Wat wil componiste Zhang Ying dat een publiek onthoudt na een concert? Niet een label, maar een klank die blijft nazinderen. Naar aanleiding van de Duitse première van haar Akademische Festouvertüre tijdens het festival Young Euro Classic op woensdag 5 augustus sprak Werner De Smet voor Klassiek Centraal met haar.
Voor Zhang Ying is deze première geen cultureel visitekaartje, maar een ontmoeting tussen verschillende muzikale tradities. In het gesprek vertelde ze over haar dialoog met Brahms, de rol van de Chinese traditie in haar muziek, en haar overtuiging dat klank uiteindelijk belangrijker is dan afkomst.
Muziek als dialoog, niet als vertoning
Zhang Yings muziek wordt vaak omschreven als geworteld in de Chinese traditie, maar klinkt nu voor een Europees festivalpubliek. Voor haar is die internationale context allerminst een vorm van muzikale export. “Voor mij gaat dit niet gewoon om het ‘meenemen’ van muziek de wereld in – het is eerder een natuurlijk gebeuren van ‘dialoog’,” zegt ze. De traditionele Chinese cultuur vormt volgens haar weliswaar “de bodem en de wortels” van haar creatieve werk, maar muziek zelf is “een vloeiende taal die geografische grenzen overstijgt.” Wanneer ze voor Europese luisteraars optreedt, wil ze geen ‘exotisme’ etaleren: “Ik deel eerder een manier waarop ik de wereld ervaar.” Volgens haar beschikken Europese luisteraars bovendien over een bijzondere gevoeligheid voor klankkleur en ruimtelijke stilte, iets wat aansluit bij bepaalde ontwikkelingen binnen de hedendaagse westerse muziek. Het resultaat is, in haar woorden, geen gevoel van afstand, maar “een diepe resonantie”.
Van Brahms naar een eigen “academisch feest”
Het werk dat in Berlijn klinkt, Akademische Festouvertüre, beleeft er zijn Duitse première – niet zijn wereldpremière. Na eerdere proefuitvoeringen in China beschouwt Zhang Ying de versie die in Berlijn te horen zal zijn als de definitieve en meer uitgewerkte vorm van het werk. De titel roept onvermijdelijk de herinnering op aan Brahms’ beroemde evenknie. Zelf beschrijft Zhang Ying haar compositie niet als een antwoord op of een uitdaging van dat werk. “Brahms’ werk met dezelfde titel is ongetwijfeld een majestueuze piek. Mijn bedoeling was niet om het te ‘uitdagen’, maar om via mijn eigen perspectief de klank van een ‘academisch feest’ te herdefiniëren.”
Waar Brahms volgens haar de waardigheid en academische traditie van de negentiende-eeuwse Duitse universiteitswereld belichaamt, wil zij de levendige energie tonen van een hedendaags Chinees conservatorium, waar eeuwenoude muzikale tradities en moderne vitaliteit naast elkaar bestaan. Ook de opbouw van het werk weerspiegelt die persoonlijke visie: volgens Zhang Ying ontvouwt de compositie zich niet als een lineair verhaal, maar als vijf in elkaar overvloeiende klankruimtes. Klanken die doen denken aan metaal en steen maken geleidelijk plaats voor zoekende strijkers, waarna elementen uit de Zhejiang-volksmuziek en de zangstijl van de Yue-opera worden gedeconstrueerd tot een nieuw klankweefsel. Uiteindelijk mondt alles uit in wat zij zelf omschrijft als “oprijzende pilaren van licht”, die oplossen in een open echo.
Haar werk staat in het programma naast Chen Qigangs Er Huang en Bruckners Second Symphony. Zhang Ying noemt die programmering “een uitermate briljante keuze.” In haar visie destilleert Chen Qigang “elementen van de Pekingopera tot een pure, introspectieve klankfilosofie”, terwijl zij haar eigen werk eerder als “extravert” en “feestelijk” ziet. Zo vormt haar ouverture volgens haar het ideale begin van een programma dat zich ontwikkelt van feestelijke energie via verstilde introspectie naar de monumentale architectuur van Bruckner.
Een conservatorium als muzikale thuis
De samenwerking met het orkest van het Zhejiang Conservatory of Music vloeit volgens Zhang Ying voort uit de jarenlange steun die het conservatorium verleent aan nieuwe composities van eigen docenten en alumni. Als een van de eerste docenten die na de oprichting van het conservatorium werd aangesteld, voelt ze zich vereerd om net in het jaar van het tienjarig bestaan een nieuw werk te mogen componeren. “Mijn professionele carrière begon hier, en ik heb de ontwikkeling van het Zhejiang Conservatory de voorbije tien jaar meegemaakt. In dit stuk heb ik al mijn gevoelens en beste wensen voor de instelling uitgedrukt.” Die verbondenheid verklaart waarom de uitvoering in Berlijn voor haar veel meer is dan een buitenlandse première.
Over het orkest zelf, dat ontstond vanuit de visie van rector Wang Rui om onderwijs en podiumpraktijk nauwer met elkaar te verbinden, zegt ze: “Ons symfonieorkest is een zeer jong ensemble, maar het speelt op een opmerkelijk professioneel niveau en met een enorm enthousiasme voor nieuwe muziek.” Dat net dit orkest haar compositie naar Berlijn brengt, noemt ze persoonlijk bijzonder betekenisvol. “Het is niet enkel de première van mijn eigen compositie, maar ook een visitekaartje van het artistieke en pedagogische niveau van het conservatorium.” Voor haar vertegenwoordigt het ensemble bovendien een nieuwe generatie Chinese musici die nadrukkelijk een eigen muzikale stem laat horen. “Via hun vitaliteit heeft dit orkest me eraan herinnerd dat jeugd zelf een stem is die het waard is om door de wereld gehoord te worden.”
Klank vóór structuur
Voor Zhang Ying begint componeren niet bij de vorm, maar bij de klankkleur. Haar huidige muzikale taal omschrijft ze zelf als “perceptibele kleurtonaliteit”, een begrip waarmee ze duidelijk wil maken dat niet de structuur, maar de kleur van de klank het uitgangspunt van iedere compositie vormt. “Klankkleur komt altijd eerst,” zegt ze. “Ik begin met het voorstellen van een ruimte.” Voor het derde deel van de Berlijnse ouverture, Lakes and Hills Nourish the Soul, verbeeldde ze zich bijvoorbeeld een mistig ochtendpad langs het conservatorium, verscholen tegen de heuvels, waar twee sierlijke zwanen geruisloos voorbijglijden. “Pas wanneer dat innerlijke klankbeeld voldoende levendig is, zoek ik naar de structuur die het kan dragen. Structuur dient de kleur, niet omgekeerd.”
Die benadering verklaart ook waarom Zhang Ying weinig belang hecht aan de vraag of een internationaal publiek alle culturele verwijzingen in haar muziek begrijpt. In haar visie is muziek vóór alles een directe lichamelijke en emotionele ervaring. “De essentie van muziek is een onmiddellijke overdracht van fysieke trilling en emotionele resonantie.” Wie geraakt wordt door een strijkerspassage of rust ervaart in een lang aangehouden toon, hoeft volgens haar niet noodzakelijk de culturele achtergrond van het werk te kennen. “Natuurlijk hoop ik dat luisteraars ook de verhalen achter de muziek ontdekken, maar als ze eenvoudigweg geraakt worden door de klankkleur alleen, is dat voor mij al een groot succes.”
Van de qin tot Lachenmann
Dat Zhang Ying componiste zou worden, was geen plotse roeping, maar het resultaat van een geleidelijk groeiproces. Ze begon als kind piano te spelen en werd op haar twaalfde toegelaten tot een professioneel conservatorium om compositie te studeren. Toch wijst ze één moment aan als beslissend. In de bibliotheek hoorde ze toevallig een opname van de qin, de eeuwenoude Chinese citer. Die kennismaking bleek voor haar een beslissend keerpunt. De vrijheid en ruwe kracht van de vrij-ritmische sanban-passages maakten haar duidelijk “dat muziek niet enkel over ritme en melodie gaat, maar ook een unieke ‘resonantiecharme’ (yun) bezit.” Vanaf dat ogenblik, vertelt ze, volstond het niet langer om alleen de muziek van anderen uit te voeren; ze wilde zelf klank creëren. Die zoektocht naar de betekenis van klank loopt als een rode draad door haar artistieke ontwikkeling.
Wanneer ze terugblikt op haar vormingsjaren, noemt Zhang Ying twee componisten die de grootste invloed op haar hebben gehad. Ravel leerde haar “hoe fascinerend klankkleur kan zijn binnen een orkestrale context”, terwijl Helmut Lachenmann haar kennis liet maken met “een andere logica van klank”. Naast die westerse invloeden benadrukt ze even nadrukkelijk de blijvende betekenis van de Chinese muziektradities, waaronder qin-muziek, Jiangnan sizhu, Nanyin, de Chinese opera en de grote gezangen van het Dong-volk.
Ook haar dagelijkse compositiepraktijk verloopt volgens haar zonder haast. “Mijn compositieleven is vrij traag.” Ze werkt het liefst in de vroege ochtend, het moment waarop haar concentratie het grootst is. Buiten de muziek zoekt ze inspiratie vooral in de wereld om zich heen. Wandelen, observeren, musea bezoeken en reizen voeden haar verbeelding evenzeer als partituren. Ze noemt daarbij zowel schilderkunst en beeldhouwkunst als ervaringen tijdens duik- en wandeltochten. Voor Zhang Ying ontstaat muziek niet uitsluitend aan de schrijftafel, maar evenzeer uit aandachtig kijken, luisteren en leven.
Looking Ahead
Voor veel bezoekers van Young Euro Classic zal dit wellicht de eerste kennismaking zijn met de muziek van Zhang Ying. Wat hoopt zij dat zij meenemen wanneer de laatste noot is weggestorven? Haar antwoord sluit naadloos aan bij alles wat ze eerder in dit gesprek vertelde. Niet haar afkomst, maar de klank zelf moet blijven nazinderen. “Ik hoop dat wanneer ze de concertzaal verlaten, wat blijft hangen niet het label van een ‘Chinese componiste’ is, maar een concrete, levendige klankherinnering – misschien een mooie melodie, of een krachtig, vol orkestraal tutti.” Ze hoopt dat haar composities stereotypen over hedendaagse Chinese muziek kunnen doorbreken “en laten zien dat er in China, naast grote narratieven, ook subtiele, eigenzinnige individuele expressies bestaan.”
Ook haar toekomstplannen sluiten naadloos aan bij die voortdurende zoektocht naar nieuwe klankwerelden. Ze zou graag een opera schrijven, “een die een grondig hedendaagse klanktaal gebruikt, maar toch diep ontroerend is.” Daarnaast fascineert de ontmoeting tussen elektronische muziek en traditionele Chinese instrumenten haar steeds meer. Ze wil onderzoeken hoe de subtiele glijdende textuur van de zogenoemde “wandeltonen” (zou shou yin) van de qin een plaats kan krijgen binnen een digitale klankwereld. “De weg die voor ons ligt is lang,” besluit ze, “maar ik kijk er vol verwachting naar uit.”
Wie Zhang Ying aan het woord hoort, merkt hoe consequent één gedachte doorheen het hele gesprek terugkeert: niet identiteit, nationaliteit of culturele representatie staan centraal, maar de kracht van de klank zelf. Haar Berlijnse première is daarmee vooral een uitnodiging om voorbij etiketten en culturele verwachtingen te luisteren.





