Wanneer ik een cd met muziek van Marcel Dupré in de speler schuif, probeer ik doorgaans eerst alle achtergrondinformatie te vergeten. Geen booklet, geen biografie, geen technische fiche van het orgel. Gewoon luisteren. Voelt het Frans aan? Roept het die onmiskenbare wereld op van Saint-Sulpice, Notre-Dame, Montmartre en de grote Cavaillé-Coll-orgels?
Bij deze uitgave was het antwoord verrassend snel duidelijk. Vanaf de eerste maten van Le Monde dans l'attente du Sauveur werd ik meegenomen naar een Parijse ochtend, ergens tussen de geur van koffie en het beeld van rode bistrostoelen, maar ook het gerinkel van het wierookvat in een lege Sacré-Coeur, begeleid door de sonore pracht van het Franse orgelrepertoire. Dat is uiteraard deels psychologie, maar ook een compliment: deze opname slaagt erin de sfeer van Dupré's muzikale universum meteen op te roepen.
Dat is op zich opmerkelijk, want het orgel waarop deze opname werd gemaakt bevindt zich niet in Frankrijk, maar in St Edmundsbury Cathedral in Engeland. Organist Richard Cook, het St Edmundsbury Cathedral Choir en dirigent Claudia Grinnell presenteren hier een zorgvuldig samengesteld programma rond Marcel Dupré, met als centraal werk de monumentale Symphonie-Passion op. 23. Daaromheen vinden we de Variations sur un Noël op. 20, de Deux Esquisses op. 41, de Quatre Motets op. 9 en de gregoriaanse melodieën waarop de symfonie is gebaseerd. Het programma volgt daarbij de grote momenten van het kerkelijk jaar: van Advent en Kerstmis via de Goede Week naar Pasen.
Deze opname markeert bovendien een belangrijke mijlpaal in de carrière van Richard Cook. Hoewel hij binnen de Engelse kathedraalwereld allerminst een onbekende is, gaat het hier om zijn eerste solo-cd. Sinds 2019 is hij Assistant Director of Music van St Edmundsbury Cathedral, nadat hij eerder actief was aan Worcester Cathedral. Dat hij voor zijn debuut meteen een werk als de Symphonie-Passion centraal stelt, getuigt van ambitie én zelfvertrouwen. Wie de opname beluistert, merkt al snel dat dit geen overmoedige keuze was. Cook beschikt over een muzikale maturiteit die je eerder verwacht van een organist met een uitgebreide discografie achter zijn naam.
Dupré was veel meer dan een briljant organist. Als leerling van Charles-Marie Widor en Louis Vierne, en later als leraar van onder meer Olivier Messiaen, Jean Langlais en Pierre Cochereau, vormt hij een cruciale schakel in de twintigste-eeuwse Franse orgeltraditie. Zijn naam staat voor virtuositeit, improvisatiekunst en een diep religieuze inspiratie.
De Symphonie-Passion als hart van de opname
De Symphonie-Passion ontstond in 1921 uit een improvisatie op het beroemde Wanamaker-orgel in Philadelphia. Vier gregoriaanse melodieën vormden de basis voor een muzikale verbeelding van Christus' leven. Dupré werkte deze improvisatie later uit tot een volwaardige symfonie die vandaag beschouwd wordt als een van de absolute hoogtepunten uit het orgelrepertoire.
Een sterk punt van deze opname is dat elk deel voorafgegaan wordt door de oorspronkelijke gregoriaanse melodie, uitgevoerd door het koor. Daardoor ontstaat een natuurlijke verbinding tussen liturgie en compositie. De zangers kiezen hier niet voor een hedendaagse aanpak van het gregoriaans, maar houden vast aan de volle en gedragen koorklank. Dat is misschien ietwat archaïsch in deze tijd, maar het werkt wonderlijk als inleiding op de orgelwerken.
Waar Dupré zelf in zijn legendarische opname uit 1965 soms een bijna improvisatorische directheid laat horen en Cochereau de muziek met een onweerstaanbare spontaniteit lijkt te laten ontstaan, kiest Cook voor een meer gecontroleerde benadering. Hij denkt in lange lijnen, bewaakt voortdurend de architectuur van het werk en bouwt de spanningsbogen zorgvuldig op.
In vergelijking met Dupré's opname uit 1965 valt bovendien op dat Cook minder scherp en minder agressief registreert. Dupré laat de baslijn vaak prominenter naar voren komen en creëert een scherpere, soms zelfs rauwe dramatiek. Ook de beroemde opname van Cochereau dringt zich meer op aan de luisteraar. Cook kiest eerder voor verfijning dan voor confrontatie. Waar de Fransen soms een gecontroleerde chaos creëren, levert Cook een uitvoering af die typisch Engels aandoet: verzorgd, weloverwogen en structureel sterk.
Dat is allerminst een nadeel. Integendeel: de grote architectuur van het werk komt hierdoor bijzonder duidelijk naar voren. Vooral in Crucifixion maakt dat indruk. Cook houdt de spanning gedurende het volledige deel strak vast, zonder te vervallen in goedkope effecten. De ritmische motoriek, die Dupré gebruikt om de kruisiging te evoceren, krijgt een bijna onontkoombare kracht. Wanneer de muziek daarna bijna stilvalt, komt dat gevoel van stilte des te harder binnen.
Technisch is Cook superieur. Zelfs in de meest complexe passages blijft zijn spel zorgvuldig uitgebalanceerd en consequent opgebouwd. Misschien mist hij hier en daar een fractie van de roekeloze spontaniteit van Dupré zelf, maar daar staat een indrukwekkend uitgewerkte spanningsboog tegenover.
Een koor dat veel meer doet dan begeleiden
De aanwezigheid van het St Edmundsbury Cathedral Choir blijkt veel meer dan een programmatische vondst. De motetten behoren zonder twijfel tot de hoogtepunten van deze uitgave.
Vooral Laudate Dominum vraagt een indrukwekkende vocale beheersing. De tenoren verdienen hier een bijzondere vermelding. Hun inzet is ronduit uitstekend. Sterker nog: ik vond hun bijdrage overtuigender dan die van sommige gerenommeerde referentie-opnames uit de Engelse kathedraaltraditie. Kenmerkend is hun vermogen om voortdurend te schakelen tussen volle kracht en verfijnde zachtheid zonder verlies van focus of homogeniteit.
Wanneer vervolgens de andere stemgroepen aansluiten, valt vooral de warme en evenwichtige koorklank op. Er ontstaat een homogeen geheel waarin de verschillende stemmen elkaar voortdurend ondersteunen en de melodische lijn steeds natuurlijk naar voren komt.
In Tantum Ergo wordt opnieuw die sfeer bereikt die karakteristiek Frans aandoet. De stemmen bezitten precies die warme gloed die we vaak associëren met Franse kerkelijke uitvoeringen. Ook O Salutaris Hostia behoort tot de mooiste momenten van de opname. Zelfs in de hogere lijnen klinkt het koor bijzonder menselijk en natuurlijk. Geen steriele perfectie, maar warmte, kleur en overtuiging.
Soliste Natalie Werner zorgt in het Ave Maria voor een welkom moment van rust. Haar bijdrage blijft stijlvol en ingetogen, zonder in sentimentaliteit te vervallen.
Een woord van lof is eveneens op zijn plaats voor Claudia Grinnell, sinds 2024 Director of Music van de kathedraal. Zij bewijst op deze opname een uitstekend gevoel te hebben voor Dupré's religieuze en muzikale taal. Het koor klinkt gedisciplineerd zonder ooit academisch te worden, terwijl de gregoriaanse fragmenten een natuurlijke samenhang creëren tussen de verschillende onderdelen van het programma.
Het orgel: indrukwekkend, maar anders dan Cavaillé-Coll
Het orgel van St Edmundsbury Cathedral, gebouwd door Harrison & Harrison en voltooid in 2010, telt 3.553 pijpen en combineert historisch materiaal met moderne bouwprincipes. Het is een indrukwekkend instrument dat zowel kracht als kleur biedt.
Toch bleef ik tijdens het luisteren regelmatig denken aan de beroemde Cavaillé-Coll-orgels waarmee Dupré zo nauw verbonden was, in het bijzonder het orgel van Saint-Ouen in Rouen waarop hij zijn legendarische opname uit 1965 maakte.
Interessant genoeg is het verschil niet louter een kwestie van meer of minder kwaliteit. Het Engelse Harrison-orgel klinkt vaak als één indrukwekkende klankmassa die de ruimte vult. Het Franse Cavaillé-Coll-orgel doet iets anders. Ook daar hoor je een enorme sonoriteit, maar tegelijk blijven verschillende klanklagen verrassend goed herkenbaar. De pedaalfundamenten, de middentonen en de karaktervolle tongwerken lijken er onafhankelijk van elkaar te ademen terwijl ze toch één geheel vormen.
Misschien paradoxaal genoeg ervaar ik de historische Saint-Ouen-opname daardoor zelfs als meer gedefinieerd. De beroemde homogeniteit van een Cavaillé-Coll-orgel betekent immers niet dat alle details verdwijnen. Integendeel: binnen de monumentale sonoriteit blijven de verschillende lagen opvallend herkenbaar. Bij St Edmundsbury vloeien klank en akoestiek sneller samen tot één indrukwekkend klankbeeld. Daardoor hoor ik in de grootste tutti's soms minder van de interne structuur die Dupré zo meesterlijk in zijn partituren verwerkt.
Dat neemt niet weg dat de opname van Regent bijzonder geslaagd is. De akoestiek van de kathedraal wordt prachtig weergegeven, met voldoende ruimte rond het instrument zonder dat details verloren gaan. Het basfundament is stevig, de ruimtelijkheid overtuigend en de balans tussen directe klank en nagalm zorgvuldig gekozen.
Slotbeschouwing
Deze uitgave verdient lof omdat ze niet probeert een Franse referentie-opname te kopiëren. Richard Cook en zijn medewerkers kiezen resoluut voor hun eigen invalshoek en tonen hoe Dupré kan functioneren op een groot modern Engels kathedraalorgel. Dat levert een andere klankwereld op dan de historische Franse opnamen, maar daarom niet minder interessante inzichten.
Het resultaat is een coherent opgebouwd programma waarin orgel, koor en liturgie elkaar versterken. De Symphonie-Passion krijgt een overtuigende uitvoering, de motetten behoren tot de mooiste verrassingen van de cd en de opnamekwaliteit is van hoog niveau. Voor een eerste solo-cd is dit bovendien een opmerkelijk volwassen visitekaartje van Richard Cook.
Wie de ultieme Cavaillé-Coll-sensatie zoekt, zal wellicht nog steeds teruggrijpen naar Dupré of Cochereau. Maar wie wil ontdekken hoe rijk en veelzijdig Dupré's muziek buiten haar vertrouwde Franse context kan klinken, vindt hier een bijzonder geslaagde uitgave.