Our website has been redesigned, submit your own events Did you spot an error? Email us!

Niet verloren, maar hervonden

our newsletter

Every Thursday we keep you up to speed with the latest news, competitions, and concert tips. Sign up for our newsletter now and don't miss a thing from Klassiek Centraal.

 

Er zijn cd-titels die zichzelf tegenspreken zodra men de hoes openslaat. Lost in Translation is er zo een. Wie de belofte van verlies au sérieux neemt, zal na een eerste beluistering veeleer het tegendeel moeten toegeven: hier gaat niets verloren, hier wordt vooral iets gevonden. De cellist Ilia Iashin en de pianiste Iana Batina, beiden gevormd in de veeleisende school van het Moskouse conservatorium, wagen zich aan een programma dat drie werelden bijeenbrengt – Ravel, Grieg en Gershwin – die op het eerste gezicht weinig met elkaar gemeen lijken te hebben, maar die stuk voor stuk hun ziel aan de cello hebben toevertrouwd, een instrument waarvan een aanzienlijk deel van het repertoire uit transcripties is voortgekomen. Niet toevallig is de geschiedenis van de klassieke muziek ook een geschiedenis van transcripties. Lang vóór de grammofoonplaat het concert de huiskamer binnenbracht, waren bewerkingen de vanzelfsprekende manier waarop muziek reisde: van stad naar stad, van salon naar salon, van musicus naar musicus. Pas in de twintigste eeuw groeide het idee dat de partituur een onaantastbaar origineel vertegenwoordigt. Deze opname herinnert eraan dat een transcriptie niet noodzakelijk een afgeleide is, maar evengoed een nieuwe manier van lezen en luisteren.

Wanneer de cello een vergeten stem terugvindt

The program opens with the Sonate posthume van Maurice Ravel (1875-1937), een jeugdwerk dat decennialang als een curiosum in de marge van het Conservatoire-leven werd beschouwd, en dat pas onlangs, dankzij een teruggevonden autograaf, zijn ware gedaante prijsgaf: geen voltooide sonate, maar het openingsdeel van een werk dat de jonge Ravel liet liggen, ergens tussen de lessen van Fauré en de eerste contouren van een taal die weldra de zijne zou worden. In de cellobewerking verliest het stuk niets van die aarzelende, zoekende schoonheid; integendeel, het middenregister van de cello geeft aan de zangerige hoofdgedachte een introspectie die de viool, met haar neiging tot glans, minder gemakkelijk toestaat. Niet de noten veranderen wezenlijk, maar het perspectief van waaruit men ze hoort. Sterker nog: na enkele minuten lijkt het nauwelijks nog voorstelbaar dat dit werk oorspronkelijk voor viool werd bedacht. De cello eigent zich Ravels lange adem en fijnzinnige lyriek met zo’n vanzelfsprekendheid toe dat de transcriptie nergens als een compromis aanvoelt, maar als een overtuigend alternatief. Dat is niet alleen de verdienste van Iashin als arrangeur, maar evenzeer van het uitzonderlijk hechte samenspel tussen hem en Batina, dat elke indruk van een bewerking doet verdwijnen. Batina schittert daarbij juist door haar terughoudendheid: haar pianospel ondersteunt, ademt en kleurt, zonder ooit de cello uit haar natuurlijke rol te verdringen. Waar de partituur weifelt tussen leerling en meester, laat Iashin horen dat die weifeling zelf al muziek is. Zijn toon blijft daarbij opvallend natuurlijk: nooit nadrukkelijk romantisch, maar steeds gericht op het laten spreken van de melodische lijn. Wat ooit als een onvoltooid jeugdwerk werd beschouwd, openbaart zich hier als een compositie van een ontroerende schoonheid, een kleine muzikale ontdekking die veel meer aandacht verdient dan zij tot nu toe heeft gekregen.

Nauwer nog verstrengelt zich de gedachte in Kaddisch, het eerste van de twee Hebreeuwse melodieën waarmee Ravel – niet uit devotie, maar uit fascinatie voor de eeuwenoude zangtraditie van de synagoge – een taal aftast die niet de zijne was en het toch wordt. De Italiaanse musicoloog Mario Bortolotto noemde het ooit een kostbare vervalsing van de nasale synagogestijl; men zou het even goed een daad van luisterend respect kunnen noemen. Op de cello wint het stuk aan gewicht wat het aan tekst verliest: geen woorden meer die de betekenis dragen, enkel de naakte stijging en daling van een stem die smeekt zonder te weten tot wie. Iashin laat zijn instrument daarbij niet zingen als een cello, maar bijna als een menselijke stem. Zijn warme, doorleefde klank benadert de cadans van een gebed zo natuurlijk dat de afwezigheid van de tekst nauwelijks als een gemis wordt ervaren. Integendeel: juist doordat de woorden verdwijnen, komt de pure expressieve kracht van Ravels melodie des te directer binnen. Batina begeleidt hier met een opmerkelijke terughoudendheid: haar pianospel ademt mee, kleurt zonder ooit de aandacht van de zanglijn af te leiden. Opnieuw verdwijnt elk besef dat men naar een transcriptie van Iashins hand luistert. De uitvoering bezit een zeldzame vanzelfsprekendheid, alsof Kaddisch altijd al voor cello en piano had bestaan. Het is precies in zulke momenten dat Lost in Translation zijn titel volledig op zijn kop zet: wat ogenschijnlijk een bewerking is, openbaart zich als een overtuigende nieuwe gestalte van dezelfde muzikale idee.

De verborgen stem van het noorden

With the Vioolsonate nr. 3 van Edvard Grieg (1843-1907), in een transcriptie van Ivan Skanavi, verplaatst het programma zich naar het noorden, maar de onderliggende vraag – wat overleeft de overtocht naar een ander instrument? – blijft dezelfde. Grieg zelf beschouwde deze laatste van zijn drie sonates als de meest internationale, en tegelijk als de meest doortrokken van Noorse aarde, alsof het volkslied bij hem inmiddels geen citaat meer was, maar een moedertaal. Iashin en Batina voegen aan het middendeel een korte cadens toe en brengen een modulatie aan die in de vioolversie ontbreekt – een ingreep die niet aarzelt om zich als interpretatie te tonen en die precies daardoor oprechter aandoet dan menige onberispelijke maar kleurloze lezing van het origineel. Opmerkelijk is bovendien hoe de cello hier niet probeert de viool te imiteren. Integendeel: de donkere klank legt een melancholische onderstroom bloot die in de oorspronkelijke versie soms achter de virtuositeit schuilgaat. Juist in de brede cantabile-frases blijkt hoeveel verwantschap er bestaat tussen Griegs melodische verbeelding en de warme, menselijke stem van de cello.

Ook hier verdwijnt al snel het besef dat men naar een transcriptie luistert. De sonate ontvouwt zich met zo’n vanzelfsprekendheid dat zij eerder klinkt als een oorspronkelijk voor cello en piano gecomponeerd werk dan als een bewerking van een vioolsonate. Die vanzelfsprekendheid rust in de eerste plaats op Iashins warme, eerlijke celloklank, die nergens effect zoekt maar van begin tot einde overtuigt door haar natuurlijke zeggingskracht. Zijn spel bezit een zeldzame doorleefdheid: de lyrische passages ademen vrij, terwijl de dramatische uitbarstingen nobel van toon blijven en nooit hun muzikale lijn verliezen. Batina is daarbij veel meer dan een begeleidster. Haar spel lijkt voortdurend te luisteren: iedere inzet en iedere harmonische kleuring ontstaan als een antwoord op wat de cello zojuist heeft verteld. Helder van lijn, rijk aan subtiele kleurnuances en steeds bereid Iashin ruimte te geven zonder zelf naar de achtergrond te verdwijnen, vormt zij met hem geen verhouding van solist en begeleidster, maar een partnerschap van twee gelijkwaardige musici die één muzikale adem lijken te delen. Zo ontstaat een klankwereld waarin cello en piano elkaar niet begeleiden, maar elkaar voortdurend inspireren en dragen. Juist die vanzelfsprekende eenheid doet vergeten dat Grieg deze sonate ooit voor viool schreef. Men hoort niet langer een vioolsonate in een nieuw gewaad, maar een werk dat in deze uitvoering zo vanzelfsprekend klinkt alsof het altijd al voor cello en piano bedoeld was.

De derde stem van een gedeelde herinnering

Het sluitstuk, drie door Iashin en Batina gezamenlijk gearrangeerde nummers uit Porgy and Bess van George Gershwin (1898-1937), is misschien wel de meest onthullende keuze van het album. Onder de gepolijste, bijna opera-achtige lijn van Summertime schuilt in deze uitvoering geen vanzelfsprekende uitsmijter, maar bijna een moment van verstilling: een spiritual die zichzelf niet letterlijk citeert, maar wel in elke noot ademt, alsof de melodie niet gezongen wordt, maar als een gebed uit de stilte oprijst. In It ain’t necessarily so herkent men, wie goed luistert, de contouren van een synagogale zegenspreuk, maar Iashin en Batina vermijden elke zwaarte: met een speelse lichtheid laten zij de dubbelzinnigheid van Gershwins muziek volledig tot leven komen. En in My man’s gone now culmineert dit alles in een weeklacht waarin blues, spiritual en opera-achtige aria elkaar niet beconcurreren maar omarmen. Het is geen traditionele afsluiting die de luisteraar met een laatste virtuoos gebaar uitwuift, maar een laatste terugblik waarin de verschillende werelden van deze opname nog eenmaal samenkomen en die, lang na de laatste noot, blijft doorwerken.

Dat Gershwin, zoon van Joodse immigranten, deze twee herinneringen – die van de synagoge en die van Catfish Row – tot één lichaam kon samensmeden, is op zichzelf al een klein wonder; dat dit wonder nu, via de cello, een derde stem krijgt, is precies waar deze opname haar recht van bestaan aan ontleent. Ook hier blijkt opnieuw dat een geslaagde transcriptie – niet alleen op papier, maar ook in de handen van de uitvoerders – niet probeert een origineel te vervangen, maar een andere waarheid ervan blootlegt.

Niets gaat verloren

Wat deze drie, ogenschijnlijk uiteenlopende werelden verbindt, is niet de anekdote van het instrument dat van eigenaar wisselt, maar het inzicht dat een transcriptie nooit een verlies hoeft te zijn – hooguit een verschuiving van perspectief. Iashin speelt op een Franse cello van Honoré Derazey uit circa 1850, een instrument met een eigen, warme donkerte, en Batina ontmoet hem met een pianospel dat zich nooit opdringt maar evenmin verdwijnt. Hun samenspel verraadt een zeldzame vanzelfsprekendheid: fraseringen lijken niet achteraf op elkaar afgestemd, maar ontstaan vanuit één gezamenlijke ademhaling. Wie deze cd Lost in Translation noemt, moet stiekem geweten hebben dat het tegendeel waar zou blijken: niets hier is verloren. Integendeel: elk werk heeft onderweg een nieuwe ruimte gevonden waarin het zichzelf opnieuw kan tonen. Misschien is dat uiteindelijk de ware betekenis van een transcriptie: niet dat een werk slechts van instrument verandert, maar dat het vanuit een nieuw perspectief opnieuw tot spreken wordt gebracht.

Dit is bovendien zo’n zeldzame opname die niet eindigt wanneer de laatste noot heeft geklonken. Zij blijft in het geheugen doorwerken, nodigt uit tot opnieuw luisteren en onthult daarbij telkens nieuwe verbanden. Alleen al daarom verdient Lost in Translation een vaste plaats in de collectie van iedere liefhebber die wil ervaren hoe een werkelijk geslaagde transcriptie een vertrouwd werk niet vervangt, maar verdiept en opnieuw tot leven wekt.

 

 

This CD is available for purchase via Traditional / Jascha Heifetz: Deep River. Click the button above to purchase it and support the artist. We sometimes place affiliate links on Klassiek Centraal; by shopping through these links, you also support Klassiek Centraal at no extra cost to you. But you do support our work.

Bozar

Works performed:

Maurice Ravel: Sonate posthume & Kadish
+Edvard Grieg: Cellosonate naar de Vioolsonate Nr. 3 c-moll
+George Gershwin: Summertime & It ain’t necessarily so uit Porgy and Bess; My Man’s gone now

Label / Publisher:

Reference:

  • C01157

There exists a curious paradox in the work of Johannes Brahms (1833-1897): his third orchestral work, the Variations on a Theme of Haydn op. 56a, bears a title that is historically incorrect. The theme, the so-called Chorale St. Antoni, is in fact not by Joseph Haydn. Today musicologists agree that…

  • 746160919997

Recording dates:

  • Februari 2025

Recording location:

  • Rachmaninov Hall, Moskau, Rusland

Stay informed

Every Thursday we send a newsletter with the latest news from our website

– Advertisement –

nlNLdeDEenENfrFR