Onze website is vernieuwd, geef zelf je evenementen in. Heb je een fout gezien. Mail ons!

Klassiek Centraal

Fortuna wikt en beschikt

Wanneer met veel toeters en bellen wordt aangekondigd dat men de 130ste verjaardag van Carl Orff (1895-1982) wil vieren met een grootschalig project met meer dan 200 man op het podium, dan reageer ik met een sceptisch caveat. Omdat het alweer een hele tijd geleden was dat ik de Carmina Burana live had gehoord, waagde ik mijn kans en trok ik op zondagmiddag 17 mei naar Brussel. Jammer genoeg werden mijn bedenkingen vanaf de allereerste noot bewaarheid. Nog maar eens werd onomstotelijk bewezen dat kwantiteit absoluut niet garant staat voor kwaliteit. Een kritische houding is hier bovendien op zijn plaats, want dergelijke prestigieuze concerten in topzalen zijn allerminst gratis; de concertbezoeker betaalt een aanzienlijke ticketprijs en mag daar resoluut een navenante, vlekkeloze kwaliteit voor in de plaats verwachten.

Het concert opende met de Bolero van Maurice Ravel (1875-1937). Omdat organisatie Music Hall het publiek nu eenmaal wil plezieren met absolute kaskrakers als opmaat, kan ik die programmatische combinatie commercieel nog wel volgen. De trommelaar volgde braaf het tempo van dirigent Paul Dinneweth, alleen was dit tempo erg langzaam. In plaats van een hypnotiserende, dwingende bezwering werkte dit eerder slaapverwekkend. Ter vergelijking: Ravel doet er in zijn eigen historische opname uit 1930 slechts een kwartier over.

Erger wordt het wanneer de inzetten van verschillende solo-instrumenten van orkest La Passione niet toonvast en niet altijd gelijk zijn. Wanneer er – zoals Ravel wel voorzien heeft, maar zelden gebeurt – een tweede trommelaar bijkomt, versnelt de dirigent onverwachts het tempo naar een vaart die pakweg drie keer zo snel ligt. Het logische gevolg was dat dit iconische stuk niet uitmondde in de beloofde meeslepende, zinderende klankextase, maar eerder in een klankchaos. Zeker toen de gong op het allerlaatste moment te laat inzette en pijnlijk alleen stond na te klinken. Door die versnelling werd naar het einde toe puur op een goedkoop ogend en spectaculair effect gemikt – een gemiste kans. Dat een Bolero in een traag tempo dwingend kan werken, heeft Sergiu Celibidache destijds overtuigend bewezen, maar dan moet je als dirigent wel de discipline hebben om je tempo consequent aan te houden.

Wanneer het meer dan 100-koppige koor – in de aankondigingen omschreven als een “monumentale bezetting” – het podium bezette, begon dan het stuk waar de voltallige zaal voor gekomen was. Toegegeven, in het prille begin dacht ik: dit kan nog wel iets worden. Maar vanaf het moment dat er fijnzinniger, gelaagder of met de nodige humor gezongen moest worden, merkte je onmiddellijk dat men dit artistieke register onvoldoende machtig was. De Music Hall-blog omschrijft Orffs meesterwerk weliswaar als “rauw, ritmisch en lichamelijk”, als een “pure oermuziek” die “niet geloofde in virtuositeit, maar in directe impact”, maar dat mag geen vrijgeleide zijn voor een gebrek aan vocale nuance.

Ook trof ons hier het typische euvel dat zo vaak bij amateurkoren de kop opsteekt: de hoge tonen vormden een onoverkomelijk probleem. Ze klonken schel, geforceerd en bij momenten zelfs storend vals. Het orkest en het koor functioneerden bovendien niet als een homogeen geheel; er was regelmatig getrek en geduw waarbij ofwel het koor, ofwel het orkest voorop liep. Daarnaast zinderde het slagwerk, net als eerder tijdens de Bolero, tussendoor te lang en ongedefinieerd na in de zaal.

De solisten gaven evenmin thuis. Sopraan Klara Vermeer beschikte over een fijne, lyrische stem, maar was simpelweg te zwak om boven het instrumentale geweld uit te komen. Wanneer ze de hoogte in moest gaan, ging de verstaanbaarheid van de middeleeuwse teksten volledig verloren en hoorde je enkel nog ongearticuleerde klanken. De grappig bedoelde, theatrale enscenering van tenor Laurens-Alexander Wyns en bariton Joris Derder kon hun beperkte stemcapaciteit evenmin verdoezelen. Zonder orkest of met een zeer minimale bezetting ging het nog enigszins, maar zodra het voltallige orkest La Passione aanzette – dat hier overigens aantrad als een kamerorkest en dus qua bezetting nog bescheiden was in vergelijking met een voltallig, authentiek symfonieorkest dat normaal aantreedt – waren hun stemmen onverstaanbaar. Je merkte aan alles dat die te licht en te zwak waren om fatsoenlijk tot het tweede balkon van de Henry Le Boeufzaal te dragen.

Naar het einde toe werd de vermoeidheid in de stembanden van de zangers pijnlijk hoorbaar. Het zingen van dit stuk is dan ook een serieuze fysieke uitdaging, vergelijkbaar met uren intens sporten. In de laatste twee delen werd er bij gebrek aan techniek eerder gebruld dan gezongen. Goed, dat werkt blijkbaar als een soort auditief shockeffect op het grote publiek, en hoewel de Carmina Burana door Music Hall in de markt wordt gezet als een “muzikale storm van fluisterzachte spanning tot donderende extase”, zit er onderhuids wel degelijk heel wat subtiliteit en ironie in de partituur verweven. Die verfijning heb ik vanmiddag volledig gemist. Wel moet gezegd dat de koorleden de moed niet lieten zakken; hun onwankelbare inzet sierde hen. Een schaars lichtpunt waren daarnaast de frisse, loepzuivere stemmen van de jonge zangers van het Flanders Boys Choir, die lieten zien hoe het wel moet.

Na de slotnoten van het herhaalde O Fortuna reageerde de zaal traditiegetrouw met enthousiaste bravoroepen en een luid klappende ovatie. Ben ik dan te streng als recensent? deChorale heeft gedurende meer dan een eeuw een zeer verdienstelijk en respectabel parcours als amateurkoor afgelegd in ons cultuurlandschap, maar waarom moet men zich per se aan een dergelijke, veeleisende kaskraker wagen? De ijzersterke discipline van de zangers was absoluut zichtbaar; ze deden onmiskenbaar hun uiterste best. Maar was het hier als dirigent niet raadzamer geweest om repertoire te kiezen waarin de zangers vocaal comfortabeler zitten? Repertoire waarmee ze de échte muziekliefhebber kunnen bekoren, in plaats van te hengelen naar de gunst van de toevallige concertbezoeker die louter denkt: “O, dit werk ken ik van de radio of de reclamespot, hier ga ik naartoe want ik heb het nog nooit live gehoord,” zoals ik naast mij verschillende mensen hoorde zeggen.

Ook het orkest La Passione zou kritischer moeten nadenken over de projecten waar het zijn naam aan leent. Als begeleidingsensemble hoef je niet klakkeloos alles aan te nemen wat commerciële producenten je voorschotelen. En natuurlijk speelt bij dit alles mee dat je vanaf het tweede balkon van Bozar een prima, maar tegelijkertijd onverbiddelijk en genadeloos zicht en gehoor krijgt op het werkelijke technische kunnen van de verschillende musici.

O Fortuna. Zij wikt en beschikt, maar vanmiddag was het lot de muziek helaas niet gunstig gezind.

Details:

Titel:

  • Fortuna wikt en beschikt

Wie:

  • deChorale
    Flanders Boys Choir
    La Passione
    o.l.v. Paul Dinneweth
    met Klara Vermeer (sopraan), Laurens-Alexander Wyns (tenor) en Joris Derder (bariton)

Waar:

  • BOZAR, Brussel

Wanneer:

  • 17 mei 2026

Foto credentials:

  • Music Hall

Blijf op de hoogte

Elke donderdag sturen we een nieuwbrief met de meest recente berichten op onze website

– advertentie –

nlNLdeDEenENfrFR