Bloemen hebben in de schilderkunst van de zeventiende en achttiende eeuw vaak meer dan een louter decoratieve functie: hun schoonheid verwijst ook naar de vergankelijkheid van het leven. Dat idee vormt een van de uitgangspunten van Baroque Flowers, een cd waarop gambist Maurizio Di Chio en theorbespeler Nicola Pignatiello barokmuziek verbinden met bloemschilderijen. Elk muziekstuk wordt in het fraai vormgegeven boekje gekoppeld aan een schilderij, waardoor een dialoog ontstaat tussen twee kunstvormen die gevoelens en stemmingen kunnen oproepen.
De titel verwijst naar Charles Baudelaires Les Fleurs du Mal, meer bepaald naar Correspondances, waarin verschillende zintuiglijke ervaringen elkaar aanvullen en versterken. Het project ontstond als concert en krijgt op cd een vervolg. De vijf thematische delen – van de vergankelijkheid en de kracht van de tijd, via dans en verfijnde passies, tot de vele gedaanten van de liefde en de wisselende stemmingen van het hart – bieden een leidraad, zonder de luisteraar vast te leggen. Er blijft ruimte om zelf verbanden te leggen tussen wat je hoort en ziet.
Een barokke dialoog
De viola da gamba en theorbe passen bij het intieme karakter van het repertoire. De gamba beweegt zich tussen lyrische melodieën en virtuoze passages, terwijl de theorbe met haar akkoorden en baslijnen voor een harmonische basis zorgt. Beide instrumenten vullen elkaar aan en gaan geregeld met elkaar in dialoog.
De cd opent met een suite in C groot van Marin Marais (1656–1728). Na een prélude en caprice volgen verschillende dansvormen, waaronder een allemande, sarabande en gavotte. Di Chio geeft de melodische lijnen met zijn versieringen extra kleur, terwijl Pignatiello ze met zijn begeleiding een stevige muzikale bedding geeft. Vooral de Sarabande en rondeau blijft me bij. De uitvoering heeft iets weeklagends, maar tegelijk een zangerigheid die de ingetogen muziek een uitgesproken expressief karakter geeft.
Bij Giovanni Girolamo Kapsperger (1580–1651) laten Di Chio en Pignatiello in de Toccata IX en Toccata X horen hoe veelzijdig hun samenspel is. In de eerste toccata vallen de diepe tonen op, die Di Chio's spel een zoekend karakter geven, terwijl Pignatiello de muzikale lijn met zijn begeleiding ondersteunt. In de tweede verschuift de sfeer naar een meer intieme klank, zonder dat de donkere ondertoon verdwijnt.
Een Ciaccona van een anonieme componist vormt de overgang naar de dansante muziek van Joseph Bodin de Boismortier (1689–1755). Het terugkerende patroon en de aanstekelijke ritmiek geven de uitvoering vaart en maken nieuwsgierig naar de suite in G groot die erop volgt. Met haar allemande, sarabande, menuet, gavotte en rigaudons biedt die suite volop afwisseling. Di Chio en Pignatiello spelen met de verschillende danskarakters en laten de muziek nu eens goedgemutst en lichtvoetig klinken, dan weer meer ingetogen en in zichzelf gekeerd. Hun samenspel heeft zoveel schwung dat je haast uit je stoel zou komen om zelf enkele danspasjes te zetten.
De Zesde sonate in G groot van Benedetto Marcello (1686–1739), oorspronkelijk geschreven voor cello en basso continuo en hier bewerkt voor viola da gamba en theorbe, is een van de hoogtepunten van de cd. Vooral het Grave bleef me bij. Di Chio en Pignatiello geven de ingetogen muziek een grote expressieve kracht; de tijd lijkt even stil te vallen. In het daaropvolgende Allegro slaat de sfeer helemaal om. Het levendige, speelse samenspel haalt je uit de bezinning van het Grave en brengt je met beide voeten op de grond. Juist door dat contrast behoort deze sonate voor mij tot de boeiendste momenten van de opname.
Robert de Visée (ca. 1655–1732) is vertegenwoordigd met Entrée d’Apollon, een kort ceremonieel stuk dat het programma een statig accent geeft. De cd eindigt met La Dubreuil en La Sainscy van Antoine Forqueray (1672–1745). Zijn gambamuziek stelt hoge technische eisen en vraagt om een uitgesproken speelstijl. Di Chio en Pignatiello gaan die uitdaging overtuigend aan. Met deze twee stukken brengen ze na de meer beschouwende momenten eerder op de cd het tempo en de energie weer omhoog. De virtuoze passages geven de muziek vaart en zorgen voor een levendige afsluiting.
De schoonheid van het vergankelijke
In het begeleidende boekje staan werken van onder anderen Francisco de Zurbarán, Caravaggio, Mario de’ Fiori, Margherita Caffi, Rachel Ruysch en Fede Galizia. Ook Jan Brueghel de Oude is vertegenwoordigd met composities waarin bloemen uit verschillende seizoenen naast elkaar staan. Die overvloed is niet alleen een verbeelding van schoonheid, maar verwijst ook naar haar vergankelijke karakter. Soms wordt dat zichtbaar in kleine details, zoals een aangetast blad of een bloem die haar frisheid verliest. Zo krijgen de stillevens een diepere betekenis en bieden ze een eigen ingang tot de gevoelswereld van de muziek.
Ook de heldere opname draagt bij aan de ervaring. De viola da gamba en theorbe klinken zo dichtbij dat je je haast in een stemmig museum waant, waar je van het ene schilderij naar het andere flaneert. Baroque Flowers is voor mij een van de meest fascinerende cd’s die ik de afgelopen maanden heb mogen bespreken. De combinatie van muziek en schilderkunst maakt deze uitgave bijzonder: ook na de laatste noot blijft ze me bezighouden.