George Szell (1897-1970) laat zich niet gemakkelijk in één zin vangen. Zijn naam staat voor een uitzonderlijke technische beheersing, een bijna obsessieve aandacht voor de partituur en een orkestrale discipline die hem tot een van de invloedrijkste dirigenten van de twintigste eeuw maakte. Tegelijk heeft diezelfde precisie hem het imago bezorgd van de koele perfectionist, de dirigent die alles onder controle wilde houden en weinig ruimte liet voor spontaniteit. Na het beluisteren van de tien cd's in deze George Szell Edition blijkt dat beeld de complexiteit van zijn musiceren onvoldoende recht te doen.
Decca Eloquence brengt in deze nieuwe cd-box opnamen uit de periode 1949-1964 samen, gemaakt voor Decca, Philips en Deutsche Grammophon. Het gaat daarbij niet om de Szell die we vooral kennen uit zijn jaren met het Cleveland Orchestra, het orkest waarmee hij bijna een kwart eeuw werkte, maar om zijn ontmoetingen met andere grote ensembles: het Concertgebouworkest, de Wiener Philharmoniker, de Berliner Philharmoniker en verschillende Londense orkesten. Juist die ontmoetingen zijn interessant: Szell kopieert nergens simpelweg zijn Cleveland-klank, maar reageert op de musici die voor hem zitten. Dat levert soms verrassende resultaten op.
Deze box is echter geen verzameling meesterwerken. Er zijn uitvoeringen die mij diep hebben getroffen, andere die vooral door hun historische betekenis interessant zijn en enkele waarbij Szells streven naar controle naar mijn gevoel te nadrukkelijk aan de oppervlakte komt. Dat spanningsveld tussen beheersing en expressie loopt als een rode draad door de hele box: bij Beethoven en Brahms wordt het soms bijna pijnlijk duidelijk, terwijl bij Dvořák, Mendelssohn, Mozart en vooral Sibelius blijkt hoeveel warmte en emotionele kracht er achter die ogenschijnlijk koele façade kon schuilgaan. Szells precisie leidt dus niet automatisch tot expressie, maar wanneer alles samenvalt, wordt ze wél de basis van een uitzonderlijke muzikale intensiteit.
In dit eerste artikel nemen we vooral Szells visie op Ludwig van Beethoven (1770-1827) en Johannes Brahms (1833-1897) onder de loep.
Meer dan alleen de ouverture
Dat de partituur bij Szell altijd het vertrekpunt is, blijkt meteen uit de integrale Egmont-toneelmuziek op cd 1. Beethoven is hier niet enkel de componist van de beroemde ouverture, maar van een volwaardig drama waarin ook de minder bekende entr'actes, melodrama's en liederen hun plaats krijgen, en onmiddellijk valt op hoe Szell ze stuk voor stuk met dezelfde ernst behandelt. De Wiener Philharmoniker klinken warm en rijk, maar nergens zwaar.
De echte ontdekking is Klausjürgen Wussow als verteller. De acteur die bij het grote publiek vooral bekend bleef als professor Brinkmann uit Die Schwarzwaldklinik beschikt hier over een warme stem, een verfijnde dictie en een uitzonderlijk gevoel voor tekst. Hij draagt Goethes woorden, in de verbindende versie van Grillparzer, niet voor – hij beleeft ze, waardoor de gesproken gedeelten een wezenlijk onderdeel van het drama worden in plaats van een noodzakelijke schakel. Pilar Lorengar is al even overtuigend: haar heldere sopraan en loepzuivere dictie passen perfect bij Beethoven, en in Freudvoll und leidvoll treft ze een toon die decennia later nog rechtstreeks raakt. Een opname die haar plaats in de discografie ruimschoots verdient.
Wanneer controle te zichtbaar wordt
Beethovens Vijfde symfonie met het Concertgebouworkest (cd 2) toont een andere kant. Szell denkt hier sterk vanuit de grote lijn: elke instrumentale stem is voorbeeldig uitgebalanceerd en ook in de dichtste passages blijft de structuur helder. Toch is dit het eerste moment in de box waarop zijn benadering niet volledig samenvalt met wat ik zelf van het werk verlang. De uitvoering is zo doordacht en gepolijst dat ik een zekere rauwheid mis, iets meer onvoorspelbaarheid – al blijft dat uiteraard een kwestie van smaak.
Op dezelfde cd staat ook de Symfonie nr. 34 van Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791), en daar werkt diezelfde discipline heel anders. Szell kiest vlotte tempi en houdt het orkest licht en beweeglijk, zonder dat de stemmen ook maar iets van hun helderheid verliezen. Het grote symfonische apparaat doet nergens zwaar aan; integendeel, de muziek beweegt met een aanstekelijke joie de vivre, alsof Szell zelf plezier beleeft aan wat hij dirigeert. Wie deze opname vanuit de hedendaagse historische uitvoeringspraktijk beluistert, zal wellicht kanttekeningen plaatsen bij de grote bezetting, maar wie die buiten beschouwing laat, hoort een bijzonder levendige en overtuigende Mozart. Juist tegenover Beethovens Vijfde maakt deze symfonie duidelijk dat Szells behoefte aan controle niet noodzakelijk tot afstand leidt: hier geeft ze de muziek juist richting en energie.
Op cd 3 wordt duidelijker waar het probleem kan ontstaan. Twee werken laten hier zien hoe hetzelfde uitgangspunt – beheersing als methode – tot heel verschillende resultaten kan leiden. Het Vijfde pianoconcerto dateert uit 1949, een van de oudste opnamen in de box, en dat hoor je: de akoestiek is droog en houterig, de strijkers krijgen soms een onaangenaam glibberig karakter en niet alle orkestrale details komen even goed door. Ook de eerste maten doen ouderwets aan – te zwaar aangezet, te nadrukkelijk – al blijkt die indruk gedeeltelijk misleidend. Eens de opening voorbij is, ontstaat een uitvoering met drive en een duidelijke lijn. Toch blijft de controle hoorbaar aan de oppervlakte: alles klinkt strak en zorgvuldig, terwijl de muziek voor mijn gevoel onvoldoende gaat leven. Het tweede deel wordt breed genomen en bevat mooie momenten, maar de opname laat de solopassages niet altijd tot hun recht komen. Voor de volledigheid van Szells discografie is dit een relevante opname; als luisterervaring biedt ze veel minder.
Diezelfde vaststelling geldt trouwens voor Pjotr Iljitsj Tsjaikovski's (1840-1893) Eerste pianoconcerto op cd 10, waar opnieuw de opnamekwaliteit en een tekort aan spontane gloed de interpretatie parten spelen – een parallel waarop ik in het tweede deel van deze bespreking terugkom.
Brahms' Derde symfonie, verderop op dezelfde cd, maakt een gunstiger indruk, en het is de moeite waard stil te staan bij het waarom. Het begin van het eerste deel is dramatisch, met krachtige accenten en een stevige drive, waarna ruimte ontstaat voor smekende strijkers en fraaie houtblazerssolo's; het tweede deel krijgt een bijzonder mooie gloed. Vermoedelijk ligt het antwoord niet bij het orkest – hetzelfde Concertgebouworkest als bij Beethovens Vijfde, evenwel in een veel oudere opname – maar bij het werk zelf: Brahms geeft Szells behoefte aan architectuur iets om zich aan vast te klampen, terwijl Beethovens Vijfde net dat soort onberekenbaar drama vraagt dat hij hier vermijdt. Toch blijft ook deze Brahms me minder bij dan wat later op cd 4 volgt: alles klinkt zo zorgvuldig uitgewerkt dat ook hier soms de spontaniteit ontbreekt.
Wanneer beheersing expressie wordt
De beslissende wending komt op cd 4, met Brahms' Eerste pianoconcerto en Clifford Curzon. De orkestrale inleiding is misschien wel de indrukwekkendste die ik in deze box heb gehoord: Szell bouwt vanaf de eerste maten een spanning op die geen moment verslapt, de blazers krijgen precies het juiste gewicht en de dromerige hoorns halverwege het eerste deel zijn een moment van grote schoonheid.
Curzon blijkt hier de ideale partner – hij speelt zonder overdreven romantiek, met een aristocratische verfijning die nergens afstandelijk wordt, en doseert elke uitbarsting zorgvuldig. Het langzame deel ontroert door eenvoud, met een orkest en een solist die voortdurend naar elkaar lijken te luisteren. De finale is weergaloos: virtuositeit en kracht zijn overvloedig aanwezig, maar steeds ondergeschikt aan de muzikale logica.
Hier wordt duidelijk wat Szell op zijn best kan bereiken. Dezelfde behoefte aan helderheid die elders op cd 3 tot een te nadrukkelijk uitgetekend resultaat leidde, wordt hier een middel om spanning op te bouwen. Het is een Brahms zonder retorische overdrijving, waarin kracht en emotie juist door terughoudendheid hun volle gewicht krijgen. Een referentieopname, en het beste bewijs tot nu toe dat controle bij Szell geen vast gegeven is, maar iets dat ontstaat – of net niet – in de ontmoeting tussen dirigent, musici en partituur.
In deel II: Dvořák, Mendelssohn, Schubert, Mozarts pianoconcerten, Händel en Sibelius – het deel van de box waarin die beheersing steeds vaker tot warmte leidt, en waarom Sibelius uiteindelijk de ideale ontmoeting blijkt.