Anima Eterna Brugge herbront Bruckner (en zichzelf)

Vorige zaterdag speelde Anima Eterna Brugge, onder leiding van de Spaanse dirigent Pablo Heras-Casado, de Zevende Symfonie van Anton Bruckner. Het concert vond plaats in het Concertgebouw Brugge, de trouwe thuishaven van het orkest. Vooraf had dit evenement behoorlijk wat media-aandacht weten weg te kapen; achteraf bleek dat ook terecht want het concert was een gebeurtenis, niet alleen omwille van de uitvoering zelf, maar vooral omwille van de belofte die het inhoudt voor de toekomst. 

Eerst de uitvoering zelf: Bruckner-symfonieën worden bij ons sowieso niet al te vaak uitgevoerd. Als dat dan toch het geval is, gebeurt het meestal door ‘hedendaagse symfonische orkesten’ die daarbij meestal graag het monumentale karakter van Bruckners symfonieën in de verf zetten: Bruckner wordt dan veelal traag, luid en plechtstatig gespeeld. Dat verdwijnen in een grootse klank kan soms heerlijk aanvoelen, maar toch verdonkeremaant een dergelijke aanpak veelal de schakeringsrijkdom die wel degelijk in Bruckners symfonieën aanwezig is.

Juist omdat Bruckners symfonieën vaak zo eenzijdig geportretteerd worden, kon het haast niet anders of Anima Eterna zou zich vroeg of laat in dit repertoire vastbijten. Sinds jaar en dag is de missie van dit orkest immers om tegen de stroom in te roeien, niet per se om tegendraads te zijn, wel om zo dicht mogelijk bij de bron te komen. Concreet betekent dit dat er consequent eigentijdse (en ‘eigenoordse’) instrumenten in stelling worden gebracht, dat de oorspronkelijke uitvoeringsomstandigheden zorgvuldig worden uitgeplozen en dat de partituur herlezen wordt alsof er nooit een uitvoeringsgeschiedenis geweest is. Een gevolg daarvan is onder meer dat de sonoriteiten veranderen; ze worden zachter, warmer, delicater en hebben meer schakeringen. Verder verschuift de balans tussen de verschillende instrumenten en instrumentengroepen drastisch. In het bijzonder de afslanking van het strijkersleger zorgt steevast voor een perspectiefverandering. Zo moet het voor de amper acht houtblazers die Bruckner voorschrijft in zijn Zevende Symfonie letterlijk en figuurlijk een verademing geweest zijn om dit werk te kunnen spelen zonder zich de pleuris te moeten blazen in de hoop gehoord te worden. 

Naast klankkleur en balans is er ook nog een derde vast element van verandering: de textuurvoordracht, dat is: de mate waarin de verschillende muzikale lagen die tegelijk in een muziekstuk werkzaam zijn hoorbaar gemaakt worden. Bruckners muziek wordt vaak als ‘massief’ bestempeld, maar eigenlijk is ze dat meestal niet. Ze herbergt een onnoemelijke polyfone (meerstemmige) rijkdom, die onvermijdelijk verloren gaat als de luidheidslust onvoldoende getemperd wordt. Hoe transpanter de uitvoering, hoe beter die gelaagdheid zich kan openbaren natuurlijk – een devies dat Anima Eterna altijd al hoog in het vaandel geschreven heeft, en dat ook in deze Bruckner-uitvoering voor een wereld van verschil zorgde.  

Enerzijds was dat een enorme verdienste van de Spaanse dirigent Pablo Heras-Casado, waarmee Anima Eterna voor dit project in zee ging. Heras-Casado’s focus lag in zijn jonge jaren vooral op renaissancemuziek en barok, waardoor hij een ragfijn gevoel voor contrapunt en textuur ontwikkelde. Later dompelde hij zichzelf meer en meer onder in het romantische repertoire, inclusief de opera’s van Richard Wagner, Bruckners grote idool. Deze twee werelden, die in de traditionele muziekcultuur meestal mijlenver van elkaar staan, vloeien in Heras-Casado dus op wonderlijke wijze samen. In ieder geval was het zeldzaam, zeker in een Bruckner-symfonie, om transparantie en pathos zo vreedzaam en ongedwongen met elkaar versmolten te horen worden.

Anderzijds mag ook de verdienste van de musici in deze niet veronachtzaamd worden; al te makkelijk vergeet men dat historische instrumenten moeilijker te bespelen zijn dan moderne: ze zijn minder toonvast, minder secuur in de aanzetten en ze werden door de toenmalige componisten vaak tot aan (of tot net voorbij) hun limieten uitgedaagd. Spelen op historische instrumenten is dus een uitdaging, maar een uitdaging die bijzonder waardevol is omdat ze een diepere esthetiek en een hoger schoonheidsideaal dient. (Foutjes zijn hier dus per definitie schoonheidsfoutjes.) De musici van Anima Eterna Brugge hebben zich vorige zaterdag alweer onversaagd voor dit ideaal gesmeten, aangedreven door een dirigent die emotioneel en conceptueel helemaal op dezelfde golflengte zat. Enkel daardoor was het mogelijk dat er iets bijzonders gebeurde: Bruckner werd losgeweekt van zijn reputatie, wat op zich nog een veel grotere verdienste is dan het uitstekend uitvoeren van zijn muziek.

De beklijvende ervaring van vorige zaterdag was des te betekenisvoller omdat het concert ook een belofte lijkt in te houden voor de toekomst. De uitvoering van de Zevende was immers nog maar het begin van een bredere Bruckner-exploratie in samenwerking met Heras-Casado de komende jaren. Zo staan intussen ook Bruckners Derde en Vierde Symfonie ingepland. Wat het concert van zaterdag alvast heeft duidelijk gemaakt is dat dit project zich zal kunnen ontwikkelen in de geest van nieuwsgierigheid en luciditeit die Jos van Immerseel zijn ensemble vele jaren geleden heeft ingeblazen en die geleid heeft tot een totale herontdekking (of in ieder geval herbeleving) van tal van grote orkestwerken. Dat dit nu uitgerekend gebeurt met een repertoire waartoe Van Immerseel zich zelf nooit bijzonder sterk aangetrokken gevoeld heeft, maakt de symboliek van dit project alleen maar sterker. Met de oude ziel in nieuwe handen staat Anima Eterna nu immers echt klaar om zich met nieuwe energie verder te ontwikkelen op de weg waarop het de voorbije decennia excelleerde: de grondige herontdekking van (meestal) gekend orkestrepertoire. Slechts als het oude nieuw kan worden, kan de ziel eeuwig zijn. Zo wordt de Bruckner-herbronning immers ook een herbronning van het ensemble zelf.

Wat Anima Eterna Brugge daarbovenop vooral nog nodig heeft is het culturele inzicht dat hun historisch geïnformeerde en geïnspireerde aanpak een onmiskenbare meerwaarde biedt aan onze muziekcultuur. Vlaanderen heeft in de voorbije vijftig jaar internationaal een ongelooflijk belangrijke rol gespeeld in de exploratie van historische uitvoeringspraktijken. Het heeft daarmee sommige repertoires volledig helpen heruitvinden en er geleidelijk aan ook een publiek voor gewonnen. Dat werk is verre van voltooid. Van zodra er signalen zijn, zoals nu, dat die exploratie verder kan worden ontwikkeld onder hoogwaardige artistieke voorwaarden, is het onze culturele plicht om ons daar achter te scharen. Zélfs als men zijn Bruckner eigenlijk liever zompig hoort.

© Alex Vanhee

Pieter Bergé

Pieter Bergé (°1967) is hoogleraar musicologie aan de KU Leuven. Hij publiceerde onder meer over de opera’s van Arnold Schönberg en de analyse van instrumentale muziek uit de late 18deen 19de eeuw. Voor een breder publiek schreef hij de voorbije jaren over het Requiem van Mozart (Wie schreef het requiem van Mozart?), de vermeende ontoegankelijkheid van nieuwe muziek (Wat valt er eigenlijk te begrijpen? Een essay voor Beethovenliefhebbers en Schönberghaters), een muziekgeschiedenis voor jongeren van geest (Hoe groen klinkt een gitaar? En 99 ander dingen die je moet weten over klassieke muziek), en Sjostakovitsj’ complexe relatie met de Sovjets (De leugens en de schaterlach). Zopas verscheen van zijn hand ook een boek over Kurt Weills opera Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny. Zowel zijn wetenschappelijk werk als zijn publicaties voor een breder publiek werden herhaaldelijk bekroond. Sinds 2015 is Pieter Bergé ook artistiek directeur van het Leuvense Festival 20・21.

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: