare speelvreugde. De instrumenten begeleiden de stemmen niet alleen, maar sluiten er naadloos bij aan: ze beantwoorden, ondersteunen en vervolledigen elkaar, waardoor de muzikale lijnen zich ontvouwen als één hecht geheel. Elke frase ademt vanzelfsprekendheid; nergens wordt de virtuositeit een doel op zich.
Het zorgvuldig opgebouwde programma draagt sterk bij aan de overtuigingskracht van deze uitgave. Wereldlijke madrigalen van Francesco Rognoni Taeggio worden afgewisseld met religieuze composities, terwijl instrumentale intermezzo’s de overgang tussen beide werelden bijna vanzelfsprekend laten verlopen. Het geheel voelt daardoor nooit aan als een losse bloemlezing, maar als een weloverwogen muzikale reis waarin de verschillende facetten van het Milanese muziekleven rond 1600 elkaar voortdurend aanvullen. Juist de afwisseling tussen de verfijnde tekstexpressie van het madrigaal en de spirituele verdieping van de religieuze werken verleent de opname haar bijzondere spanningsboog.
Hoogtepunten zijn er in overvloed. In Quemadmodum desiderat van Francesco Rognoni Taeggio schilderen stemmen én blazers op bijna tastbare wijze het hert dat naar de waterstromen verlangt. De vloeiende lijnen van de instrumenten lijken werkelijk beekjes te laten stromen, terwijl de vocale lijnen de intensiteit van het verlangen voelbaar maken. Even indrukwekkend is het feestelijke maar tegelijk intieme Ipse sum desponsata van Agostino Soderini, op een tekst uit het Hooglied, waarin de wisselwerking tussen de stemmen voortdurend blijft boeien zonder dat de verstaanbaarheid van de tekst ook maar één ogenblik verloren gaat. Deze werken tonen meteen de bijzondere kracht van de Milanese canzon-mottetto: muziek waarin tekst, stem en instrument niet naast elkaar bestaan, maar voortdurend met elkaar in dialoog treden. Ook buiten de canzon-mottetto blijft de opname verrassen. Heel anders van karakter, maar even overtuigend, zijn de beide madrigalen van Francesco Rognoni Taeggio. In het eerste weet hij de vreugde van het woord gioia haast lichamelijk voelbaar te maken, terwijl in het tweede de zekerheid van E sicuro een meer beschouwende sfeer oproept. Daartegenover staat de ingetogen kracht van Saule, Saule van Agostino Soderini, waarin Christus’ oproep tot de bekering van Paulus vooral gestalte krijgt in de indringende verklanking van surge. Precies de klemtoon op dat ene woord verleent Christus’ oproep een bijzondere retorische én muzikale intensiteit.
Na zoveel afwisseling kiest Dickey voor een verrassend intiem slot met het Magnificat van Giuseppe Gallo. Wie een uitbundige finale met feestelijke pracht en overweldigende klank verwacht, zal misschien verrast zijn. Maar precies deze ingetogen afsluiting blijkt achteraf de volkomen natuurlijke keuze. De kristalheldere zang, de volmaakte balans en de serene sfeer vatten nog eenmaal samen waar deze hele opname om draait: niet uiterlijke luister, maar verfijning, tekstexpressie en een bijna contemplatieve schoonheid. Het voelt als het rustige einde van een uitzonderlijk boeiende muzikale reis.
Ook de uitgave zelf verdient lof. Zoals we van Passacaille gewend zijn, is het boekje voorbeeldig verzorgd, met een heldere en leerrijke toelichting van Bruce Dickey over de historische context, de ontwikkeling van de Milanese muziekcultuur en de unieke plaats van de canzon-mottetto. De opname in AMUZ in Antwerpen profiteert bovendien van een warme maar transparante akoestiek, waarin stemmen en instrumenten alle ruimte krijgen zonder aan detail in te boeten.
La Nobiltà di Milano is uiteindelijk veel meer dan een kennismaking met onbekende componisten. Deze uitgave herstelt een vrijwel vergeten hoofdstuk uit de Italiaanse muziekgeschiedenis en laat horen hoe ook onder Spaans bestuur een levendige en verfijnde muzikale cultuur in Milaan kon bloeien. Ze toont overtuigend aan dat Milaan rond 1600 een eigen muzikale stem bezat: minder uitbundig dan die van Venetië, maar des te intiemer, verfijnder en retorisch doorleefder. Wie deze wereld nog niet kent, vindt hier een ideale toegangspoort; wie haar al kent, ontdekt een opname die zich moeiteloos naast de beste in dit repertoire laat plaatsen.


