Sommige muziek intrigeert onmiddellijk, maar geeft haar geheimen pas geleidelijk prijs. Bij Tristan Keuris (1946-1996) gaan die twee eigenschappen hand in hand. Zijn muziek is eigentijds en soms weerbarstig, maar ook lyrisch en rijk aan klankkleur. Het Animato Quartet en klarinettist Jelmer de Moed brengen op deze cd drie werken uit de periode 1982-1990 samen. Ze laten horen hoe Keuris met compacte muzikale ideeën uiteenlopende stemmingen oproept en de luisteraar geregeld verrast met onverwachte wendingen.
Keuris behoorde tot de belangrijkste Nederlandse componisten van de tweede helft van de twintigste eeuw. Hij studeerde bij Ton de Leeuw en verwierf in 1976 ruime erkenning met zijn Sinfonia, waarvoor hij de Matthijs Vermeulenprijs ontving. Ook zijn kamermuziek verdient de nodige aandacht. Juist daarin komen zijn gevoel voor klankkleur en zijn vermogen om lyriek en muzikale onrust met elkaar te verzoenen duidelijk naar voren. De drie werken op deze cd laten verschillende facetten van die muzikale taal horen.
Van snijdende klanken tot verstilde lyriek
De cd opent met Canzone voor soloklarinet. Jelmer de Moed laat meteen horen hoe fascinerend dit stuk is. Zijn warme klarinettoon en de glasheldere opname brengen de verschillende facetten van de muziek tot hun recht. de Moed houdt de luisteraar geboeid door de klank voortdurend van karakter te laten veranderen. Zelfs de schelle, haast snijdende tonen klinken bij hem volkomen logisch. Ze zijn geen effect op zichzelf, maar maken deel uit van het muzikale betoog en geven het contrast met de meer lyrische passages extra reliëf. Juist die afwisseling maakt Canzone zo boeiend.
De onmiddellijke overgang naar het Strijkkwartet nr. 1 uit 1982 is bijzonder geslaagd. Waar Canzone de mogelijkheden van één instrument aftast, verdeelt het kwartet de muzikale onrust over vier stemmen. In de Introduzione klinkt het geheel aanvankelijk melancholisch en zoekend, met een licht schurende ondertoon. Gaandeweg raken de muzikale ideeën steeds meer met elkaar verweven en verschuiven de onderlinge verhoudingen voortdurend.
Het Animato Quartet houdt die veelheid overzichtelijk zonder de hoekige kanten van de partituur glad te strijken. Vervolgens komt de muziek in een stroomversnelling: de korte motieven lijken elkaar soms bijna in de rede te vallen, wat het eerste deel een uitgesproken nerveus karakter geeft. Tegen het einde trekt de muziek zich even terug, waarna de energie opnieuw oplaait en het deel geleidelijk uitmondt in een verstild slot. Het kwartet geeft deze contrasten zorgvuldig vorm, met oog voor zowel de nerveuze uitbarstingen als de momenten van verstilling.
In Calando verschuift het zwaartepunt naar de lyriek. De melodische lijnen ontvouwen zich in een bijna vertellende beweging en lijken aarzelend toenadering tot elkaar te zoeken. Het kwartet geeft die lijnen alle ruimte en bewaart tegelijk het weifelende karakter van de muziek. De eerste viool komt naar voren als leidende stem, terwijl de overige instrumenten haar lijn indringend becommentariëren. Zo ontstaat een boeiend vraag- en antwoordspel, waarin de stemmen elkaar aanvullen en op elkaar reageren.
In Quasi agitato keert de onrust terug, met scherpe ritmische accenten en snelle wisselingen tussen de instrumenten. Het kwartet speelt met vaart, maar houdt de afzonderlijke lijnen herkenbaar. De nerveuze energie komt volop tot uiting, terwijl de musici de samenhang van het geheel bewaren.
Tussen lyriek en onrust
Het Klarinetkwintet uit 1988 schreef Keuris voor klarinettist George Pieterson en het Orlando Quartet, ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het Concertgebouw in Amsterdam. de Moed speelt de klarinetpartij op de A-klarinet, waarvan de warme klank goed past bij de lyrische en melancholische kanten van de partituur. Toch blijft de muziek niet voortdurend in een beschouwende sfeer.
Vanaf de eerste tonen van het Lamento is er een zekere wrijving voelbaar die de aandacht meteen aanscherpt. De lange lijnen van de eerste viool en de klarinet krijgen, net als de donkere klankkleuren, alle ruimte. de Moed laat de klarinet zingen, terwijl de strijkers de melodische lijn ondersteunen en tegelijk voor een eigen spanningslaag zorgen. De musici laten de frasen rustig uitklinken, wat de ingetogen sfeer van het deel versterkt. Met hun grote fijngevoeligheid maken ze van het Lamento een emotioneel zwaartepunt van het werk.
In het Scherzo misterioso e passaggio maakt de beschouwende sfeer plaats voor een nerveuzer en beweeglijker verloop. Korte muzikale ideeën volgen elkaar op en de accenten verschuiven, waardoor de muziek telkens een andere wending lijkt te nemen. De klarinet treedt daarbij naar voren, maar mengt zich net zo gemakkelijk weer met de strijkers. De musici houden die wisselwerking helder en levendig en laten de spanning geleidelijk opbouwen. Opvallend is het rustige einde dat sterk contrasteert met de beweeglijkheid die eraan voorafgaat.
In de Elegia keert de lyriek terug, met een opvallende solopassage voor de cello. Toch klinkt de verstilling anders dan in het Lamento. De donkere klankkleuren geven de muziek een somber karakter, terwijl de onrust van het voorafgaande deel voelbaar blijft. Klarinet en strijkers zoeken elkaar op, om vervolgens weer uiteen te gaan. Bijzonder beklijvend is het moment waarop de klarinet zich nadrukkelijk laat horen en de strijkers daarop reageren. Zo blijft de melancholie geladen met emotie en wordt de Elegia meer dan een louter beschouwend rustpunt.
Na de droefenis van het Lamento en de melancholie van de Elegia slaat de finale, Impetuoso, een andere weg in. De muziek krijgt een uitgesproken voorwaartse drang en vormt zo een krachtig tegenwicht voor de meer ingetogen voorgaande delen. De klarinet klinkt soms ijl en lijkt zich boven het strijkersensemble te verheffen, terwijl de strijkers onderling als het ware redetwisten en vervolgens weer tot overleg komen. De klarinet mengt zich in dat muzikale gesprek, maar treedt op andere momenten nadrukkelijk naar voren. Na een bewust langer genomen rustmoment keert de verstilling even terug: de klarinet klinkt ingetogen, gedragen door de intieme onderlaag van het kwartet. Het contrast tussen de onstuimige passages en deze teruggetrokken momenten geeft de finale extra reliëf.
Een uitnodiging tot verder luisteren
De opname, gemaakt in juni 2026 in de Sint-Pieterskerk in Maasmechelen, laat de afzonderlijke instrumenten goed tot hun recht komen. Dat is bij Keuris een meerwaarde, omdat de expressieve kracht van zijn muziek voor een groot deel schuilt in de wisselwerking tussen de stemmen en hun klankkleuren. De klarinet behoudt haar eigen karakter, maar blijft tegelijk nauw verweven met het strijkersensemble. Af en toe is een bijgeluid van een van de musici hoorbaar, zoals bij het begin van het strijkkwartet. Het is een klein detail dat de luisterervaring niet wezenlijk verstoort.
In het cd-boekje spreken de musici de hoop uit dat de luisteraars net als zij verliefd zullen worden op de kamermuziek van Keuris. Deze opname maakt duidelijk waarom dat repertoire meer aandacht verdient. Het Animato Quartet en Jelmer de Moed laten horen hoe Keuris lyriek, weerbarstigheid en een rijk palet aan klankkleuren met elkaar verweeft. Wie de componist vooral kent van zijn orkestmuziek, krijgt hier een overtuigende kennismaking met zijn kamermuziek. Een cd die uitnodigt om verder te luisteren.