“Als je Mozart echt serieus neemt, moet je er ook mee kunnen spelen”

Mozart in het West-Vlaams, zo staat er in kapitalen op de achterkant van hun gloednieuwe cd. Twee jaar na Kom, benevelt mie!, hun opmerkelijke samenwerking rond een selectie liederen van Franz Schubert, slaan pianist Nicolas Callot en Wannes Cappelle, frontman van Het Zesde Metaal, de handen opnieuw in elkaar. “Je merkt heel duidelijk dat we op alle vlakken een stap verder staan. De manier waarop we ons in de materie hebben verdiept en ermee zijn omgegaan, was deze keer vrijer.”  

Tijdens het slotconcert van het Festival van Vlaanderen Kortrijk in februari 2019 was het nog een gewaagde sprong in het duister: klassieke liedkunst, maar dan met een West-Vlaamse tongval, wat zou dat geven? Vandaag wordt er door pianist Nicolas Callot en zanger Wannes Cappelle alweer aan een volgend project gedacht. “Het is gewoon te leuk. Ik zou niet weten waarom we hiermee zouden stoppen”, klinkt het aan het eind van ons interview bij de frontman van Het Zesde Metaal. Na Kom, benevelt mie!, een opname met werk van liedcomponist par excellence Franz Schubert (1797-1828), doken beide heren nu in het oeuvre van Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791). Verslegen nevest gie levert opnieuw een dozijn omgewerkte nummers en flink wat taalvirtuositeit op, zoals het publiek eind oktober tijdens Iedereen Klassiek in Brugge in première kon ontdekken. Het was de voorloper van een tournee die op 9 december in Cultuurcentrum Everberg van start gaat en waarvan u de speeldata onderaan dit stuk terugvindt. Het gesprek met Callot en Cappelle heeft plaats op de hoogste verdieping van de KBC Arteveldetoren, een vijfentwintig etages tellend bouwwerk dat eenieder die Gent langs de E40 passeert niet kan missen. Hier in het auditorium worden straks de nieuwe Mozart-liederen gepresenteerd aan het cliënteel van de bank. Maar voor het zover is, beantwoorden beide musici met veel plezier een reeks vragen, en dat zowaar in het Algemeen Nederlands.

Toen jullie in 2019 samen aan dit avontuur begonnen, moest jij, Wannes, ootmoedig toegeven dat je niets van klassieke muziek kende… Wat heb je sindsdien allemaal over deze muziek geleerd; kijk je nu misschien anders naar klassiek? 

Wannes Cappelle: Wat ik van klassieke muziek kende, was eigenlijk afkomstig van de muziekschool. Ik heb tot mijn zestiende piano gespeeld. Zo kende ik bijvoorbeeld Ständchen van Schubert, maar ik wist dus niet dat daar ook een tekst bij hoorde (gniffelt). De klassieke muziek heeft voor mij altijd wat op een pedestal gestaan, maar sinds de samenwerking met Nicolas is die wereld veel dichter bij mijn eigen achtergrond in de popmuziek gekomen. Ik kan nu een lied van Mozart nemen en zelf uitzoeken met welke akkoorden ik die muziek ook op een gitaar kan brengen, wat het genre begrijpelijker en in zekere zin ook menselijker maakt. En tegelijkertijd zie je dan ook beter het genie ervan. Het is ook heel fijn als een partituur, wat in wezen een dood ding is, opnieuw tot leven wordt gewekt. Je her-creëert iets en wat je op die manier doet, is zo persoonlijk en gebonden aan het moment waarop je de muziek speelt.

Ik heb enorm moeten werken om al die klassieke liederen op een aanvaardbaar niveau te kunnen zingen. Sommigen noten en klanken zijn echt hoog gemikt, en ik moet natuurlijk zien dat ik daarmee wegkom. Ik ben eigenlijk voor het eerst beginnen beseffen dat herhaling de sleutel is, totdat de noot eruit komt zoals het moet. Ik ben veel gedisciplineerder stemoefeningen beginnen doen, terwijl ik wel al twintig jaar zing. Het is alsof ik de dingen nu pas aan het leren ben, en dat is een heel fijne gedachte. Er is dus nog ruimte voor verbetering, zo op mijn drieënveertigste.

Na Schubert richten jullie nu alle spotlights op Wolfgang Amadeus Mozart, zonder twijfel een nog bekender componist, zij het niet op de eerste plaats voor zijn liedkunst, maar wel door zijn razend populaire opera’s. Hoe is de keuze van de muziek deze keer verlopen; welke beweegredenen hebben deze mee bepaald? 

Nicolas Callot: Voor de muziekkeuze heb ik natuurlijk een voorzet gegeven, maar uiteindelijk is er in samenspraak beslist wat we zouden opnemen. Ik heb een selectie gemaakt van de beperkte liederen van Mozart die er zijn. Ook het aantal aria’s was beperkt, want er zijn er niet zo veel die in het stemtype van Wannes passen. Ik ben meer naar de intimistische momenten gaan zoeken, zoals Deh, vieni alla finestra bijvoorbeeld, het liefdeslied uit de opera Don Giovanni. Ik heb dus meer aan het vocale en muzikale gedacht, waarna Wannes met de teksten is beginnen werken en aangegeven heeft waar hij echt mee aan de slag kon. Op die manier hebben we ook een paar stukken laten varen. Het zou wel kunnen dat het repertoire tijdens de tournee terug uitgebreid wordt, zoals dat ook bij Schubert is gebeurd.

Bij Mozart was het selectieproces iets moeilijker omdat hij in tegenstelling tot Schubert niet met die grote dichters heeft gewerkt. Er is wel een tekst van Goethe bij, maar het andere materiaal is wat obscuurder en van minder diepgaande kwaliteit. En toch zijn die teksten met een bepaalde reden door Mozart gekozen. Het is wel leuk en verrijkend om uit te zoeken wat die redenen nu precies waren. Zo blijkt dat er vaak een dubbele bodem en iets heel ironisch in de teksten zit. Die illustreren niet altijd de muziek en ook andersom, wat bij Schubert helemaal anders is. Net die dualiteit is bij Mozart interessant en tegelijk fantastisch om te ontdekken. Het maakte het in eerste instantie soms ook uitdagender om alles muzikaal op poten te zetten.

Is er een specifieke aria of lied dat absoluut op de cd moest komen?

Nicolas Callot: “Er zit vaak een dubbele bodem en iets heel ironisch in de teksten die Mozart toonzette. Net die dualiteit is interessant en tegelijk fantastisch om te ontdekken.”

Callot: Dit vind ik een moeilijke vraag. Weet je, als je bij de cijfers van Spotify gaat kijken naar de nummers die het meest geluisterd worden, dan valt het op dat het eerste nummer op een cd doorgaans het meest wordt beluisterd en het laatste nummer het minst. En dus denk je goed na wat je als eerste nummer op de cd zal zetten. In ons geval is dat Komm, liebe Zither, waarvan je hoopt dat het mensen overtuigt om verder te luisteren, ook al is het niet per se ons beste nummer. En dat vind ik wel belangrijk: dat de cd één geheel is en één luisterervaring biedt. Het is in die totaalervaring dat de luisteraar zich moet onderdompelen, van begin tot eind, ook al gaat er misschien één nummer zijn eigen leven leiden omdat het populairder is dan alle andere. Er zijn albums op Spotify die je alleen maar zo, van a tot z, kan beluisteren, zonder te shuffelen of wat dan ook. Enkel op die manier volg je de spanningsboog die de artiest opbouwt. 

Cappelle: Een single kiezen voor de radio was inderdaad een opgave. Vanuit de teksten gedacht, vond ik Wiegenlied bijvoorbeeld heel dicht liggen bij wat ik zelf als tekst zou schrijven. En ook Abendempfindung vond ik een geweldige tekst om te vertalen. Maar ik vind het net als Nicolas moeilijk kiezen. Want Lied zur Gesellenreise vind ik ook heel mooi (lacht). Laat het ons dus uiteindelijk maar op Abendempfindung houden, het laatste nummer op de cd.      

Het concept van Verslegen nevest gie is natuurlijk vergelijkbaar met Kom, benevelt mie!, jullie succesvolle opname van Schubert-liederen, al is de componist dus wel verschillend. Zijn er naast de componist, inhoudelijk of vormelijk, nog andere verschillen tussen beide opnameprojecten?

Callot: Ik denk het niet, neen. Er zijn eigenlijk veel parallellen tussen beide projecten te trekken. In eerste instantie is het een vervolg. Je ziet dat ook meteen aan het ontwerp van de cd, want voor het artwork zijn we terug met Sammy Slabbinck in zee gegaan, die een geestige hoes heeft gemaakt. Tegelijkertijd is het ook een evolutie: je merkt heel duidelijk dat we op alle vlakken een stap verder staan. De manier waarop we ons in de materie hebben verdiept en ermee zijn omgegaan, was deze keer vrijer. Niet dat we volledig los met de zaken zijn omgegaan, maar door te graven en te onderzoeken, geef je jezelf wel meer speelruimte. Mozart is toch ook een andere tijdsgeest dan Schubert en zorgt ook voor een andere aanpak, iets wat Wannes fantastisch heeft kunnen oppikken. Door het te doen, heeft hij terug houvast gevonden en zich de muziek eigen gemaakt. Ook al ligt Schubert misschien dichter bij hem, toch weet hij Mozart heel overtuigend te brengen.   

De opnamelocatie is wel verschillend. De eerste cd was in samenwerking met DE SINGEL en hebben we daardoor in de Blauwe Zaal opgenomen. Dat is zo’n heilige tempel waarvan je denkt dat er alles goed klinkt. Ik heb daar als muzikant en als opnameleider al vaak gewerkt, en toch was het voor onze Schubert niet zo evident omdat we dat kleine en intimistische wilden bewaren. Maar in de Blauwe Zaal was dat gewoon heel moeilijk. We zijn deze keer dus gewoon naar een plek getrokken waar we rust hadden en konden doen wat we wilden, en dat was de Betty Braemzaal van de!Kunsthumaniora. Die school betrekt een kasteeltje even buiten Antwerpen, in Berchem, en heeft daar een moderne en geluidsdichte zaal aangebouwd. We zochten naar een middenweg tussen de klassieke muziek, die leeft van een ruimte en haar natuurlijke akoestiek, en de popwereld, waar je in de studio kruipt en alles apart gaat opnemen en iets zo nodig modificeert. De zaal was ideaal om die twee werelden bij elkaar te laten komen. Om aan de ene kant het directe te hebben van Wannes zijn stem, en de teksten zo verstaanbaar mogelijk te maken, en aan de andere kant ook de piano goed te laten klinken.

Welke piano(forte) horen we eigenlijk op de nieuwe cd, Nicolas? 

Callot: Met het instrument zitten we in Wenen op een overgang. De pianoforte waar we de Schubert-liederen op opgenomen hebben, was heel vroeg voor Schubert, en nu heel laat voor Mozart. Het is een kopie van Jan Van den Hemel, maar oorspronkelijk in Zuid-Duitsland gebouwd door Jacob Pfister (1770-1838). Dat was gedurende tien jaar een leerling van Anton Walter (1752-1826), de grote pianoleverancier van Mozart. De link met de componist is dus zeer uitgesproken. Het is bijna een kopie van de pianoforte waar Mozart op speelde.

De pianoforte is dus dezelfde als op onze Schubert-opname, maar de regisseur was wel anders: Steve Dugardin heeft ons daarmee geholpen, een talentvol contratenor die ook zangcoach is van Wannes. Ik heb zelf de opname gemaakt en gemonteerd. Het is leuk om die aspecten in eigen handen te hebben, zeker als je echt goed weet wat je wilt en hoe iets moet klinken.

“Ik heb mij de teksten eigen gemaakt, maar ik heb er niet mijn eigen verhaal van gemaakt. Ik ben trouw gebleven aan de inhoud én aan de partituur. Ook wanneer daar iets instond dat niet meteen binnen mijn stembereik lag, ben ik toch de uitdaging aangegaan,” zo klonk het in het najaar van 2020 in de perstekst over Kom, benevelt mie!. Heb je opnieuw aan dit belangrijke uitgangspunt vastgehouden, Wannes, want een aria is niet zelden andere koek dan een lied natuurlijk, of hoe heb je de vertaling van de teksten naar het West-Vlaams deze keer ervaren?

Cappelle: Ik denk dat ik op verschillende manieren misschien wel iets vrijer met het bronmateriaal ben omgegaan. In Das Lied der Trennung bijvoorbeeld had ik bij de oorspronkelijke tekst het gevoel dat het nogal veel hetzelfde bleef, en dat vele strofes lang. Dus moest je heel dat lied brengen, wordt het een heel treurige zaak, terwijl ik het gevoel had dat in de muziek wel een heel mooi verhaal en verloop zit. Dus daar ben ik wat vrijer mee omgesprongen. Door eerst en vooral te beslissen welke strofes te gebruiken en welke niet, en er mijn eigen boodschap en ook wel wat kwaadheid in te steken. Het hele album was eigenlijk een zoektocht naar hoe elk lied te brengen op zo’n manier dat het voelt als iets dat ik wil vertellen. Anderzijds waren er ook kleine dingen, zoals het toevoegen of weglaten van een versierinkje, maar dat was in die tijd ook heel gebruikelijk. Ik heb ook rapper gedurfd om een noot een tel eerder of later te zingen omdat de vertaling daarom vroeg.      

Musicoloog Pieter Bergé die hoopte destijds in De Standaard dat Cappelle verder gaat met zijn zoektocht; maar net met minder aandacht voor de juiste noten, en meer voor de eigen invulling van de liederen. ‘Hij mag zijn persoonlijke, narratieve stijl niet op het spel zetten door Schubert al te trouw te blijven’, zo klonk het toen. Hoe ben je met deze raad omgegaan, Wannes?

Cappelle: Ik begrijp zeker wat Pieter Bergé hier wilde zeggen. Als je de Schubert-opname vergelijkt met hoe we tijdens het laatste concert van de tournee de muziek brachten, dan was dat eigenlijk ook al niet meer te vergelijken. Maak je voor de allereerste keer een klassieke opname, dan is het misschien normaal dat het allemaal wat braaf en binnen de lijntjes blijft, terwijl ik nu echt voel dat ik al meer met het materiaal durf te spelen. De speelsheid die in de muziek zit, ligt ook voor het grijpen. Je kan deze Mozart-liederen niet stijf brengen. Zelfs wat ik tijdens een liveoptreden tussen de verschillende liederen vertel, is veel speelser dan bij het Schubert-repertoire. De geest van Mozart vraagt daar ook om, zet je daar als het ware toe aan.  

Callot: Als je in de studio duikt, is het normaal dat je een afgewerkt product aflevert: de cd moet mee kunnen gaan met je tournee en de mensen hebben graag een herinnering aan iets. Maar je beseft altijd nadat je zoveel keer iets hebt gespeeld, dat het dan pas echt interessant wordt en je opnieuw de studio in wil om de plaat nog eens op te nemen. Maar die evolutie in wat we doen op een cd capteren, hoe je in een zaal staat en iets presenteert enzovoort, is eigenlijk onmogelijk. Of je dat nu aan het begin of aan het einde van een tournee doet, dat magische moment en die beleving blijven telkens iets uniek. We zouden eigenlijk veel meer terug live dingen moeten opnemen en na de tournee de tien beste nummers selecteren, verspreid over pakweg dertig concerten, en die dan uitbrengen. Zoiets geeft een heel andere dynamiek.       

Wannes Cappelle: “Ik ben veel gedisciplineerder stemoefeningen beginnen doen, terwijl ik wel al twintig jaar zing. Het is alsof ik de dingen nu pas aan het leren ben.”

Volgens jou, Nicolas, zit er deze keer meer diepgang in de vertalingen van Wannes, meer lagen, en heeft hij ze eigentijdser en narratiever gemaakt. Kan je daar een of meer voorbeelden van geven? 

Callot: Wil jij dat doen, Wannes? Jij hebt daar een paar goede voorbeelden van.

Cappelle: In Wiegenlied bijvoorbeeld wordt verteld dat vader en zoon een geluid horen in het lege kasteel, een gekerm. In het Duits luidt dan de tekst “Was für ein Ach mag dies sein?”. Als je daar niet bij stilstaat, dan passeert dat gewoon. Maar dan zag ik de dienstmeid voor mij die in de keuken nog even gepakt wordt, en dus krijgen we in het West-Vlaams “nen kermend’ en kreunenden ‘och’”. De rest van de tekst heeft die dubbele laag niet. Het gaat om een heel klassiek slaapliedje, waar je plots op die passage botst. Ik zou bijna denken dat Mozart die regel er zelf in heeft geschreven. Dat soort dingen vind ik heel leuk om tegen te komen en te interpreteren.   

Een ander voorbeeld is Deh, vieni alla finestra. Dat is zo’n prachtig liefdeslied, maar wordt dan in de mond gelegd van een smeerlap als Don Giovanni en gezongen aan het raam van zijn kamermeisje. Ik vind dat heel heftig. Ondertussen stuurt hij zijn knecht, die vermomd is als zichzelf, naar de keuken om zijn vrouw wat bezig te houden, terwijl hij het kamermeisje aan het verleiden is. Net op dat moment zingt Don Giovanni één van de mooiste liederen uit heel het repertoire van Mozart, waar je zo door ontroerd bent. Het mooie eraan is dat er in de muziek niets van die ironie terug te vinden is. Maar het wringt wel enorm met het verhaal dat erachter zit. Een iets minder begenadigde verhalenverteller zou het verhaal en de muziek allicht niet van elkaar loskoppelen.

Bij de fluittonen doorheen Der Vogelfänger bin ich ja vroeg ik me af: naast zingen moet Wannes nu ook al goed en toonvast kunnen fluiten. Hebben jullie specifiek voor dit geluid een sample gebruikt of is ook dit volledig live opgenomen?

Callot: Tijdens een liveoptreden probeer ik dat gefluit te brengen, maar op de cd is het zangcoach Steve Dugardin die je hoort. Hij kan die hoge noot perfect aan. We hebben het een paar keer opgenomen en daarna ben ik ermee beginnen knutselen. Het is dus echt geen sample. Oorspronkelijk wordt dat riedeltje natuurlijk door een klokkenspel uitgevoerd, maar dat lukt niet op mijn pianoforte.

Beide rijmen heel mooi met elkaar –  Kom, benevelt mie! en Verslegen nevest gie – maar wat is het verhaal achter de titel van de cd… Waar kunnen we deze ‘verslagenheid’ op de plaat aantreffen? 

Cappelle: Voor mij heeft de titel van de cd een dubbele betekenis. Eerst en vooral is het letterlijk afkomstig uit het lied An Chloë. Dat lied gaat over een man die na de daad uitgeput naast zijn liefste ligt: “en ton zit ik hier verslegen, maar zo zalig nevest gie.” Maar als je je daarnaast aan Mozart meet, dan voel je je ook zelf verslagen. Die bijklank vond ik er dus ook leuk aan. Als je in dit werk duikt – Mozart onder handen pakt, zoals we hier en daar lezen (lacht) – dan voel je je extreem nederig.  

Kom, benevelt mie! kreeg veel bijval, zelfs in Nederland bijvoorbeeld, waar ze het West-Vlaams niet meteen machtig zijn. Hoe verklaren jullie dat deze taal, dit dialect, toch ook buiten de provinciale grenzen het publiek weet te overtuigen?

Cappelle: Muziek is op de eerste plaats emotie. De tekst komt pas in tweede instantie. Als men aanvoelt dat iets klopt en uit het hart komt, dan herken je dat in eender welke taal. En in Nederland heb je dan toch nog wel ergens die herkenning, al was het maar één woord. Maar met deze klassieke liederen is mijn gok dat de mensen hun oren spitsen net omwille van het feit dat ik de liederen niet op een klassieke manier zing, maar dichter bij de spreekstem blijf. Zoiets is men niet gewoon; springt er om die reden ook uit. Naar mijn gevoel wordt er door klassieke zangers en zangeressen zodanig op klank gewerkt, dat de mededeling eraan inboet, terwijl voor mij de vertelling net vooropstaat en dus moet overkomen.

Callot: Het is een beetje wat je gewoon bent. In de klassieke muziek primeert het vocale en zingt men nog steeds zoals honderdvijftig jaar geleden. Je moet echt wel getraind zijn om daarnaar te luisteren. Dat is niet zo evident. Op dat vlak is de toegankelijkheid bij Wannes groter voor de doorsnee leek, maar ook voor een publiek dat wel vaker naar klassieke muziek luistert, maar niet per se naar het vocale repertoire. Want dat is uiteindelijk ook maar een niche. Na een klassiek concert gaat er niemand uit het publiek struikelen over het feit dat hij of zij deze of gene zin niet begrepen heeft.

Jullie mogen één enkel stuk van de nieuwe cd kiezen: welk van de twaalf nummers is voor jou uiteindelijk het meest geslaagd, en uiteraard ook waarom?

Callot: Ik hou zo ontzettend veel van Deh, vieni alla finestra omdat het enerzijds iets heel eenvoudig is, oorspronkelijk geschreven voor mandoline en zang, en anderzijds ook zalig vind klinken op mijn instrument, al gaat het dan om een herwerking. Vooral omdat ik dan de moderator kan toevoegen. Door het stukje stof dat op dat moment voor de hamertjes wordt geschoven, klink ik als het ware als een mandolinespeler die in alle intimiteit het verhaal kan begeleiden.   

Cappelle: Ik zou eigenlijk hetzelfde kiezen. De begeleiding is inderdaad ongelooflijk mooi. Maar daarnaast zou ik Deh, vieni alla finestra ook willen noemen omwille van het Italiaans. Ik ben zo dicht mogelijk bij de originele klanken gebleven en heb het fijne gevoel dat ik Italiaans zing in het West-Vlaams. Ik ben heel erg blij met deze vertaling. Het zangerige van het Italiaans is er toch wat ingeslopen.     

Halfweg de opname duikt het instrumentale Adagio in si klein op (KV 540). Welke functie bekleedt dit nummer in het geheel van de opname; waarom de keuze voor precies dit solostuk?  

Callot: Met dit Adagio wou ik in de opname een soort rustpunt creëren. Daarnaast is het ook bedoeld om het instrument eens in al zijn facetten te laten horen, en daar leent dit gefragmenteerde stuk zich goed toe. Si klein is voor Mozart een heel zeldzame toonaard, met een dramatisch en donker karakter. Maar net als bij Johann Sebastian Bach, bij wie deze toonaard veel prominenter aanwezig is, wordt er ook een vorm van aanvaarding mee vertolkt. Je voelt in dit stuk mooi de tweestrijd tussen de dramatiek en de eindigheid van het leven enerzijds en de berusting in het geloof anderzijds. De herhalingen die in het werk zitten, heb ik weggelaten omdat het allemaal netjes op een lp moet passen. Op die manier laat je het stuk een beetje naakt horen, zonder de mogelijkheden om variatie aan te brengen.