Zum Inhalt springen
Dit is een volledig nieuwe website, vond u een bug, stuur ons een email op bestuur@klassiek-centraal.be
Rezensionen

Een nieuwe blik op Fanny Hensel

Detlev Glanert onthult de orkestrale rijkdom van Fanny Hensels Das Jahr, waarna Vadim Gluzman en Bar Avni overtuigen in Brahms’ vioolconcert.

W
· 7 Min. Lesezeit
Diesen Artikel teilen
Een nieuwe blik op Fanny Hensel
© Dresdner Philharmonie

Wat een dag! ’s Morgens woonde ik in Leipzig de opening van de Mendelssohn-Festtage bij, met de uitreiking van de Internationaler Mendelssohn-Preis aan voormalig bondskanselier Angela Merkel en componist, klarinettist en dirigent Jörg Widmann. ’s Avonds stond in Dresden muziek van een andere telg uit de familie Mendelssohn centraal: Das Jahr, de pianocyclus van Fanny Hensel (1805-1847), in de orkestratie van Detlev Glanert. Zo kreeg de muzikale nalatenschap van Felix Mendelssohn en zijn zus, wier betekenis als componiste lange tijd onderbelicht bleef, op één dag in twee steden aandacht. Naast Hensels werk stond Brahms’ vioolconcert op het programma, met Vadim Gluzman als solist en Bar Avni als dirigente van de Dresdner Philharmonie.

Een componiste herontdekt

Fanny Hensel beschikte over een uitzonderlijk muzikaal talent, maar de maatschappelijke conventies van haar tijd beperkten haar mogelijkheden om als componiste naar buiten te treden. Haar broer Felix (1809-1847) bouwde een internationale carrière uit, terwijl haar eigen muziek veel minder bekendheid kreeg. In 1841 componeerde ze Das Jahr, een cyclus van twaalf karakterstukken voor piano, waarin elke maand een eigen muzikaal karakter krijgt. Tegelijkertijd vormen de delen samen een zorgvuldig opgebouwde eenheid.

In een interview voor Klassiek Centraal vertelde Detlev Glanert me hoe hij aanvankelijk met enige terughoudendheid tegenover de cyclus stond. Hij associeerde de muziek met salonmuziek, maar veranderde van mening toen hij zich er grondig in verdiepte. Hij ontdekte een eigen muzikale stem, een avontuurlijke harmonische verbeelding en een sterk gevoel voor vorm. Vooral de omvang en de samenhang van het geheel maakten indruk op hem. Bovendien bleek Hensel zelf op bepaalde plaatsen al over orkestrale mogelijkheden te hebben nagedacht.

https://klassiek-centraal.be/een-intelligente-en-fantasievolle-spitsvondige-en-diep-gevoelige-componiste-met-enorme-levendigheid-detlev-glanert-over-het-orkestreren-van-fanny-hensels-das-jahr

Een orkestratie van binnenuit

Glanert wilde zich in zijn bewerking niet als een tweede componist naast Hensel plaatsen, maar wilde zo dicht mogelijk bij haar muzikale bedoelingen blijven. In ons gesprek benadrukte hij hoe belangrijk het voor hem was haar aanwijzingen en onderlinge verbanden te respecteren. Terugkerende motieven en overgangen dragen immers bij aan de cyclische samenhang. Ook de groepering van de maanden in drie reeksen speelde een rol. Zijn ervaring met het orkest en zijn gevoel voor dramaturgie hielpen hem de afzonderlijke karakterstukken tot één geheel te verbinden.

In de uitvoering is dat goed te horen: de orkestratie is fijnzinnig en weloverwogen. Glanert weet welke instrumenten elkaar aanvullen, hoe klankkleuren zich tot elkaar verhouden en hoe een climax kan worden opgebouwd zonder de muzikale lijn uit het oog te verliezen. Alles staat in dienst van Hensels idioom. De orkestratie doet geen afbreuk aan het origineel, maar maakt aspecten hoorbaar die in de pianoversie minder op de voorgrond treden.

De Dresdner Philharmonie, onder leiding van Bar Avni, liet de vele kleuren en stemmingen van de muziek tot hun recht komen. De opening kreeg met de warme, enigszins donkere klank van de lage strijkers meteen een eigen sfeer. Vervolgens ontvouwde zich een rijk palet, met fraaie solistische bijdragen van houtblazers en koper en een breed scala aan klanknuances in de strijkers. Ook de harp kreeg een opmerkelijke rol. Haar fijnmazige bijdragen waren allerminst louter decoratief, maar werden op ingenieuze wijze in het orkestweefsel opgenomen, soms in samenspel met cello of houtblazers. In de meer kamermuzikale passages kwamen de individuele orkestmusici mooi naar voren. Avni hield bovendien de transparantie goed in stand, ook wanneer de muziek aan kracht won.

Enkele momenten bleven me in het bijzonder bij. De hoornjacht in oktober was ronduit fenomenaal: de hoorns speelden de passage foutloos, maar het was vooral hun klank die indruk maakte, meer nog dan de technische beheersing. In december kreeg het koraal Vom Himmel hoch een rijke orkestrale uitwerking. De spanning werd geleidelijk opgebouwd tot een indrukwekkende climax, waarna het naspel met het koraal Das alte Jahr vergangen ist voor een diep doorvoeld slot zorgde. De verwijzing naar Bach is betekenisvol, zeker in het licht van de muzikale traditie van de familie Mendelssohn.

Bij het beluisteren van deze orkestratie drong zich even de vergelijking op met Ravels bewerking van Moessorgski’s Schilderijententoonstelling. Toch gaat dat uiteindelijk niet helemaal op. Glanert streeft niet naar een spectaculair nieuw klankuniversum dat de oorspronkelijke pianoversie naar de achtergrond verdringt. Zijn aanpak is subtieler: hij maakt hoorbaar wat al in Hensels muziek aanwezig is en biedt tegelijk een nieuwe kijk op de compositie. Het gaat dus om veel meer dan een orkestmantel: Glanert legt de veelzijdigheid van haar muzikale taal bloot.

Een kleine kanttekening betreft de presentatie. Omdat Das Jahr en zeker deze orkestversie voor veel toehoorders onbekend zullen zijn, hadden boventitels met de namen van de maanden het publiek kunnen helpen de afzonderlijke delen en de grotere structuur van de cyclus beter te volgen. De uitvoering zelf werd warm onthaald. Bar Avni en de musici van de Dresdner Philharmonie speelden met grote betrokkenheid en overtuiging. Het concert maakte me alvast nieuwsgierig naar meer muziek van Fanny Hensel. Das Jahr verdient beslist vaker op het programma te staan, zowel in de oorspronkelijke pianoversie als in deze orkestrale gedaante.

Lyriek en samenspel

Na de ontdekking van Hensel volgde het vioolconcert van Johannes Brahms (1833-1897), een vertrouwd meesterwerk. Bar Avni zette het openingsdeel in met een vinnige, gedreven en tegelijk warme orkestrale inleiding. Ze haalde bijzonder veel uit het orkest en bracht accenten naar voren die in een live-uitvoering vaak verloren gaan.

Dat bleek onder meer uit de manier waarop ze het orkest aanstuurde. Toen Vadim Gluzman in het eerste deel inzette, bleven de hoorns en pauken duidelijk aanwezig, terwijl die in andere uitvoeringen meestal wegvallen. Op andere momenten vroeg Avni nadrukkelijk om de donkere kleur van celli en contrabassen, of om de pizzicati van de violen. Het orkest volgde haar daarbij uitstekend. Het mocht gerust voluit gaan, maar hield zich in zodra de solist aan bod kwam. Zo bleef het evenwicht tussen solist en orkest het hele concerto lang goed en bleven details uit de partituur in de verschillende stemmen hoorbaar.

Gluzman overtuigde met een heldere, rijke viooltoon die doorheen het hele concerto indruk maakte, en met een uitgesproken zangerige benadering. Zijn vibrato varieerde van discreet tot intens, afhankelijk van het muzikale moment. In de cadens van het eerste deel werkte hij het gekende thema uit tot een indringende variatie, met meer aandacht voor lyriek dan voor virtuoos vertoon.

Avni liet het Andante wat breder inzetten. De hobosolo was heerlijk en werd mooi ondersteund door de andere houtblazers en het koper. Na de solo leek Gluzman het tempo iets te willen opdrijven, en hij zette die impuls ook door. Ik vond dat ietwat storend: het brak de lyrische ademhaling van het deel. Voor het overige waren solist en dirigente uitstekend op elkaar ingespeeld, met veel oogcontact.

Een kanttekening had ik bij de lange pauze tussen het tweede en derde deel. Ik had de lyriek van het Andante liever zonder onderbreking in de finale laten overvloeien. Aan de andere kant bracht de finale met haar frisse energie ook de indruk van een nieuw begin, al zal het ongetwijfeld een bewuste keuze zijn geweest. In die finale was het speelplezier van alle musici voelbaar en kon Gluzman zijn virtuositeit ten volle tonen zonder de melodische lijn te verliezen.

Een speels slot

Als toegift brachten Gluzman en de concertmeester samen een gavotte van Jean-Marie Leclair (1697-1764). Het is altijd mooi wanneer een solist een toegift met een orkestlid speelt, zeker als solist en concertmeester al meer dan twintig jaar bevriend zijn. Dat was aan hun samenspel te merken, en het gaf de concertmeester alle kans om mee te schitteren. Het verrassende slot werkte uitstekend als pointe. Een charmante afsluiting van een concert waarin zowel Hensels muziek als Brahms’ vertrouwde meesterwerk overtuigend tot hun recht kwamen.

Details

Wer
Dresdner Philharmonie o.l.v. Bar Avni met Vadim Gluzman, viool
Wo
Kulturpalast, Dresden
Gesehen am
1 november 2026
Bildnachweis
Dresdner Philharmonie
Diesen Artikel teilen
DE