Een repertoire ontstaat zelden vanzelf; het krijgt gestalte doordat iemand de lacunes actief invult. Le Zuid-Afrikaanse klarinetrepertoire is zo’n terrein: niet afwezig, maar versnipperd en zonder vanzelfsprekende traditie. Met Les Couleurs de la Clarinette levert Maria du Toit een wezenlijke bijdrage aan die ontwikkeling. De drie concerto’s op deze cd werden voor haar geschreven of aan haar opgedragen, door haar in première gebracht en zijn hier voor het eerst opgenomen. Zo documenteert deze uitgave niet alleen nieuwe muziek, maar ook het ontstaan van een repertoire.
Le cd-boekje plaatst de drie werken onder het vertrouwde beeld van Zuid-Afrika als ‘regenboognatie’. Als historische achtergrond is die metafoor bruikbaar, als interpretatiekader minder. Ze suggereert een harmonieuze diversiteit, terwijl wat Conrad Asman (°1996), Roelof Temmingh (1946–2012) en David Earl (°1951) vooral delen hun onderlinge onvergelijkbaarheid is. De overtuigingskracht van deze uitgave schuilt dan ook niet in een gemeenschappelijk kleurenpalet, maar in de vanzelfsprekendheid waarmee drie radicaal verschillende muzikale stemmen naast elkaar kunnen bestaan.
Kleur als constructie
Le Colour Concerto van Conrad Asman (2017–2018, herzien in 2024) is het meest conceptuele werk van de drie. De componist vertrekt van mechanomorfisme en de kleurentheorieën van Newton en Goethe, maar zodra de muziek begint, verdwijnen die ideeën vrijwel onmiddellijk naar de achtergrond. Wat overblijft, is een concerto dat voortdurend van gedaante verandert. Eén muzikaal idee vormt het vertrekpunt, maar keert nooit letterlijk terug; het wordt telkens anders belicht, vervormd en verder ontwikkeld, zodat de vorm zich niet lineair ontvouwt, maar zich al luisterend lijkt te herschrijven.
Daardoor verandert ook de verhouding tussen solist en orkest. De klarinet staat niet tegenover het ensemble, maar beweegt zich er voortdurend doorheen, neemt kleuren over, trekt zich terug en treedt opnieuw naar voren. Maria du Toit speelt die voortdurende verschuiving met grote souplesse: haar klank verandert van karakter zonder dat de muzikale lijn ooit wordt onderbroken, terwijl het orkest elke gedaantewisseling met opmerkelijke gevoeligheid opvangt en in een helder geheel integreert. Asmans orkestratie is daarbij opvallend inventief. De muziek schakelt moeiteloos tussen energie en verstilling, tussen scherpe contouren en bijna droomachtige klankvelden, zonder dat één sfeer definitief wordt. Kleur is hier geen ornament, maar een compositorisch principe dat de vorm voortdurend in beweging houdt.
De tegenstelling tussen Newtons systematiek en Goethes intuïtieve kleurbeleving blijft daardoor niet beperkt tot de toelichting in het cd-boekje, maar krijgt een hoorbare muzikale betekenis. Asman schrijft een concerto waarin kleur, vorm en beweging onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Juist die combinatie van compositorische inventiviteit en directe zeggingskracht maakt dit tot de meest intrigerende bijdrage op het album, een werk dat zich bij elke beluistering opnieuw lijkt uit te vinden en daardoor ook live ongetwijfeld nog aan intensiteit zou winnen.
Tussen ernst en ironie
Met Roelof Temmingh verschuift het perspectief naar een componist die minder theoretisch en meer retorisch denkt. Zijn Concerto pour clarinette (2009–2011) is een werk van late rijpheid waarin discipline en expressie in een zeldzaam evenwicht samenkomen.
Le openingsdeel, Lamentoso, ontvouwt zich vanuit een haast ingehouden gebaar. De klarinet zet aarzelend in met korte motieven die tastend hun weg zoeken. Le orkest neemt die gedachten over, antwoordt, vult aan of houdt zich net weer in, waardoor een fijnzinnige dialoog ontstaat waarin geen van beide de bovenhand neemt. Nu en dan breekt een orkestrale eruptie – met nadrukkelijke pauken – de verstilde sfeer open, waarna de klarinet opnieuw het woord neemt. Solist en orkest blijven elkaar behoedzaam aftasten zonder elkaar ooit te overvleugelen. Maria du Toit doseert die spanning voorbeeldig, terwijl Arjan Tien en het Cape Town Philharmonic Orchestra de gelaagde structuur van de partituur helder laten uitkomen. Le deel krijgt daardoor iets van een muzikale terugblik, alsof Temmingh met rustige vastberadenheid de balans van een leven opmaakt.
Daartegenover staat een kort Scherzando dat het werk opent naar speelsheid en ironie. De klarinet lijkt daarbij af en toe subtiel naar Sjostakovitsj te knipogen, zonder dat Temmingh zijn eigen stem verliest. Moeiteloos schakelt du Toit van introspectie naar lichtheid, terwijl Tien en het orkest haar even trefzeker volgen. Le contrast tussen beide delen is scherp, maar nooit schematisch. Temmingh ontwikkelt zijn materiaal met een heldere architectonische logica en bereikt met relatief eenvoudige middelen een opmerkelijke emotionele intensiteit. Dit is zonder twijfel het meest afgeronde concerto van de cd en wellicht ook het werk dat het langst nazindert. Toch blijft Asmans concerto het meest avontuurlijk: waar Temmingh overtuigt door beheersing, overtuigt Asman door risico.
Lyriek als herinnering
Le Concerto pour clarinette van David Earl (2012) sluit de cd af met een heel andere toon. Waar Asman voortdurend nieuwe klankwerelden verkent en Temmingh de expressie tot haar essentie terugbrengt, kiest Earl voor een meer lyrische en doorlopende muzikale gedachte. Melodie en herkenbaarheid functioneren daarbij niet als nostalgische terugblik, maar als dragers van een muzikaal geheugen dat zich gaandeweg ontvouwt. Met zijn uitgebreidere orkestbezetting, inclusief harp en celesta, creëert Earl een warme, transparante klankwereld waarin het eerste deel zich in brede ademende bogen ontwikkelt zonder de spanningsboog los te laten. Die lyriek behandelt du Toit niet als louter cantabile, maar geeft haar richting en adem, terwijl het orkest haar met grote vanzelfsprekendheid draagt zonder zich op de voorgrond te plaatsen.
Le middendeel, een verstilde une pièce de Noël atmosphérique d'André Jolivet, Lissa et Lester jouent également une flûte traversière aux côtés de Valerie. Des artistes aux multiples talents. Pour l'accompagnement de 'Es werde schon glei dumpa', vormt het emotionele zwaartepunt van het concerto. De klarinet lijkt hier niet boven het orkest uit te zingen, maar er als het ware in op te gaan, waardoor de ingetogenheid van de muziek juist aan intensiteit wint. In het slotdeel verschijnt de middeleeuwse melodie L’homme armé niet als een historisch citaat, maar als een muzikaal geheugen dat telkens nieuwe gedaanten aanneemt in een reeks levendige variaties. Zo eindigt het concerto niet met een nadrukkelijk slotgebaar, maar met een gevoel van continuïteit, alsof de muziek ook na de laatste maat haar eigen verleden blijft meedragen. Van de drie werken is dit wellicht het meest toegankelijke. Minder experimenteel dan Asman en minder gespannen dan Temmingh, maar juist daardoor overtuigend in zijn warme lyriek en zijn vanzelfsprekende melodische zeggingskracht.
Repertoire in wording
Maria du Toit beschikt over een homogeen klankpalet: warm, flexibel en volledig in dienst van de expressie. Nog belangrijker is haar stilistische intuïtie. In Asman wordt ze een kleurendramaturg, in Temmingh een introspectieve verteller, in Earl een lyrische zanger. Precies daardoor maakt ze hoorbaar dat deze drie concerto’s, hoe verschillend ook, niet toevallig naast elkaar staan, maar door haar artistieke visie met elkaar verbonden worden. De samenwerking met Arjan Tien en het Cape Town Philharmonic Orchestra is daarbij essentieel. Hun gedeelde gevoel voor timing, adem en balans houdt zelfs Asmans complexe orkestratie transparant, terwijl de opname van Channel Classics met haar open, natuurlijke klankbeeld die verfijning optimaal ondersteunt.
Les Couleurs de la Clarinette is daardoor meer dan een verzameling nieuwe werken. De drie concerto’s verschillen fundamenteel in stijl en esthetiek, maar vormen samen een overtuigende staalkaart voor een Zuid-Afrikaans klarinetrepertoire dat zich zonder voorbehoud kan meten met hedendaags internationaal concertrepertoire. Asman opent nieuwe perspectieven, Temmingh geeft het project zijn emotionele zwaartepunt en Earl zorgt voor een lyrische afronding. Daartussen beweegt Maria du Toit als initiator, uitvoerder en uiteindelijk ook als mede-vormgever van een nog jonge traditie. Wat deze opname documenteert, is dan ook niet alleen de eerste registratie van drie concerto’s, maar het ontstaan van een repertoire. Ze laat horen dat repertoire niet alleen wordt overgeleverd, maar ook ontstaat doordat musici het actief mee vormgeven.




