Erwin Schulhoff (1894-1942) blijft een van die componisten over wie nauwelijks een sluitend portret te schrijven valt: wie denkt hem net te pakken te hebben, ontdekt in het volgende werk alweer een andere gedaante. Deze nieuwe cd van Challenge Classics, met het Residentie Orkest Den Haag onder leiding van Jun Märkl en de Sloveense mezzosopraan Barbara Kozelj als soliste, biedt daarvan een overtuigende staalkaart.
De keuze van het repertoire is daarbij bijzonder interessant. Centraal staan twee vocale symfonieën uit de jaren na de Eerste Wereldoorlog: Landschaften, opus 26, en Menschheit, opus 28. Daartussen klinkt de lichtere Suite für Kammerorchester, opus 37, terwijl de cd afsluit met Schulhoffs orkestratie van Beethovens Rondo a capriccio, beter bekend als Die Wut über den verlorenen Groschen. Vier werken die elk een ander licht op de componist werpen en samen een beeld schetsen van een muzikale persoonlijkheid die zich niet gemakkelijk laat vastleggen.
De schaduw van de oorlog
Vooral Landschaften en Menschheit maken duidelijk hoe ingrijpend de Eerste Wereldoorlog op Schulhoffs artistieke ontwikkeling heeft ingewerkt. De componist, die aanvankelijk vanuit een laatromantisch idioom vertrok, raakte na de oorlog steeds sterker aangetrokken tot modernere en radicalere kunststromingen. Dada, de Tweede Weense School en jazz zouden elk hun sporen in zijn oeuvre nalaten. Schulhoff was in de jaren twintig en het begin van de jaren dertig een gerespecteerde figuur in het Europese muziekleven. Als Jood en communist werd hij later door de nazi's vervolgd en uiteindelijk gedeporteerd naar Wülzburg, waar hij in 1942 aan tuberculose overleed.
Landschaften, gecomponeerd in 1918-1919, toont Schulhoff nog in een uitgesproken lyrische en laatromantische gedaante. De vijf liederen op gedichten van Johannes Theodor Kuhlemann (1891-1939) vormen een mengeling van natuurbeelden, verlangen, doodsbesef en religieuze suggestie. De partituur werd lange tijd als verloren beschouwd en kwam pas in 1999 opnieuw aan het licht. Dat herontdekkingsverhaal geeft deze muziek achteraf bijna iets spookachtigs: alsof een stem uit een verdwenen wereld opnieuw hoorbaar wordt.
Van de brutale, soms ironische en ritmisch opgezweepte Schulhoff van latere jaren is hier nog weinig te merken. Eerder horen we een componist die schatplichtig is aan Mahler en Richard Strauss, maar tegelijk al een heel eigen gevoelswereld ontwikkelt. Onder de rustige, atmosferische klankwereld schuilt geregeld een onderhuidse onrust tussen de vocale lijn en de orkestrale onderstroom.
Die Türen sind zugeweht zet onmiddellijk de toon. De beklemmende inhoud van het gedicht krijgt een even indringende muzikale vertaling. Barbara Kozelj brengt de tekst met veel gevoel voor de betekenis van de woorden, terwijl Märkl de orkestrale passages met energie en gevoel voor spanningsopbouw neerzet. Vooral Alle Frauen weinen maakt indruk. Wanneer "der graue Prinz hat seinen Vater erschlagen" klinkt, wordt de dreiging bijna tastbaar. Vervolgens valt alles stil op "einsam": een kort moment dat juist door zijn terughoudendheid blijft hangen.
Ook Demut faltet den Raum krijgt een nadrukkelijk gewicht, zeker bij de woorden "wir müssen sterben" en "zittert die Unruh". In de onmiddellijke nasleep van de oorlog krijgen die woorden een extra historische lading. De strijkers leggen een dicht klankweefsel neer, waarna het orkest de sfeer verder verdicht en de harp aan het einde voor een onverwachte opening zorgt. Kozelj houdt haar vertolking ingetogen; daardoor krijgt de beklemming alle ruimte.
Na deze drie ingetogen, zwaarmoedig gekleurde liederen brengt Viele Wege sind, kleine, vergangene een welkome rust. Het orkest wordt lichter en transparanter en er ontstaat even een kleine verwantschap met Strauss' Morgen. Een vioolsolo draagt bij aan de verstilling en voorzichtig gloort er iets van hoop, al trekt het lied zich uiteindelijk weer terug in zichzelf.
Die goldnen Winde sluit de cyclus af met meer vervoering. Het orkest zwelt aan zonder Kozelj te overschaduwen en even lijkt de muziek zelfs naar een overwinningsroes te neigen. Toch blijft de melancholische ondertoon aanwezig. De woorden "erkreiste ungeheuer den Sinn" laten een wrang gevoel achter, waarna Schulhoff de muziek opnieuw opent.
Märkl houdt de orkestrale textuur overzichtelijk, zodat ook de fijnere kleurschakeringen hoorbaar blijven. Kozelj beschikt over een warme, karaktervolle mezzosopraan en een uitstekende dictie, al zijn niet alle soms uitgesproken symbolistische gedichten literair even sterk. Schulhoff weet ze echter muzikaal boven zichzelf uit te tillen: hier krijgt de poëzie een tweede leven in klank.
Wat na de catastrofe
Met Menschheit wordt de horizon aanzienlijk donkerder. Deze symfonie voor alt en orkest ontstond in 1919 op vijf gedichten van Theodor Däubler en weerspiegelt nadrukkelijk de ontreddering van de naoorlogse tijd. De laatromantische gevoeligheid van Landschaften maakt plaats voor een muziek waarin de stem voortdurend op gespannen voet met het orkest staat en Schulhoffs taal expressiever en weerbarstiger wordt.
Der Dudelsack begint nog bijna onbezorgd, met herkenbare motieven die aan een doedelzak doen denken. Die lichtheid blijkt echter al snel schijn. Bij "eine Nachtigall sie klagt, sie schweigt" krijgt de muziek een somberder karakter en laat de orkestratie zich uitgebreider horen dan in Landschaften. Märkl brengt de verschillende orkestlagen duidelijk naar voren, terwijl "nun bangt mich überall" uitgroeit tot een beklemmende passage.
Flügellahmer Versuch opent met een breed uitgesponnen orkestrale inleiding waarin die rijkdom nog sterker naar voren komt. Kozelj plaatst er haar sonore, donkere stem tegenover en bouwt overtuigend naar de climax op "ich leid es nicht". Vooral de orkestkleuren blijven hangen; "Unter Feigen" sterft uiteindelijk bijna gewichtloos weg.
Na deze passages brengt Oft aanvankelijk wat lichtheid, die vervolgens omslaat in het melancholisch-dromerige Dämmerung. Hier is het vooral het orkest dat de toon zet: een broze houtblazerslijn en terughoudende strijkers bouwen een intiem, bijna kamermuzikaal klimaat op nog voor de stem opnieuw inzet. Bij "Du sollst nicht immer traurig sein" opent zich even een klein lichtpunt, maar van echte bevrijding is geen sprake.
Dan volgt Einblick, het emotionele zwaartepunt van de symfonie. De doorleefde orkestrale inleiding zet meteen druk op de tekst, waarna Kozelj ingetogen inzet. "Du kannst die Menschen nicht retten" vat de uitzichtloosheid van het gedicht kernachtig samen. Het orkest wordt hier bijna dreigend, zeker in de laatste strofe. En dan verandert alles bij "Du wirst sie mit Demut besternen": de muziek breekt open in een stralende climax die nauwelijks te rijmen lijkt met de voorafgaande wanhoop. Juist die tegenstelling maakt het slot zo aangrijpend.
Opvallend is de manier waarop Schulhoff met terugkerende muzikale ideeën voor samenhang zorgt. Motieven uit Der Dudelsack keren later opnieuw op, waardoor de vijf delen zich niet als losse liederen presenteren, maar geleidelijk één geheel vormen. Tegenover een tekst die diep pessimistisch is over de mens en diens vermogen tot zelfvernietiging, plaatst Schulhoff uiteindelijk een stralend D-majeur. Dat voelt allerminst als een goedkoop happy end. Eerder weigert hij de mens na de catastrofe definitief op te geven. Misschien klinkt daarin iets naïefs, maar vooral hoor je een componist die tegen beter weten in blijft hopen. Precies die spanning tussen wanhoop en hoop maakt Menschheit zo aangrijpend.
Kozelj is voor deze muziek uitstekend gecast. Haar stem heeft voldoende gloed om de lyrische momenten te dragen, maar ook de nodige scherpte wanneer de muziek somberder wordt. Alleen in de dichtste orkestrale passages blijft de tekst niet altijd volledig verstaanbaar – een klein offer voor de dramatische kracht die de partituur juist daardoor wint. Märkl en het Residentie Orkest geven de symfonie een brede boog zonder de complexe orkestpartituur dicht te smeren.
Naar de nachtclub
Na de twee vocale symfonieën volgt een radicale stijlbreuk. De Suite für Kammerorchester uit 1921 toont een Schulhoff die zich met zichtbaar plezier in de populaire muziek van zijn tijd stort. De zes delen brengen ons van de concertzaal rechtstreeks naar de dansvloer. Schulhoff klinkt hier speels, ironisch en ritmisch, duidelijk gefascineerd door de danscultuur van de jaren twintig. Ook de jazz, die in Europa toen nog relatief nieuw was, krijgt er een plaats. Schulhoff neemt die nieuwe muziek niet simpelweg over, maar verwerkt haar in een uitgesproken Europese concertante context.
Ragtime heeft een ritmische vitaliteit die zich moeilijk laat negeren. Valse Boston zorgt met een vioolsolo voor een moment van verfijning, waarna Tango opnieuw de viool centraal stelt en in de dialoog met het orkest zelfs een bijna oriëntaalse kleur krijgt. Shimmy verrast met een sirenefluit, Step wordt door de percussie gedragen en Jazz sluit de suite af met een vurige beweging vol drive.
Märkl houdt de verschillende lagen goed bij elkaar. De suite klinkt energiek zonder in louter effectbejag te vervallen, en vooral de dialogen tussen de instrumenten geven de muziek haar charme. Het Residentie Orkest speelt met hoorbaar plezier en de lichtheid die deze muziek nodig heeft. Bij zoveel speelvreugde begin je als luisteraar in je zetel vanzelf mee te bewegen en wordt stilzitten bijna onmogelijk.
Beethoven door Schulhoffs bril
De afsluiter werpt vervolgens nog een heel ander licht op Schulhoff: Beethovens Rondo a capriccio in G groot, opus 129, in de orkestratie die Schulhoff in 1940 maakte. Hij laat het pianowerk uitgroeien tot een exuberant orkeststuk, waarbij het herkenbare materiaal van het rondo vooral aan kleur en ritmische vitaliteit wint. Märkl laat het orkest zich uitleven in het aanstekelijke ritme, maar houdt de verschillende klankgroepen goed in evenwicht.
De orkestratie voegt niet noodzakelijk een nieuwe Beethoven toe, maar laat wel horen hoe trefzeker Schulhoffs gevoel voor kleur en instrumentale profilering was. Dat de cd met dit werk eindigt, is dan ook meer dan een aardige toegift. Het brengt verschillende kanten van de componist samen: de bewonderaar van de traditie, de moderne orkestrator, de liefhebber van dansritmes en de componist die zich nooit tevreden stelde met één stilistische identiteit.
Tussen wanhoop en levenslust
Het sterkste aan deze cd is uiteindelijk niet dat ieder onderdeel afzonderlijk als een meesterwerk wordt gepresenteerd, maar dat de opname verschillende kanten van Schulhoffs kunstenaarschap naast elkaar laat bestaan. Van de broze, door oorlog overschaduwde lyriek van Landschaften gaat het naar de existentiële spanning van Menschheit, vervolgens naar de dansende ironie van de Suite en uiteindelijk naar Schulhoffs eigenzinnige blik op Beethoven. De contrasten worden daardoor geen losse stijlproeven, maar verschillende antwoorden van één componist op zijn tijd.
Voor Märkl is dit een sterk startpunt als nieuwe chef-dirigent van het Residentie Orkest Den Haag. Hij kiest niet voor een gladgestreken Schulhoff, maar voor muziek waarin de orkestrale rijkdom en de stilistische tegenstellingen ruimte krijgen. Het orkest volgt hem met grote beheersing van kleur en ritme, terwijl Kozelj vooral in Menschheit laat horen dat zij een tekst niet alleen kan zingen, maar ook dramatisch kan dragen. De registratie in Amare is ruimtelijk zonder afstandelijk te worden. Ook in de rijk georkestreerde passages blijven de verschillende instrumentale lagen goed te volgen, terwijl de balans tussen orkest en Kozeljs stem nagenoeg voorbeeldig blijft.
Wie Schulhoff nog vooral kent als een voetnoot bij de muziekgeschiedenis van het interbellum, krijgt hier alle reden om zijn oordeel bij te stellen. Deze opname laat horen hoe broze lyriek, existentiële spanning, dansritme en orkestrale virtuositeit binnen één oeuvre kunnen samenkomen. Schulhoff blijkt hier vooral een componist die zich aan iedere eenduidige stilistische typering onttrekt. Dat maakt deze cd niet alleen overtuigend, maar ook een uitnodiging om verder in zijn oeuvre te duiken.