Sommige concerten zijn zo bijzonder dat je achteraf nauwelijks woorden vindt om te beschrijven wat je hebt meegemaakt. De uitvoering van de Missa Salisburgensis in de Dresdner Kreuzkirche was voor mij zo'n moment. Dit stond al lange tijd op mijn muzikale bucketlist: ooit dit monumentale werk meemaken in een kerkruimte die zich ervoor leent, met een koor en instrumentalisten die de muziek werkelijk kunnen dragen. Dat die wens uitgerekend tijdens het jubileumjaar van de Augsburger Domsingknaben in vervulling zou gaan, en dan met zo'n uitvoering, had ik nauwelijks kunnen bedenken.
Een kerkgebouw als klankinstrument
Nog voor de eerste noot klonk, was ik onder de indruk van de opstelling. Vooraan stonden links en rechts twee achtstemmige koren, met daartussen enige ruimte voor twee blazers en vier solisten uit het koor (tenor en bas). Op de eerste galerij bevond zich aan weerszijden een rij blazers. Verder naar achteren in de kerk waren op dezelfde hoogte nog twee groepen opgesteld, ditmaal met onder meer pauken. Vóór de koren stonden de strijkers, twee orgels en het continuo. De opstelling werd aangepast aan de verschillende werken op het programma, maar de ruimte bleef voortdurend een essentieel onderdeel van de muzikale ervaring.
Dat is precies waar de Missa Salisburgensis à 53 voci, toegeschreven aan Heinrich Ignaz Franz Biber (1644-1704), om vraagt. De mis werd in 1682 gecomponeerd voor de viering van de 1100ste verjaardag van het aartsbisdom Salzburg. Met haar omvangrijke vocale en instrumentale bezetting behoort ze tot de monumentaalste werken uit de zeventiende-eeuwse kerkmuziek. De verschillende groepen zijn niet zomaar samengebracht om een groot volume te produceren: hun onderlinge dialoog en de spreiding over de kerkruimte maken integraal deel uit van de compositie.
Ik had vooraf gehoopt dat de akoestiek van de Kreuzkirche dit alles zou ondersteunen, maar wat ik hoorde, overtrof mijn verwachtingen. De nagalm was uitzonderlijk goed beheersbaar en nergens hinderlijk. Zelfs wanneer alle musici samen speelden en zongen, bleef de klank mooi gedoseerd. De opstelling en de onderlinge verhoudingen waren duidelijk zorgvuldig op de ruimte afgestemd. Wanneer de verschillende koren tegelijk inzetten, werd je als luisteraar werkelijk door de muziek omringd. Ik voelde me op die momenten helemaal opgenomen in de klankwereld die Biber heeft gecreëerd. Het was overweldigend, maar nooit zomaar luid of massief.
Smeekbede en uitbundigheid
Al bij het Kyrie werd duidelijk hoe vertrouwd de Augsburger Domsingknaben met dit repertoire zijn. De smeekbede kreeg een heldere, indringende gestalte. Wat me bijzonder trof, was de vanzelfsprekendheid waarmee ook de jongste jongens vol overgave zongen. Aan hun houding en concentratie zag je dat ze deze muziek niet alleen hadden ingestudeerd, maar zich werkelijk eigen hadden gemaakt.
In het Gloria werd de ruimtelijke dialoog tussen de koren een van de grote troeven. Het et in terra pax kreeg in deze onrustige tijden extra gewicht. Nadien hoorde ik afzonderlijke stemmen die elkaar antwoordden en zo samen aan een monumentaal geheel bouwden. Ik bleef me verwonderen over de manier waarop al die groepen elkaar vonden en toch hun eigen plaats in de muziek behielden. Het slot-Amen klonk feestelijk en uitbundig.
In het Credo trof vooral het tedere, ontroerende Et incarnatus est. Het Crucifixus klonk indringend, terwijl bij Et unam sanctam catholicam nadrukkelijk aandacht werd besteed aan de tekst. Het Amen aan het einde van het Credo had een meer naar binnen gekeerd karakter dan dat van het Gloria.
Het Sanctus en Benedictus werden met veel gevoel voor de gelaagdheid van de muziek uitgevoerd. Het Hosanna kreeg een mooi gevormde opbouw, waarna Benedictus qui venit nadrukkelijk als zegebelofte werd aangezet. In het Agnus Dei stonden kracht en terughoudendheid tegenover elkaar. De inzetten op Agnus Dei kwamen telkens als een uitbarsting binnen; bij miserere nobis werd de muziek vervolgens teruggenomen. De afsluitende smeekbede om pacem leek haast te worden afgedwongen. Het laatste akkoord bleef nog even in de ruimte hangen. Ik had daarna stilte nodig om de ervaring te laten bezinken.
Tussen monument en ingetogenheid
De mis stond niet op zichzelf, maar maakte deel uit van een programma dat als een muzikale misviering was opgebouwd. De Sonata a 13 van Antonio Bertali (1605-1669) vormde een passende instrumentale opening, als een introitus die me binnenleidde in de klankwereld van de zeventiende eeuw. Tussen het Gloria en het Credo klonk Celebremus cum gaudio van Johann Melchior Gletle (1626-1683). Hij was als kapelmeester verbonden aan de Dom van Augsburg en vormt daarmee een passende schakel met de geschiedenis van het koor. Vooral de ruimtelijke plaatsing maakte dit werk bijzonder: drie jongens zongen vanuit het achterste gedeelte van de kerk, terwijl het kleine instrumentale ensemble vooraan bleef. Ik vond het een gedenkwaardig moment waarbij de muzikale dialoog de volledige lengte van de kerkruimte overspande.
Ook weerklonken er verschillende werken van Johann Stadlmayr (ca. 1575-1648). Zijn meerkorige schrijfwijze sloot mooi aan bij de muzikale taal van Biber. Vooral zijn Cantate Domino met een verbluffend Et exultavit bleef me bij, hoewel ook zijn Benedicam Dominum fascineerde. Daarin kregen twee tenorsolisten, samen met het instrumentale ensemble, alle ruimte om het werk op een meer intieme en ernstige manier vorm te geven. De Sonata a 13 van Stadlmayr vormde vervolgens een ideale instrumentale aanloop naar het Agnus Dei.
Een heel ander soort aandacht vroeg Gletles Quis mihi det, een a-capellawerk waarin vooral het woord tremor tot de verbeelding sprak, met een opvallende siddering in de stemmen. Het was een knap en verfijnd vocaal moment, dat des te meer opviel in een programma waarin de instrumentale en vocale klankmassa geregeld indrukwekkende proporties aannam. Te midden van zoveel klankvolume en barokke pracht was die muzikale ingetogenheid meer dan welkom. Ik had zelfs graag nog wat meer a-capellamuziek gehoord. Dat zou de oren rust hebben gegeven en de contrasten met de monumentale werken nog sterker hebben gemaakt.
Dat is meteen mijn enige kleine reserve bij een avond die me verder compleet heeft overdonderd. In de grote tutti-momenten verdween af en toe een individuele jongensstem in de dichte klankmassa. Bij een werk met zulke enorme bezettingen is dat nauwelijks te vermijden. Het deed weinig af aan de kwaliteit van de uitvoering. De koorzang was uitstekend, de instrumentalisten speelden met grote precisie en de verschillende groepen bleven onderling nauwkeurig op elkaar afgestemd. Vooral de aandacht voor de tekstuele en muzikale details maakte indruk. Zelfs in deze monumentale bezetting was er ruimte voor nuance en voor de betekenis van afzonderlijke woorden.
Een traditie die leeft
Vijftig jaar geleden werd de traditie van de Augsburger Domsingknaben opnieuw opgebouwd, voortbouwend op een veel oudere koorhistorie. In mijn recente gesprek met Stefan Steinemann, die sinds 2020 de leiding heeft, kwam hij terug op het idee dat traditie pas levend blijft wanneer elke generatie zich die opnieuw eigen maakt. Na deze avond begrijp ik die woorden nog beter. De jongens stonden hier niet als bewaarders van een historisch repertoire, maar als jonge musici die deze muziek werkelijk bewonen. De vanzelfsprekendheid waarmee ze de complexe polyfonie gestalte gaven, getuigde van een muzikale vorming die veel verder reikt dan het instuderen van noten.
Ik heb al heel wat bijzondere concerten mogen meemaken, maar deze avond zal een bijzondere plaats blijven innemen. Een werk dat al zo lang op mijn verlanglijstje stond, live horen in een ideale kerkruimte en uitgevoerd door zulke toegewijde en bekwame musici: het was een ervaring die ik niet snel zal vergeten. De Missa Salisburgensis is voor mij door deze uitvoering meer geworden dan een monument van de barok: ze is ook een levende, overweldigende belevenis. En die neem ik mee.