Beweging als leidmotief: dat is het uitgangspunt van In Motion, het nieuwe album van de Oostenrijkse saxofonist Andreas Mader, opgenomen met een select ensemble van elf musici onder leiding van dirigent Pit Brosius. Het programma is knap samengesteld rond het thema tijd en beweging, en biedt een verrassend samenhangende reis door bijna een eeuw kamermuziek, van neoclassicisme tot hedendaagse Amerikaanse muziek.
De plaat opent met het Concertino da camera van Jacques Ibert (1890-1962), een vaste waarde in het saxofoonrepertoire. Mader benadert het stuk met precisie en esprit; vooral het tweede deel – door Ibert zelf tot zijn beste werk gerekend – krijgt hier een fraaie, ingetogen lezing van indringende melancholie. De buitenste delen bruisen daarentegen van ritmische speelsheid: het ensemble reageert alert op elke wending, tekent moeiteloos elke klankkleur en volgt Mader in iedere emotionele nuance. Het is muziek die simpelweg vrolijk maakt, zeker wanneer ze met zoveel levenslust en onderlinge verstandhouding gespeeld wordt.
Daarna volgt de Sonatine-Tango van Pierre-Max Dubois (1930-1995), oorspronkelijk geschreven voor fagot en piano, hier bewerkt door Brosius zelf. Het is een excentriek, kortademig vierdelig werk vol karakter, waarin de dansritmes die door het hele album heen terugkeren goed op de voorgrond treden. De bewerking voor saxofoon is knap uitgewerkt en sluit naadloos aan bij de geest van het origineel; ook hier ondersteunt het ensemble de sax voorbeeldig, met een fijn gevoel voor timing en timbre. Verschillende facetten van de tango – nu eens fel en gedreven, dan weer ingetogen en zangerig – komen zo mooi tot hun recht.
Met Its Motion Keeps van Caroline Shaw (°1982) betreden we een andere wereld. Het stuk was oorspronkelijk geschreven voor koor met altviool of cello, en is gebaseerd op een Amerikaanse shape-note hymne – een eenvoudige, in de negentiende eeuw populaire vorm van gemeenschapszang, waarbij de noten niet met gewone notenbalken maar met herkenbare vormpjes werden genoteerd, zodat ook ongeschoolde zangers er makkelijk uit konden lezen. Hier is het bewerkt door Hy-Khang Dang voor altviolist Nikita Gerkusov en ensemble. Een steeds zich herhalend altvioolmotief loopt erdoorheen, als het tikken van een klok, terwijl strijkers en blazers elkaar voortdurend beurtelings afwisselen, als twee koren die doordacht op elkaar reageren, waardoor het bijna als renaissancemuziek gaat klinken. Met ruim acht minuten is het meteen het langste stuk van het album: een adempauze tussen de virtuozere delen door, die tot nadenken stemt.
De Fantasia para Saxophone is het enige werk van Heitor Villa-Lobos (1887-1959) met saxofoon als solo-instrument. Hier klinkt het in een herwerkte versie waarbij Brosius het oorspronkelijke strijkersapparaat verrijkte met extra houtblazers en het aantal hoorns terugbracht van drie naar één. Het resultaat is een verrassend transparante, kleurrijke lezing die de Braziliaanse volksinvloeden en de haast impressionistische schrijfwijze van de componist goed laat uitkomen. Verschillende gemoedstoestanden wisselen elkaar af, en Mader weet ze stuk voor stuk met een fijn gevoel voor ritme, de juiste toon en ademruimte te schilderen. Ook nu weer ondersteunt het ensemble hem trefzeker, zeker wanneer de spanning in het laatste deel Très animé opgedreven wordt.
Uit de Tweede Vioolsonate van Maurice Ravel (1875-1937) wordt alleen het middendeel gepresenteerd, Blues – hier door Hy-Khang Dang herwerkt tot een gesprek tussen viool en saxofoon, met ensemble. Het is meteen een van de meest bijzondere momenten van de plaat: het klinkt alsof je even in een rokerig café belandt, waar een kleine jazzband uit Ravels eigen tijd speelt. Viool en saxofoon vullen elkaar prachtig aan, en het ensemble geeft het geheel de finishing touch. Een gewaagde herwerking, die volledig overtuigt.
De cd sluit af met een suite uit El amor brujo van Manuel de Falla (1876-1946), in een bewerking voor het volledige ensemble door Hy-Khang Dang. Wie de rijkelijke orkestversie in het gehoor heeft, moet er even aan wennen, maar de uitmuntende musici doen die vergelijking al snel vergeten. De beroemde Ritual Fire Dance krijgt de verwachte felheid en pit, maar wat me het meest bijblijft is hoe die rauwe, aardse energie in elk deel van de suite blijft doorsijpelen – een betere afsluiter had men zich bij deze rijk geschakeerde en afwisselende plaat niet kunnen wensen.
Gedurende het hele uur valt de kwaliteit van het elfkoppige ensemble op. Het speelt met veel luisterbereidheid en gevoel voor sfeer, precies wat dit gevarieerde programma vereist. Mader zelf wisselt moeiteloos tussen alt-, tenor- en sopraansaxofoon en toont in elk register technische souplesse en grote expressieve zeggingskracht. De opname, gemaakt in het Trifolion in Echternach door Bert van der Wolf (Northstar Recording), is van hoge klasse: ruimtelijk, natuurlijk en rijk aan detail. Vooral in surround plaatst het geluid de luisteraar middenin het ensemble, met een tastbaar gevoel van diepte tussen de verschillende instrumentengroepen.
In Motion is een doordacht en fris geprogrammeerd album dat verder kijkt dan het gebruikelijke saxofoonrepertoire. Door composities uit verschillende tijden en tradities met elkaar te laten spreken over het thema tijd en beweging, ontstaat een luisterervaring die zowel intellectueel prikkelend als puur muzikaal genietbaar is. Voor liefhebbers van kamermuziek met saxofoon – en voor wie nieuwsgierig is naar hoe uiteenlopend componisten als Ibert, Shaw en De Falla hetzelfde thema kunnen benaderen – is dit een aanrader.