Aller au contenu
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Critiques

Een boom, een tempel en de woede van de Koningin van de Nacht

Katharina Müllner en de Sächsische Staatskapelle Dresden geven Mozart glans, terwijl Josef E. Köpplingers spitsvondige regie de vertrouwde Zauberflöte een verrassende wending geeft.

W
· 8 min de lecture
Partager cet article
Een boom, een tempel en de woede van de Koningin van de Nacht
© Semperoper Dresden/Ludwig Olah

Een verdorde boom met nog slechts één blad: het is een beeld waarmee de enscenering van Die Zauberflöte van Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) in de Semperoper Dresden meteen de toon zet. De productie van Josef E. Köpplinger, die op 2 november 2026 haar 131ste uitvoering beleefde, is een fascinerende interpretatie, vol speelse vondsten en humor, maar met evenveel aandacht voor de gevoelige en soms ronduit schrijnende momenten van het verhaal. Het resultaat is een voorstelling die voortdurend verrast, zonder de menselijke kern van het werk uit het oog te verliezen.

Speels, beeldend en vol vondsten

De regie speelt op een inventieve manier met de personages en hun uiterlijk. Kostuums, kapsels en haarkleuren dragen bij aan hun karakterisering. Soms wordt de uitvergroting van een personage wel erg nadrukkelijk, maar juist daardoor werkt de humor vaak des te beter. De drie dames lijken bijvoorbeeld zo uit een Disneyfilm of een musical als Wicked te zijn weggelopen. Het zijn geen wat wereldvreemde oude vrijsters, maar drie uitgesproken figuren die zowel vocaal als theatraal uitstekend op elkaar zijn ingespeeld.

Ook de beeldtaal is sterk. De verdorde boom met dat ene overgebleven blad roept associaties op met een schilderij van Caspar David Friedrich en krijgt gaandeweg een symbolische betekenis: hoop, leven en de zoektocht naar wijsheid. In het tweede bedrijf verdwijnt de boom en keert hij pas terug bij de laatste beproeving van Tamino en Pamina. Ondertussen scheppen de projecties een bevreemdende wereld met een haast etherische sfeer, ergens tussen een landschap en een onderwaterwereld, waarin de belichting een belangrijke rol speelt.

Opvallend is ook dat Tamino in deze regie geen fluit krijgt, maar een lichtstaaf, een duidelijke knipoog naar de Verlichting. Wanneer hij er voor het eerst op speelt, verschijnen allerlei dieren op het toneel. Verbluffend was de struisvogel, vooral door zijn speelse tred en de hand die de kop voorstelde. Zo wordt de betoverende kracht van muziek letterlijk zichtbaar.

Een andere treffende vondst zijn de grote poppen die samen met de Geharnischten de toegang tot de tempel verbeelden. Ze versterken het theatrale en enigszins surreële karakter van de enscenering. Ook de drie knapen van de Dresdner Kreuzchor zijn meer dan louter muzikale boodschappers. Ze duiken op onverwachte momenten op, bewegen zich actief door het toneelbeeld en reageren met een ontwapenende fijngevoeligheid op de personages. Hun stemmen klinken soms wat frêle en de tekst is niet altijd even verstaanbaar, maar juist die klank van jongensstemmen sluit aan bij de oorspronkelijke muzikale wereld van Mozart. Hun aanwezigheid geeft enkele emotionele momenten extra diepgang.

Humor met een donkere rand

De regie schuwt bovendien de donkere kanten van het verhaal niet. Wanneer Pamina in haar wanhoop naar een mes grijpt en Papageno een touw gebruikt, worden gedachten aan zelfdoding opvallend rechtstreeks zichtbaar gemaakt. Dat gebeurt zonder sensatiezucht, maar wel met een openheid die de kwetsbaarheid van beide personages onderstreept. De humor krijgt daardoor een tegengewicht van oprechte empathie. Ook de komische scènes zijn vaak raak. Wanneer Papageno neerdaalt in een vliegtuigje, een letterlijke deus ex machina, en zich gedraagt alsof hij eigenhandig de redding heeft gebracht, is dat een even onverwachte als verrukkelijke entree. Het magische klokkenspel zorgt dan weer voor een geestige scène: de bewakers, stoer uitgedoste types die uit een leatherbar lijken gestapt, dreigen Pamina en Papageno te overmeesteren, maar laten zich plots door de muziek tot speelse dansen verleiden. De zaal reageert enthousiast.

In het eerste bedrijf blijft de overgang naar de tempel nog vrij klassiek en statig. De echte dramatische vaart komt er vooral in het tweede bedrijf. De sfeervolle orkestrale inleiding krijgt een extra dimensie doordat de zangers tijdens de gesproken dialogen op de balkons worden opgesteld en zo ook de toeschouwers bij de handeling betrekken. Jammer genoeg wordt die vondst niet doorgetrokken naar de gezongen passages. Het had de betrokkenheid van het publiek nog kunnen versterken als de zangers ook vanaf de balkons hadden gezongen.

Monostatos krijgt intussen een interessante uitbeelding. Wanneer hij als onwaardig of vreemd wordt bestempeld, wijst hij herhaaldelijk naar zichzelf, alsof hij wil benadrukken dat hij degene is die wordt uitgesloten. Tegelijk laat de regie zijn bedenkelijke bedoelingen tegenover Pamina onverhuld zien, met zijn poging om met haar seks te hebben.

Een van de gewaagdste keuzes bewaart Köpplinger voor het einde. Tamino en Pamina trekken hun mantels uit en verlaten de tempel, terwijl de anderen enigszins verbouwereerd achterblijven. De regisseur legt niet uit wat we daar precies uit moeten afleiden. Dat is een goede beslissing: de toeschouwer mag zelf betekenis geven aan dit slot. Vanuit een hedendaags perspectief valt er in elk geval iets te zeggen voor de keuze van het jonge paar om deze mannengemeenschap de rug toe te keren. Het wereldbeeld dat uit Schikaneders libretto spreekt, is immers niet bepaald vrouwvriendelijk. De openheid van het einde maakt de productie des te prikkelender.

Een schitterend orkest en sterke stemmen

Ook muzikaal viel er veel te genieten. De Sächsische Staatskapelle Dresden toonde opnieuw haar uitzonderlijke klasse. Vanaf de ouverture was er die warme orkestklank, de speelsheid en de rijkdom aan details. Vooral de houtblazers waren een lust voor het oor, en veel musici speelden zichtbaar met plezier, vaak met een glimlach op het gezicht.

Dirigente Katharina Müllner, die ik deze avond voor het eerst aan het werk zag, vond telkens de juiste sfeer en hield de zangers nauwlettend in het oog. Ze liet het orkest bruisen waar dat nodig was, maar wist ook fijnzinnig te begeleiden. Bij Sarastro temperde ze het volume duidelijk om de stem alle ruimte te geven. Haar aanpak getuigde van aandacht, gevoel voor verhoudingen en een groot gevoel voor theater. Ik hoop haar binnenkort ook eens in een volledig concertprogramma te horen: een dirigente om te volgen.

De vocale bezetting was over het geheel genomen prima gecast, met enkele echte uitschieters. James Ley zette een overtuigende Tamino neer. In zijn vertolking van Dies Bildnis ist bezaubernd schön bleef hij aanvankelijk wat terughoudend, en in de gesproken dialogen was zijn dictie niet altijd even helder, maar zijn zang was verder uitstekend. Magdalena Lucjan gaf gestalte aan een eerder ingetogen Pamina. Haar vertolking kreeg vooral in Ach, ich fühl’s een sterke intensiteit. De aandachtige reactie van de drie knapen op dat moment maakte de scène nog ontroerender.

De absolute vocale triomf kwam van Jasmin Delfs als Koningin van de Nacht. In O zittre nicht leek ze haar krachten nog enigszins te doseren, maar in Der Hölle Rache was ze fenomenaal. Zelden hoorde ik deze aria zo loepzuiver, zelfs niet op cd. De coloraturen klonken moeiteloos, met een opmerkelijke controle. Ze koos niet voor overdreven bravoure, maar liet de virtuositeit voor zichzelf spreken.

Michael Nagl was een heerlijke Papageno. Zijn stem klonk opvallend volwassen en vol, zeker voor zijn leeftijd, en hij droeg de rol met een vanzelfsprekendheid die ook in de gesproken dialogen overeind bleef. In Ein Mädchen oder Weibchen combineerde hij muzikaliteit met een aanstekelijke speelsheid. Zijn samenspel met Tamino was prettig en ook met Papagena, vertolkt door Christine Hosefeld, vormde hij een sterk duo. Hun Pa-Pa-Pa werd een van de vrolijkste momenten van de avond. De grap met de eieren, waarvan er uiteindelijk eentje tegen de muur belandt, zorgde voor een geestige afsluiting.

Een minder overtuigende indruk liet Tilmann Rönnebeck als Sarastro achter. Vooral in het lage register miste zijn stem de diepte en draagkracht die de rol vraagt. In de aria In diesen heil’gen Hallen klonk hij iets beter, maar in het terzet werd de beperking opnieuw duidelijk.

Het koor onder leiding van Jan Hoffmann was van grote klasse. De klank was homogeen, de dictie helder en de dynamiek precies afgestemd op wat de muziek vroeg: krachtig waar nodig, verfijnd in de zachtere passages. Ook de akoestische balans in de Semperoper was goed. Orkest, solisten en koor kregen alle ruimte zonder elkaar te verdringen.

Wat ik meeneem

De combinatie van een regie die je geregeld aan het lachen brengt en op andere momenten aan het denken zet, met een orkest en een dirigente die Mozart alle glans geven die zijn muziek verdient: dat maakte deze avond de moeite waard. De productie van Köpplinger geeft het werk een eigen theatrale invulling, maar verliest de menselijke emoties nooit uit het oog. Dat zie je vooral in de drie knapen, die de personages met zoveel fijngevoeligheid volgen, en in Michael Nagls Papageno, die zowel de lach als de warmte van het publiek verdiende. En met Jasmin Delfs, wier Koningin van de Nacht ik niet snel zal vergeten, kreeg de avond een vocaal hoogtepunt van formaat. Dit was geen alledaagse Zauberflöte: je verlaat de Semperoper met een glimlach en een vraagteken.

Artistiek team

  • Sächsische Staatskapelle Dresden
  • Sächsischer Staatsopernchor Dresden
  • Dirigente: Katharina Müllner
  • Regie: Josef E. Köpplinger
  • Decor: Walter Vogelweider
  • Kostuums: Dagmar Morell
  • Licht: Fabio Antoci
  • Choreografie: Ricarda Regina Ludigkeit
  • Koor: Jan Hoffmann
  • Dramaturgie: Johann Casimir Eule

Rolbezetting

  • Sarastro: Tilmann Rönnebeck
  • Königin der Nacht: Jasmin Delfs
  • Pamina: Magdalena Lucjan
  • Tamino: James Ley
  • Papageno: Michael Nagl
  • Erste Dame: Ute Selbig
  • Zweite Dame: Nicole Chirka
  • Dritte Dame: Ekaterina Chayka-Rubinstein
  • Monostatos: Jongwoo Hong
  • Drei Knaben: Cornelius Mühlhans, Thiago Brützer en Kolja Raatz

Détails

Qui
Sächsische Staatskapelle Dresden en Sächsischer Staatsopernchor Dresden o.l.v. Katharina Müllner met o.a. Jasmin Delfs, Michael Nagl, James Ley en Magdalena Lucjan.
Où
Semperoper, Dresden
Vu le
2 november 2026
Crédit photo
Semperoper Dresden/Ludwig Olah
Partager cet article
FR