Notre site a été renouvelé, publie toi-même tes événements tu as repéré une erreur. Écris-nous!

Classique Central

  • Een altviool die Bach niet wil veroveren...

Een altviool die Bach niet wil veroveren, maar begrijpen

notre infolettre

Chaque jeudi, nous vous tenons au courant des dernières nouvelles, concours et conseils de concerts. Inscrivez-vous rapidement à notre infolettre et ne manquez rien de Klassiek Centraal.

 

Dat de zes cellosuites van Johann Sebastian Bach (1685-1750) zich ook op de altviool laten spelen, is allang geen curiosum meer. Toch blijft elke nieuwe transcriptie zich moeten verantwoorden. De suites zijn zo nauw met de cello verbonden geraakt dat een uitvoering op een ander instrument niet zo snel als een volwaardig alternatief wordt beluisterd. Marc Sabbah kiest gelukkig niet voor die defensieve benadering. Zijn nieuwe opname voor Prospéro wil de cello niet vervangen, maar de altviool een eigen plaats geven binnen de uitvoeringsgeschiedenis van deze monumentale cyclus.

Die ambitie blijkt al uit het uitvoerige essay dat Sabbah voor het cd-boekje schreef. Daarin beschrijft hij hoe hij als elfjarige eerder toevallig van viool naar altviool overstapte en vrijwel onmiddellijk verknocht raakte aan het donkere timbre van het instrument. Die persoonlijke geschiedenis is geen vrijblijvende anekdote, maar vormt de rode draad doorheen zijn interpretatie. Voor Sabbah is de altviool geen substituut voor de cello, maar een instrument dat een eigen licht werpt op Bachs muziek.

CD 1 bevat de suites 1, 3 en 5, CD 2 de suites 2, 4 en 6 – Sabbah groepeert de oneven en de even suites, in plaats van ze in hun gebruikelijke chronologische volgorde aan te bieden. Die keuze creëert twee programmatische bogen die minder vertrekken vanuit Bachs traditionele ordening dan vanuit Sabbahs eigen interpretatieve logica. Daardoor krijgt de opname het karakter van een zorgvuldig opgebouwd recitalprogramma, waarin de onderlinge samenhang belangrijker wordt dan de vertrouwde opeenvolging van de zes suites. Een dramaturgie die de coherentie van deze opname versterkt en tegelijk het portret van de uitvoerder als curator scherp stelt, eerder dan als loutere vertolker van zes afzonderlijke werken.

Dat uitgangspunt hoor je vanaf de eerste Prelude van de Suite nr. 1. Sabbah kiest niet voor bravoure of demonstratieve virtuositeit, maar voor een sobere, bijna contemplatieve benadering. Zijn tempi blijven doorgaans ruim zonder log te worden. De frasering ademt natuurlijk, met veel aandacht voor de onderliggende harmonische beweging. Het warme, kernachtige altvioolgeluid verleent de muziek een zekere intimiteit die anders uitwerkt dan op cello: minder monumentaal, maar opvallend nabij en diepmenselijk aanwezig.

Opvallend is ook zijn verzorgde articulatie. Sabbah vermijdt een overdaad aan vibrato en laat de lijnen eerder spreken door hun natuurlijke richting dan door romantische expressiviteit. Dat zorgt ervoor dat de meerstemmigheid, die Bach voortdurend suggereert binnen één enkele melodische lijn, helder blijft zonder analytisch te klinken. Wie deze suites kent via de iconische, eerder extraverte lezingen van bijvoorbeeld Pablo Casals, zal hier een heel andere – meer bescheiden – Bach aantreffen, een die niet zozeer overtuigt door grootsheid als wel door aandacht. Ook het onderliggende danskarakter blijft voortdurend voelbaar. Sabbah houdt de ritmische puls levend zonder de beweging te forceren, waardoor menuetten, bourrées en gigues hun natuurlijke veerkracht behouden zonder ooit nadrukkelijk geprofileerd te worden. Vooral in de Sarabandes kiest hij voor een fraaie balans tussen verstilling en spanning. Ze worden nergens sentimenteel, maar behouden hun ingetogen waardigheid.

Niet alle suites profiteren in gelijke mate van de transcriptie. De Tweede Suite wint aan introspectie. Het donkerder timbre van de altviool sluit bijzonder goed aan bij het ingetogen karakter van deze muziek, waardoor vooral Prelude en Sarabande een haast vocale zeggingskracht krijgen. Sabbah vermijdt elk spoor van zwaarmoedigheid en laat de melancholie spreken zonder haar te onderstrepen. De derde suite wint aan warmte zonder veel van haar open karakter te verliezen, terwijl de vierde – met haar weidse Sarabande en de statige Bourrées – soms iets van haar architectonische grandeur inboet.

De vijfde suite behoort daarentegen tot de hoogtepunten van deze uitgave. De scordatura – het bewust anders stemmen van de snaren dan de standaardstemming – zorgt voor een donkerder, soms bijna mysterieuze klankwereld die Sabbah met veel gevoel voor kleur verkent. De kale Sarabande krijgt daardoor een bijna tijdloze intensiteit. Net in deze suite, waar Bach zelf al met de grenzen van het instrument speelde, voelt de overstap naar de altviool het meest organisch: de gedempte, ietwat schorre klank die de scordatura oproept, sluit haast vanzelfsprekend aan bij het inherent donkerder timbre van Sabbahs instrument.

De grootste uitdaging blijft uiteraard de zesde suite, oorspronkelijk geschreven voor een vijfsnarig instrument. Sabbah kiest ervoor de suite een kwint lager te transponeren naar G, een beslissing die zowel technisch als muzikaal te begrijpen valt. Daardoor blijft de muziek comfortabel binnen het natuurlijke register van de altviool en vermijdt hij het voortdurend gespannen hoge register waarin andere oplossingen soms stranden. De keerzijde is dat de suite iets van haar stralende lichtheid verliest, maar daar staat een opmerkelijke homogeniteit van klank tegenover. Opmerkelijk is bovendien hoe Sabbah ook hier de polyfone lijnen transparant houdt, zodat de complexe stemvoering nergens onder de technische aanpassing lijdt.

Wat deze opname vooral onderscheidt, is haar afwezigheid van effectbejag. Sabbah zoekt nergens naar spectaculaire contrasten of grote retorische gebaren – geen plotse versnelling in de Gigues, geen nadrukkelijke pauzes om een cadens te onderlijnen. Zijn Bach groeit organisch vanuit de melodische lijn en vanuit een diep vertrouwen in de partituur. Dat maakt deze uitvoering misschien minder onmiddellijk indrukwekkend dan sommige celloversies, maar wel bijzonder duurzaam. Ze nodigt uit tot herbeluisteren omdat ze haar rijkdom niet in één keer prijsgeeft. Juist in die terughoudendheid schuilt haar grootste overtuigingskracht.

Ook de opname verdient lof. De warme akoestiek van de Arsonic Hall in Bergen geeft de altviool voldoende ruimte zonder de contouren van het instrument te vervagen. De registratie blijft helder en direct, met precies genoeg resonantie om de klank te laten ademen, zonder ooit in een wazige nagalm te vervallen die de fijnere details van Sabbahs spel zou kunnen verdoezelen.

Het uitvoerige booklet vormt een waardevolle aanvulling op de opname, al overtuigt uiteindelijk niet zozeer Sabbahs betoog als wel zijn spel. Zijn interpretatie bewijst dat deze muziek niet exclusief aan de cello toebehoort. Ze laat vooral horen hoeveel zeggingskracht de altviool bezit wanneer een musicus haar mogelijkheden ten volle benut.

Marc Sabbah levert met zijn opname geen revolutionaire Bach af, maar wel een integere, doordachte en muzikaal bijzonder overtuigende lezing. Wie bereid is de vertrouwde celloklank even los te laten, ontdekt een uitvoering die niet om originaliteit vraagt, maar haar vanzelfsprekend verdient.

 

 

Ce CD est disponible à l'achat via jpc. Cliquez sur le bouton ci-dessus pour l'acheter et soutenir l'artiste. Nous plaçons parfois des liens d'affiliation sur Klassiek Centraal ; en achetant via ces liens, vous soutenez également Klassiek Centraal sans frais supplémentaires pour vous. Mais vous soutenez notre fonctionnement.

Détails :

Œuvres exécutées :

Johann Sebastian Bach, 6 Suites

Label / Éditeur :

Référence:

  • PROSP0134

Code-barres:

  • 1007101212668600

Longueur :

  • 143'

Date d'enregistrement :

  • 14-16 maart 2025

Lieu d'enregistrement :

  • Arsonic Hall, Mons, België
nlNLdeDEenENfrFR