Vandaag hoorden we twee andere interpretaties van Four Odes to the Tidings of Flowers, twee andere zienswijzen van het plichtwerk van Fang Man. Zij gaf net voor de start van de finaleweek een toelichting over haar werk. Julia Littleton schreef neer wat ze gisteren leerde over Mans compositie. Tegelijkertijd werd de Casals cello tentoongesteld. Hier leest u alles over hoe Fang Man de compositieopdracht vorm gaf en je kan je de vraag stellen of de cello van Pablo Casals wel een cello was…
Fang Man (°1977) – Four Odes to the Tidings of Flowers
Over een agressieve en tegelijk assertieve, ambitieuze inzet gesproken… Zeer virtuoos, het werk wat door elkaar gehaald – iets wat de componiste voorzien heeft – en tonend dat zo’n spel niet meteen de vriend van de warme cello is. Hoor je muziek of zie je een show? Kitamura heeft een perfecte technische beheersing van het instrument en de boog. Zoveel is zeker. Wat missen we? Een muzikaal verhaal. Het is moeilijk te begrijpen wat hij wil.
Sergey Prokofiev (1891-1953) – Sinfonia concertante op. 125
Prokofiev heeft ook lyriek te bieden beste kandidaat, het schijnt je te ontgaan… Opnieuw krijgen we 100% enorme virtuositeit, snelheden die je amper kan volgen… Ja, dat kan hij op een wijze om jaloers op te worden, maar waar toch is het grote muzikale inzicht? Er zijn wat fijnere ogenblikken, zachtaardig, vragend en gelukkig maar. Toch is deze cellist over alles wat de muziek overkoepelt te zelfingenomen. En heel de tijd de show, nee, dat slaat bij uw recensent niet aan. Het publiek twijfelde zelfs op een bepaald moment: “Is het nu gedaan?”, en een voorzichtig applausje begon… Wat doen zo’n mensen toch in een muziekwedstrijd? Het gaat toch niet om een Olympische sport?
Fang Man – Four Odes to the Tidings of Flowers
“Maak je het werk eigen”, dat is wat Fang Man wilde en het is precies dat wat Sendetsky doet. Hij interpreteert, hij musiceert en doet dat zeer volwassen. Hij kiest voor een veel zangeriger aanpak die veel meer aansluit bij dat waarvoor bij de goegemeente de cello staat: warmte. Virtuositeit is één ding, maar het zijn en het niet laten domineren is wat anders, het is daar waar de rasmuzikant zich in kan bewijzen en dat is precies wat deze dertig jarige man doet. Stilte, aandacht, sfeer scheppen is wat Sendetsky met het publiek deelt. En het orkest? Dat laat zich meeslepen en volgt in dezelfde verfijning. Zelfs de heftige passages zijn pure poëzie en dan, hoe hij afsluit met de knipoog naar Bach van componiste Man. Dat is het toch wel, het kan, hij doet het.
Dmitry Sjostakovitsj (1906-1975) – Concerto n. 1 in Es op. 107
Vol afgemeten ritmiek, al moet je streng in de pas lopen en niet omzien, zet het concerto in en dat loopt zo een tijdje door. Dit vergt van de cellist meer techniek en is in dat eerste deel toch wel wat ten nadele van een algemene muzikale lijn doorheen het eerste deel te trekken. Het tweede deel is dan weer dat van de frasering, muzikale beheersing en uiterste finesses. Hier hoor je een muzikant die met groot begrip vertolkt en weer stilte afdwingt in de zaal. Je durft amper adem te halen om niets te verstoren (wat een hoester – weer eens één! – wel doet. Dat ergerlijke Bozargehoest bestaat nog steeds, al is het fel geminderd). Het derde deel is een van zowel ritme, gestrengheid als ‘doe wel en zie niet omme’, ga ervoor, snel en kort. Zo doet Ivan Sendetsky het helemaal. Een uitvoering die meer dan een voorbeeld is!







