OBV opent het nieuwe operaseizoen op een bijzondere manier. Met De Materie van Louis Andriessen zet het operahuis een statement dat het een uitgesproken weg wil en durft gaan, verwijderd van de traditionele paden.
De Materie van Louis Andriessen is gecreëerd in 1989 op het jaarlijkse Holland Festival in een enscenering van Robert Wilson. Het werd toen door de Belgische muziekjournalist André Hebbelinck omschreven als “een stuk als een dijk” (Knack, 14 juni 1989). Was de voorstelling toen voorpaginanieuws in Nederland, dan evenaart de persbelangstelling voor de creatie van de opera in Opera Ballet Vlaanderen dat ongeveer. De première bewees dat het terecht is.
Abstract verhaal tot leven gebracht
De titel spreekt nauwelijks de verbeelding aan. Hij vraagt integendeel om wat uitleg. Waarover gaat “De materie”? Het onderwerp dat Louis Andriessen (1939-2021) in de opera aansnijdt, combineert filosofie, geschiedenis en wetenschap. De opera stelt de vraag: “Hoe verhoudt de menselijke geest zich tot de materie?” Louis Andriessen poogt een antwoord te formuleren via vier periodes die de geschiedenis en het leven in de “Lage Landen” – zeg maar Vlaanderen en Nederland – bepaald hebben. Die periodes zijn de vier delen van de opera en vormen als het ware elk een op zichzelf staande eenakter. De teksten zijn samengesteld door Andriessen zelf en zijn zowat een lappendeken, elk ook met een eigen muzikale stijl, vooral dus een onconventionele operastijl.
Regie: subtiel met veel betekenis
Al verwijst “Materie” naar iets fysieks, er is nauwelijks een opera denkbaar die meer abstract is. Maar de zeer sobere en tegelijk zeer subtiel uitgedachte regie zorgt voor muziektheater dat tot leven komt en boeit. Het decor ontstaat in en door de regie. Phia Ménard tekent dan ook tegelijk voor regie en scenografie. De opera begint op een lege scène met zuiverwitte blokken als wanden. Op de bodem zijn brede stroken in buigzaam materiaal (“materie”) aangebracht die door de dansers op de tonen van de – al even abstracte en woordeloze – muziek geleidelijk in een vorm gebracht worden. Dit decor is een constante en krijgt voor elk deel de gepaste variatie, naargelang de inhoud van dat deel. Zo wordt de boeg van een schip geëvoceerd voor het eerste deel (zestiende eeuw met de scheepswerf en de filosoof Gorlaeus), de gewelven van een kathedraal voor het tweede (visioen van Hadewych), er worden kleurvlakken toegevoegd (begin twintigste eeuw en de schilder Piet Mondriaan) en tot slot wordt een bevreemdende lichtcirkel getoond die de wetenschappelijke vooruitgang van chemische elementen suggereert. Dit deel dat de Pools-Franse wetenschapster Marie Curie centraal stelt, plaatst haar eerst in de cirkel voor haar wetenschappelijke aandeel als ze de Nobelprijs ontvangt. Dan stapt ze buiten de cirkel voor haar hartverscheurende afscheidstekst aan haar overleden echtgenoot, het meest aangrijpende moment. Daarmee eindigt de opera in verstilling. Het visuele aandeel van de voorstelling is gewoonweg betoverend, een echte meesterzet van regisseuse en scenografe Phia Ménard.
Muziek voor het onzegbare
Debussy beweerde dat “muziek dient voor het onzegbare”. Louis Andriessen is daar beslist een extreme vertegenwoordiger van. De partituur is volgens een strenge structuur opgesteld met een uitgekiend gebruik van instrumenten als slagwerk en blazers, die de opera veel eerder dragen dan stem of vocale partijen. In vele passages wordt de stem zelfs gewoonweg “overstemd” door de instrumentatie en de luide effecten van meestal slagwerk. In dit geval is dat waarschijnlijk slechts in beperkte mate een kwestie van slechte balans tussen orkestbak en podium, maar simpelweg onvermijdelijk door de aard van de compositie. De jonge dirigent Bas Wiegers beheerst uitstekend de partituur van Andriessen, wat zeker blijkt uit de aparte en soms overdonderende effecten, maar vooral uit zijn zeer mooi aangegeven overgangen van het ene naar het andere deel. Je hoefde niet op de tekstbalk te zien: hier begint het volgende deel, je kon het aangekondigd horen in de muziek.
De choreografie heeft een bijzonder groot aandeel in de opera en is de hele voorstelling door niet alleen esthetisch knap, maar steeds betekenisvol ingezet. Ze bepaalt mee het succes van de voorstelling.
De vocale partijen zijn, hoe beperkt ook, uiteraard essentieel en daar wrong soms wel een beetje het schoentje. Tenor Robin Tritschler zong met weinig heldere tenor de partij van Gorlaeus, bovendien in onverstaanbaar Nederlands (oud-Nederlands?). Misschien heeft hij als invaller te weinig voorbereidingstijd gehad, want zijn naam was met een stickertje toegevoegd in het programmaboek. Katrien Baerts was vocaal een hemelse Hadewych, en geassisteerd door de choreografie vertolkte ze als de erotisch-mystieke Hadewych perfect de religieuze dwangmatigheid waarmee ze de seksuele lust beheerste. Het optreden van Lies Pauwels als Marie Curie in het laatste deel heeft me daarentegen helemaal niet overtuigd, zelfs gestoord hoe hartverscheurend haar verdriet en hommage aan haar echtgenoot Pierre ook verwoord is. Een slot dat als contrast met de vele luide slagen toch stilmaakt op het einde van de voorstelling.
Een voorstelling die Opera Ballet Vlaanderen in zijn annalen van de operageschiedenis mag zetten.