Cello concerten van Frank Martin

De jonge Zwitserse celliste Estelle Revaz nam met L’Orchestre de Chambre de Genève onder leiding van de Nederlandse dirigent Arie van Beek het Cello Concerto en de Ballade for Cello and Chamber Orchestra van haar landgenoot Frank Martin op. Deze boeiende cd vormt een welkome aanvulling op de karige discografie van een onderschat componist.

Frank Martin (1890-1974) kende tijdens zijn leven grote successen, maar na zijn dood raakte hij langzaam maar zeker in de vergetelheid.
Dat is des te onbegrijpelijker omdat zijn muziek makkelijk in het gehoor ligt zonder gemakzuchtig te zijn, harmonisch avontuurlijk is zonder de atonaliteit te omhelzen en gekenmerkt wordt door een prikkelende instrumentatie, waardoor momenten van indrukwekkende schoonheid voor het oprapen liggen. Zijn muziek laat niemand onberoerd en dat gaat ook zeker op voor de werken op deze cd. Hoewel Martin natuurlijk onder invloed van zijn tijdgenoten stond, spreekt hij een eigen herkenbare taal.

Een reden voor Martin’s  gebrek aan populariteit ligt waarschijnlijk aan het versplinterde Zwitserland, met zijn vier talen en drie verschillende culturen, waarin hij nooit zijn draai heeft kunnen vinden. Dit in tegenstelling tot zijn land- en generatiegenoot Arthur Honegger, die de Franse cultuur zozeer omarmde dat hij door velen werd (en nog steeds wordt) gezien als een Franse componist en daar de vruchten van plukte.
Martin voelde zich echter noch met de Franse, noch met de Duitse muzikale cultuur verwant. Hij ging zijn eigen weg.

Na de Tweede Wereldoorlog vestigde hij zich in Nederland. Maar ook daar vond hij nooit aansluiting bij het muziekleven. Toch werd er over zijn muziek uiterst positief geoordeeld en ontving hij talrijke internationale onderscheidingen als blijk van erkenning. Uiteindelijk bleek dat niet voldoende om zijn reputatie te stutten: na zijn dood verdween Martin geleidelijk van het programma.

Het Cello Concerto (1965-66) is een voorbeeld van Martins transparante stijl en van zijn vermogen om een kleurrijke sfeer te scheppen.
Het Lento-Allegro opent met een langzaam en klagelijk thema in de solostem, dat uitmondt in een geraffineerd vraag en antwoordspel tussen solist en blazers. De middensectie van het deel is een min of meer traditionele doorwerking van het thema waarin het orkest meer op de voorgrond treedt. Maar nu verwerkt de solist het vraag en antwoordspel in een dialoog met zichzelf om na een krachtig orkest-tutti met het beginthema te eindigen.

Het Adagio brengt rust. Hier laat Martin horen hoe weinig materiaal hij nodig heeft om een beklemmende sfeer te scheppen. Een passacaglia opgebouwd uit een sequens van een paar noten die op allerlei manier en in verschillende instrumentatie terugkeert, vormt het decor voor de solostem die het thema omspeelt als ware het een improvisatie. Er ontstaat een kleurrijke episode waarin het orkest steeds nadrukkelijker ingrijpt, maar de opgewonden sfeer maakt uiteindelijk plaats voor een meditatieve stemming, waarin de cello eenzaam achterblijft.

Het Allegretto zet de luisteraar weer met de beide benen op de grond. Een perpetuum mobile in het lage hout en de piano zorgen voor een uitdaging, die de solostem met dubbelgrepen en virtuoos spel te lijf gaat. Felle accenten en syncopen in het koper zorgen voor nog meer leven in de brouwerij.
Plotseling slaat de stemming om en ontstaat er een bijna lyrische dialoog met de dwarsfluit. Lang duurt het niet of het bestand wordt alweer geschonden, het opwindende gevecht tussen solostem en orkest wordt weer voortgezet met de cello als uiteindelijke winnaar.

De Ballade for Cello and Chamber Orchestra (1949) begint met een langzaam, uitgesponnen meerstemmig thema in de cello, hier en daar ondersteund door accenten in de strijkers. Een subtiele orkestinzet volgt met hobo en lage strijkers. De overgang naar een sneller ritme zorgt voor beweging. Maar de solostem blijft in samenspraak met het orkest. Langzaam maar zeker wordt het orkest opgejaagd tot een obsessief orgelpunt en een bezeten cello. Dan volgt een verrassende maatwisseling en een Bartokachtig dansend motief. De rust keert weer. Een korte cadens brengt ons weer terug bij het beginthema.

Een welkome toegift op deze cd vormt de wereldpremière Lignes d’Est for Cello and Orchestra van Xavier Dayer (1972), een leerling van Frank Martin. Hij droeg het werk op aan de soliste.
Met breed uitgesponnen melodische lijnen schept Dayer een statische, oriëntaalse, meditatieve sfeer, waarin de solostem en orkest elk een autonome weg bewandelen, elkaar soms de ruimte gevend of samen optrekkend. Langzamerhand ontstaat er meer beweging in de klankblokken en wordt de sfeer dreigender om in verstilling te eindigen. Dayer liet zich inspireren op Roemeense volksmuziek zonder te citeren.

Estelle Revaz geeft met haar ingetogen en technisch superieure spel een prachtige interpretatie van deze melancholische en soms meditatieve werken, geheel in de geest van Martin: ingetogen, maar niet bescheiden.
Arie van Beek en L’Orchestre de Chambre de Genève zorgen voor een subtiele begeleiding die volledig recht doet aan de klankkleur, ritmische en dynamische contrasten die zo kenmerkend zijn voor Martin’s muziek.


WAT: Journey to Geneva; works by Frank Martin & Xavier Dayer

WIE: Estelle Revaz cello; L’Orchestre de Genève conducted by Arie van Beek

UITGAVE: Solo Musica SM 345

TE KOOP: JPC

FOTO: Batardon

 

 

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: