Op 2 juli stond de Concertzaal van Namen in het teken van één van de meest intrigerende programma’s van het Festival de Wallonie. Alleen al de titel, Requiem pour un Empire, prikkelde de nieuwsgierigheid. Ging het om een requiem voor een overleden keizer of om een requiem voor een keizerrijk? Die vraag vormde meteen de rode draad van een zorgvuldig opgebouwd concert waarin geschiedenis, politiek en muziek elkaar voortdurend ontmoetten.
Het programma vertrok vanuit de dood van keizer Jozef I van het Heilige Roomse Rijk in 1711. Omdat hij zonder mannelijke erfgenaam stierf, ontstond een complexe politieke situatie die de Europese machtsverhoudingen grondig zou beïnvloeden. Het Festival de Wallonie gebruikte deze gebeurtenis als vertrekpunt voor een fascinerende muzikale reflectie over macht, dood en opvolging.
Ook de aandacht voor het muzikale leven aan het Habsburgse hof maakte indruk. Wenen was begin achttiende eeuw niet alleen een politieke grootmacht, maar ook een van de belangrijkste muzikale centra van Europa. De Habsburgse keizers waren fervente muziekliefhebbers, beschermheren van componisten en vaak zelf actieve musici. Tegen die achtergrond kreeg dit programma extra betekenis.
De grote ontdekking van de avond was zonder twijfel Marc’Antonio Ziani (1653-1715). Hoewel zijn naam vandaag nauwelijks nog bekend is, bleef een aanzienlijk deel van zijn oeuvre bewaard in de Weense archieven. Ziani werkte eerst in Mantua en Venetië voordat hij naar Wenen trok, waardoor hij een sterke Italiaanse invloed naar het Habsburgse hof bracht. Invloeden van Monteverdi, Scarlatti en de Venetiaanse traditie waren in zijn muziek duidelijk hoorbaar.
Het centrale werk van de avond was zijn Requiem, voltooid kort voor de dood van Jozef I. Vanaf de eerste maten viel op hoe sterk Ziani geworteld was in de Italiaanse stijl. Zijn muziek klinkt toegankelijk, helder gestructureerd en technisch bijzonder verzorgd. De compositietechniek is onberispelijk, maar tegelijkertijd blijft alles zeer herkenbaar en voorspelbaar. Het werk ontwikkelt zich logisch en vloeiend, zonder de luisteraar voortdurend te verrassen met onverwachte harmonische of dramaturgische wendingen.
Voorafgaand aan het Requiem klonk de vijfstemmige Lectio Secunda pro Defunctis, een werk dat onmiddellijk overtuigde door zijn krachtige opening en zijn beheerste expressiviteit. In het Requiem zelf waren enkele passages bijzonder indrukwekkend. Het Confutatis maledictis werd met grote vastberadenheid uitgevoerd en deed denken aan formuleringen die Mozart later in zijn eigen Requiem verder zou ontwikkelen. Ook het Tuba mirum, met zijn fraaie samenspel tussen stem en trombone, maakte veel indruk.
Opmerkelijk was dat het ontbrekende Dies Irae uit Ziani’s partituur werd vervangen door een compositie van Johann Joseph Fux. Volgens de inleiding zouden de verschillen tussen de Italiaanse en de Duits-Oostenrijkse stijl aan het Weense hof beperkt geweest zijn, maar in de praktijk bleek dat voor deze luisteraar minder evident. Het Dies Irae van Fux klonk veel homogener, krachtiger en emotioneler. Waar Ziani vaak elegant en verfijnd blijft, durft Fux sterker in te zetten op dramatiek en contrast. Het was voor mij één van de absolute hoogtepunten van de avond en bevestigde nogmaals waarom Fux uitgroeide tot één van de belangrijkste componisten van zijn tijd.
Naast het vocale repertoire bracht het ensemble ook twee sonates van Fux, voor drie en voor vier stemmen. Vooral de sonate voor vier stemmen viel op door haar virtuositeit. De violiste die de solistische partij voor haar rekening nam, kreeg af te rekenen met een technisch probleem aan een snaar, maar slaagde erin het werk professioneel af te ronden. Het was een klein incident dat vooral aantoonde hoe veeleisend deze muziek is. Beide sonates werden zonder dirigent gespeeld en vormden een overtuigend bewijs van het uitzonderlijke samenspel binnen het ensemble.
Het concert werd afgesloten met het omvangrijke Stabat Mater van Ziani. Ook hier waren de Italiaanse wortels overduidelijk aanwezig, met dissonanten en imitatieve stemvoering die geregeld aan Scarlatti deden denken. Het werk bevat mooie momenten, al verloor de partituur door haar lengte soms wat aan spanning. Sommige tekstpassages, zoals emisit spiritum, kregen vanuit de compositie muzikaal niet altijd het gewicht dat hun inhoud doet vermoeden.
Daartegenover stonden talrijke hoogtepunten dankzij een uitstekend solistenteam. Een bijzondere vermelding gaat naar de Tsjechische sopraan Dagmar Šašková en de Franse sopraan Capucine Keller. Beiden straalden een aanstekelijk plezier uit in deze muziek en genoten zichtbaar van elke zin die zij de zaal instuurden. Hun stemmen contrasteerden mooi, maar vormden tegelijk een homogeen geheel, waardoor de solistische passages tot de sterkste momenten van de avond behoorden. Vooral in de meer lyrische passages van het Stabat Mater slaagden zij erin de muziek als het ware de zaal in te dragen.
Ook de Franse contratenor Paulin Bündgen maakte grote indruk. Met een opmerkelijke finesse, een verzorgde lijnvoering en een vanzelfsprekende muzikaliteit gaf hij zijn partijen een bijzondere kleur. Zijn stem behield zelfs in de meest ingetogen passages een natuurlijke aanwezigheid en overtuigde door absolute vocale elegantie.
De Franse tenor Vincent Bouchot vormde dan weer een belangrijke motor binnen het geheel. Gedurende vrijwel het volledige concert zorgde hij voor een constante stuwing van de muziek. Zijn zang gaf richting en energie aan de uitvoering en hielp de spanningsboog voortdurend op peil te houden. Tegen het einde van de avond leek hij terecht vermoeid, maar tegelijk ook zichtbaar tevreden na een prestatie die zowel vocaal als fysiek bijzonder veel engagement vergde.
De Franse bas Renaud Delaigue vervolledigde het solistenkwintet met een warme, gedragen stem die het ensemble stevig grondde. Op verschillende momenten voegde hij bovendien een subtiel vleugje theater toe aan de muziek. Net als de beide sopranen wist hij woorden en frasen extra betekenis te geven, waardoor bepaalde passages een grotere dramatische impact kregen.
Les Traversées Baroques uit Dijon bevestigde zich als een ensemble om nauwlettend te volgen. De musici speelden met overtuiging, intensiteit en een grote betrokkenheid bij het repertoire. Hun eerdere kennismaking met Ziani’s muziek was duidelijk hoorbaar in de vanzelfsprekendheid waarmee zij dit repertoire tot leven brachten. Hun enthousiasme voor de herontdekking van deze componist werkte aanstekelijk.
Het Chœur de Chambre de Namur hoeft nauwelijks nog voorgesteld te worden. Het ensemble behoort al jarenlang tot de absolute top van het Belgische muzieklandschap. Met slechts tien zangers wist het koor een rijke en gedragen klank te produceren die perfect aansloot bij dit voornamelijk vijfstemmige repertoire. Opvallend was de rol die het koor in deze uitvoering vervulde. De koorzangers traden niet op als een zelfstandig blok tegenover de solisten, maar functioneerden veeleer als een verfijnde versterking van de solistische stemmen. Daardoor kregen de vocale lijnen daar waar nodig extra draagkracht, diepgang en kleur. Het resultaat was een bijzonder homogene klank waarin de grens tussen solist en ensemble vaak vervaagde.
Dirigent Étienne Meyer leidde het geheel met een rustige maar vaste hand. Zijn directe communicatie met het publiek na afloop was een sympathieke afsluiter. Door kort te vertellen over de ontdekking van Ziani en het traject dat het ensemble had afgelegd, verkleinde hij de afstand tussen podium en zaal en gaf hij het publiek nog extra inzicht in het project.
Requiem pour un Empire was uiteindelijk veel meer dan een concert alleen. Het was een intelligente combinatie van geschiedenis, musicologisch onderzoek en artistieke overtuigingskracht. Dankzij de zorgvuldige programmatie van het Festival de Wallonie, de uitstekende prestaties van het Chœur de Chambre de Namur en de bezielde uitvoering door Les Traversées Baroques onder leiding van Étienne Meyer werd deze avond een geslaagde muzikale ontdekkingsreis.
De avond bevestigde voor mij het genie van Johann Joseph Fux, maar bood tegelijk een fascinerende kennismaking met Marc’Antonio Ziani: een componist die misschien niet altijd verrassend is, maar wel beschikt over een indrukwekkend vakmanschap en, wie weet, heeft hij nog vele onontdekte pareltjes. Als het de verdienste van een festival is om vergeten muziek opnieuw een stem te geven, dan was Requiem pour un Empire daarvan een bijzonder overtuigend voorbeeld.
Uitvoerders: Les Traversées Baroques, Judith Pacquier & Étienne Meyer, Choeur de Cambre de Namur
https://www.lesfestivalsdewallonie.be/fr-be
https://www.traversees-baroques.fr/
https://cavema.be/fr/ensemble/2-choeur-chambre
foto’s: © Gabriel Balaguera





