Wie in Berlijn de Alexanderplatz oversteekt, loopt zonder het misschien te beseffen langs een van de oudste plekken van de stad. Vlak onder de Fernsehturm, tussen de wolkenkrabbers en de toeristenstromen, staat de Marienkirche: de oudste nog functionerende kerk van Berlijn, met daarin een orgel dat al meer dan driehonderd jaar klinkt. Wie er de leiding over heeft, is opvallend jong. Xaver Schult is organist van de Marienkirche sinds zijn vijfentwintigste, en dat is inmiddels bijna zeven jaar geleden. Ik ontmoette hem tijdens een orgelrondleiding waarover ik in april al berichtte op Klassiek Centraal. Genoeg reden om hem eens uitgebreider te spreken.
Een orgel om aan te raken
Elke donderdag tussen april en oktober kan iedereen gratis en zonder afspraak binnenlopen voor een rondleiding langs het orgel van de Marienkirche. Voor Schult zijn die momenten meer dan een vaste taak op de agenda. “Het orgel fascineert me al sinds mijn vroegste jeugd,” vertelt hij. Waar die fascinatie precies vandaan komt, kan hij achteraf moeilijk verklaren: “De fascinatie voor het orgel was er eerst, de verklaring daarvoor zou ik achteraf moeten zoeken.” Andere instrumenten vindt hij overigens ook geweldig – “ik kan ze alleen helaas niet spelen.”
Bij een rondleiding heeft het merendeel van het publiek nog nooit een orgel van dichtbij gezien, meegemaakt en ontdekt pas dan hoe veelzijdig het instrument is: “Het doet me plezier wanneer mijn enthousiasme overslaat op het publiek, en ze het orgel vanaf dat moment anders ervaren.” Wat hij precies laat zien, hangt af van wie er voor hem staat. “Is het publiek meer geïnteresseerd in de geschiedenis? Of in de techniek? Of willen de mensen vooral muziek horen?” Vaak is de indruk het grootst wanneer bezoekers het binnenste van het instrument te zien krijgen, of zelf de blaasbalgen mogen bedienen.
Van Noord-Duitsland naar de Alexanderplatz
Wie Xaver Schult is, laat zich volgens hemzelf op meerdere manieren beantwoorden. “Lokaal: ik ben geboren en getogen in Noord-Duitsland. Kerkelijk: ik ben opgegroeid in de Evangelisch-Lutherse traditie. Muzikaal: de oude muziek is mijn eigenlijke thuis.” Veel meer achtergronden zouden volgens hem te noemen zijn. Hij groeide op in een muzikale familie: zijn ouders en broers en zussen spelen allemaal instrumenten en zingen. Organist worden was geen latere ontdekking, maar een kinderwens die hij vrijwel zonder omwegen heeft waargemaakt: “Organist wilde ik worden, sinds ik me kan herinneren. Het was mijn grote kinderdroom.”
Beslissend was zijn tijd aan de Dom van Schwerin, waar Jan Ernst niet alleen zijn eerste orgelleraar was, maar ook zijn koordirigent, later een van zijn professoren aan de Hochschule in Hamburg, en tot op vandaag vriend, collega en klankbord. Na zijn eindexamen in Schwerin trok Schult naar Hamburg om er kerkmuziek te studeren, met Wolfgang Zerer als hoofdvakdocent orgel – ook hij is een groot voorbeeld voor hem, muzikaal én menselijk. Na zijn afstuderen volgden nog vier jaar improvisatiestudie in Berlijn bij Wolfgang Seifen en Dirk Elsemann, parallel aan zijn aanstelling in de Marienkirche.
Zijn inspiratie komt overigens niet alleen van musici. Mensen uit verschillende generaties kunnen hem op heel verschillende manieren inspireren: muzikaal, menselijk of filosofisch. Buiten het orgel om is koken een groeiende passie, naast een brede belangstelling voor techniek – treinen, vliegtuigen, schepen – en voor grafisch ontwerp en architectuur.
Jong zijn in een eeuwenoude traditie
Toen de vacature voor organist van de Marienkirche werd uitgeschreven, zat Schult nog middenin zijn afstudeerexamens. “Ik was net vijfentwintig. Ik heb het geprobeerd, en het is gelukt.” Een assistentschap tijdens zijn studie aan de Hamburgse Hauptkirche St. Katharinen – “een prachtige plek om te werken” – hielp hem daarbij zeker.
Van een spanning tussen zijn leeftijd en de eeuwenoude traditie die hij vertegenwoordigt, merkt Schult weinig: “Misschien is het zelfs omgekeerd: hoe jonger je begint, hoe vanzelfsprekender de omgang met die oude traditie wordt.” In een tijd die hem behoorlijk turbulent voorkomt, ervaart hij de eeuwenlange – soms zelfs duizendjarige – achtergrond van de traditie eerder als een geruststellend anker. Dat zijn generatie anders met orgel- en kerkmuziek omgaat dan eerdere generaties, gelooft hij overigens wel, al voegt hij er nuchter aan toe dat iedere nieuwe generatie nu eenmaal anders is dan de vorige.
Verbaasde reacties op zijn leeftijd blijft hij tegenkomen, al relativeert hij dat zelf: “Na bijna zeven jaar in functie ben ik ook niet meer helemaal jong. Ik ben alleen jonger dan het beeld dat veel mensen blijkbaar hebben van een organist op zo’n positie.” Wat de functie werkelijk van hem vraagt – betrouwbaarheid, organisatietalent, creativiteit, muzikaliteit – staat volgens hem los van leeftijd. Concreet betekent organist zijn in de Marienkirche veel meer dan het bespelen van het instrument: Schult staat ook in voor de zorg en het behoud van de orgel, organiseert concertreeksen, houdt zich bezig met muziekbemiddeling en regelt veel achter de schermen. Ook samenwerking en netwerkvorming met andere partners in de stad behoren tot zijn werk.
Oude muziek, levende improvisatie
Als musicus is Schult vooral gevormd door de oude muziek, gespeeld op oude instrumenten. Hij hecht belang aan een gedifferentieerde, polyfone articulatie die zich richt naar tekst en spreeklettergrepen. Er zijn werken die hij al zijn halve leven speelt en die hem “nog steeds elke keer opnieuw verliefd laten worden”. Improvisatie vormt een wezenlijk onderdeel van zijn werk: het grootste deel van wat tijdens een kerkdienst uit het orgel klinkt, is geïmproviseerd. “Met improvisatie kun je uiterst precies reageren op een situatie en invloed uitoefenen op hoe woorden worden geduid.” In concerten improviseert hij daarentegen minder vaak.
Een orgel van 1721
Het orgel van de Marienkirche werd in 1721 gebouwd door Joachim Wagner – strikt genomen pas in 1723 officieel goedgekeurd, al vond de inwijding eerder plaats. Het was Wagners allereerste orgel, het begin van een lange orgelbouwersloopbaan. Zijn stijl wordt geregeld in verband gebracht met Johann Sebastian Bach, die de orgels van Gottfried Silbermann eigenlijk te ouderwets vond en meer op had met bouwers uit diens school, zoals Zacharias Hildebrandt en dus Joachim Wagner.
In ruim drie eeuwen is het instrument uiteraard veranderd, maar het staat nu, op enkele uitzonderingen na, weer dicht bij het origineel van 1721. Bijzonder is dat ook de frontpijpen nog authentiek zijn – een geluk dat veel historische orgels niet hadden, omdat hun frontpijpen tijdens de Eerste Wereldoorlog voor de oorlogsindustrie moesten worden afgestaan.
Spelen op een instrument met zo veel historische en symbolische lading, in een kerk met een zo bewogen verleden, zou kunnen intimideren. Schult ervaart dat in de Marienkirche gelukkig niet zo: “Dat laat me juist bevrijd spelen en mijn eigen persoonlijkheid inbrengen in de manier waarop ik mijn werk vorm geef.” De Marienkirche heeft belangrijke verhalen te vertellen, en die wegen des te zwaarder omdat Berlijn nog maar weinig plaatsen heeft met een centrale historische betekenis van vóór de negentiende eeuw, “maar het heeft ook niet de zwaarte van een Thomaskerk in Leipzig.”
Cultuurstad Berlijn
Op een gewone doordeweekse avond vinden er in Berlijn naar schatting zo’n tweeduizend events plaats – een enorm aanbod, waarin een orgelconcert er slechts één van vele is. Dat maakt het volgens Schult lastig om het publiek te bereiken, maar diezelfde verscheidenheid is ook precies wat de stad zo aantrekkelijk maakt.
Toch heeft de Marienkirche iets wat elders in Berlijn ontbreekt: een orgel uit 1721, in de oudste kerk van de stad, op de centraalste plek denkbaar, aan de Alexanderplatz, vlak onder de Fernsehturm: “We bieden cultuur aan tegen prijzen die zo veel mogelijk mensen zich kunnen veroorloven, en dat op een heel hoog niveau. En we proberen de mensen die ons bezoeken nooit uit het oog te verliezen en toegankelijk te blijven.”
Het orgel blijft volgens hem sowieso een muzikale niche, en Berlijn is op dat vlak niet per se progressiever dan andere steden. De stad is bovendien zo groot dat hij zelf lang niet altijd meekrijgt wat collega’s aan de andere kant van Berlijn doen.
Een nieuw publiek, zonder social media
Jonge mensen – en daarmee bedoelt Schult niet zijn eigen generatie, maar baby’s, kinderen, tieners – in aanraking brengen met muziek noemt hij van levensbelang. Muziek leren betekent voor hem niet simpelweg een notenbalk kunnen lezen, maar vaardigheden en een verhouding tot jezelf, je lichaam, je ziel en de wereld ontwikkelen. Dat jongeren die kans mislopen doordat muziek-, kunst-, theater- of sportonderwijs op scholen wegvalt, of doordat een gezin een muziekschool niet kan betalen, vindt hij problematisch.
Voor het orgelpubliek van de Marienkirche zelf richt hij zich liever niet gericht op één leeftijdsgroep, maar wil hij er voor mensen van alle leeftijden zijn. Hij hoopt dat concerten op hoog niveau, met menselijke betrokkenheid en betrouwbare planning, mensen aansteken met liefde voor muziek – “misschien komen ze ooit terug, misschien gaan ze ergens anders naar een concert, misschien herinneren ze zich over veertig jaar dat ze ooit mooie orgelmuziek hoorden in de Marienkirche.”
Voor wie orgelmuziek “moeilijk” of “afstandelijk” vindt, heeft hij alle begrip: “Het orgel staat ver weg, je ziet geen beweging of menselijke actie, je bent teruggeworpen op puur luisteren.” Orgelcomposities verschillen bovendien wezenlijk van orkest- of pianomuziek: het orgel was nooit een huiskamerinstrument en is niet vanzelf toegankelijk.
Opvallend voor iemand van zijn generatie: opnames en sociale media spelen in zijn werk geen enkele rol: “Ik waardeer sociale media niet, en evenmin het vastleggen van een vluchtige kunst als muziek.” Ook privé beluistert hij weinig muziek van opnames – hooguit gericht, om iets op te zoeken of inspiratie te vinden.
Vooruitkijken
Op dit moment werkt Schult aan de jaarplanning voor de komende twee seizoenen – “de eerste lijnen zetten in een nieuw, onbeschreven notitieboekje,” noemt hij het. Daarnaast wacht een grote klus: het orgel van de Marienkirche moet binnenkort worden schoongemaakt en gerestaureerd. Veel werk, maar ook een kans om het instrument nog intiemer te leren kennen – en dat maakt het project juist tot iets waar hij erg naar uitkijkt.
Over de toekomst van het kerkorgel doet hij liever geen stellige voorspellingen. “Als ik dat wist, zou het leven op sommige punten eenvoudiger zijn.” Wel merkt hij week na week hoeveel enthousiasme het instrument nog altijd kan oproepen: “Het kerkorgel zal er waarschijnlijk nog lang zijn.”
Adviezen aan jonge collega’s geeft hij node – “hebben adviezen niet veel meer met onszelf en onze eigen biografie te maken?” – maar hij vertelt gul over zijn eigen leven en ervaringen, in de hoop dat iemand zich daar toch een stukje in herkent. Zelf zou hij, na al die jaren op prachtige historische instrumenten, graag nog meer tijd doorbrengen met Frans-symfonische orgels – een terrein dat er in zijn loopbaan tot nu toe wat bekaaid vanaf kwam.
Terwijl de Fernsehturm zijn schaduw werpt over een Alexanderplatz die voortdurend verandert, blijft in de Marienkirche een orgel uit 1721 klinken – bespeeld door iemand die net aan het begin staat van wat een lang organistenleven belooft te worden. Xaver Schult schrijft dat verhaal met evenveel liefde voor de traditie als voor de nog onbeschreven bladzijden die voor hem liggen. Jong zijn hoeft geen tegenstelling te vormen met een eeuwenoude traditie. Het kan er, integendeel, de meest vanzelfsprekende voortzetting van zijn.




