Jean Françaix (1912–1997) wordt vaak geassocieerd met een verfijnde, geestige muziektaal, waarin helderheid en lichtvoetigheid samengaan met een groot gevoel voor vorm. L’Apocalypse selon Saint-Jean laat een andere kant van zijn kunstenaarschap zien. In dit omvangrijke oratorium richt hij zich op een van de meest dramatische teksten uit het Nieuwe Testament. De combinatie met het Pianoconcert in D, waarin Françaix zelf als solist te horen is, maakt deze uitgave van Le Palais des Dégustateurs interessant: twee werken waarin dezelfde componist zich op heel verschillende manieren manifesteert.
Ongewone muzikale verbeelding
Françaix werkte in 1939 aan L’Apocalypse selon Saint-Jean. Het idee voor het werk was enkele jaren eerder ontstaan, tijdens een terugreis uit de Verenigde Staten, toen een hevige storm hem confronteerde met de overweldigende kracht van de natuur en de kwetsbaarheid van de mens. Die ervaring bracht hem op het spoor van de visioenen van Johannes. Ook de tijdsgeest mag daarbij niet uit het oog worden verloren: het werk ontstond in de jaren waarin Europa opnieuw in oorlog werd gestort. Of die historische context rechtstreeks in de muziek doorklinkt, valt moeilijk te zeggen, maar ze geeft de confrontatie met ondergang en verlossing wel een extra dimensie. Op 11 juni 1942 ging het oratorium in Parijs in première onder leiding van Charles Munch.
De bezetting is uitzonderlijk. Vier solisten – sopraan, alt, tenor en bariton – en een gemengd koor worden gecombineerd met orkest. Naast de gebruikelijke orkestinstrumenten omvat de partituur onder meer twee harpen, orgel, saxofoons, accordeon, mandoline en elektrische gitaar. Voor een componist die bekendstaat om zijn heldere en vaak speelse muziektaal is dat een opmerkelijke keuze. Zijn gevoel voor klankkleur krijgt hier een andere functie: het helpt een wereld verbeelden waarin het vertrouwde voortdurend onder druk staat.
Het oratorium voert van de brieven aan de zeven kerken en de visioenen rond Gods troon naar de opening van de zegels, de bazuinen van de engelen en de strijd tussen Michaël en de draak. De muziek verbindt uiteenlopende sferen, van bezinning tot dreiging en van massale koorklank tot passages waarin afzonderlijke stemmen meer op de voorgrond treden. De orkestratie is meer dan een kleurrijk detail: met haar ongewone combinatie van instrumenten geeft Françaix de wisselende perspectieven en apocalyptische beelden muzikaal gestalte. Daarbij blijft de Apocalyps bij Johannes niet beperkt tot een visioen van ondergang. Het is ook een openbaring: achter de vernietiging van de oude wereld ligt het vooruitzicht van een nieuwe.
Die gedachte vindt haar uitkomst in de verschijning van het hemelse Jeruzalem. In de aanloop naar La Jérusalem céleste worden orgel, koor en orkest samengebracht in een monumentale klankwereld, afgewisseld met intiemere solistische bijdragen. Die afwisseling tussen grootsheid en verstilling geeft de finale een indringende intensiteit. De muzikale opbouw is overtuigend, maar de uitvoering haalt niet helemaal het niveau dat deze passage vraagt.
Op deze opname staat het Orchestre Français d’Oratorio onder leiding van Jean-Pierre Lo Ré, met het Chœur Français d’Oratorio en verschillende andere koren. De solopartijen worden vertolkt door sopraan Tatiana Probst, alt Daïa Durimel, tenor Patrick Garayt en bariton Jean-Gabriel Saint-Martin. Ook Caroline Glory (cello) en Sotiris Kyriazopoulos (viool) zijn als solisten vermeld.
De zangsolisten leveren knappe bijdragen en hun tekst is goed verstaanbaar. Bij het koor ligt dat moeilijker. Wanneer het orkest voluit speelt, raakt de koorklank geregeld naar de achtergrond en zijn de woorden niet altijd goed te volgen. Bij passages a cappella of met een zachte orkestbegeleiding is de tekst iets beter te verstaan. Daarnaast zijn er duidelijke intonatieproblemen bij zowel het koor als het koper, die vooral in de slotpassages afbreuk doen aan de muzikale impact. De houtblazers klinken op sommige momenten bovendien wat schel. Toch valt in de beweeglijkere passages de levendigheid van de uitvoering op, waardoor ook de muzikale mogelijkheden van Françaix’ ambitieuze partituur voelbaar worden.
De opname werd gemaakt tijdens uitvoeringen in mei en juni 2024 in de Église de la Trinité in Parijs. De klankkwaliteit is behoorlijk, al zorgt de akoestiek soms voor nagalm. Dat geeft de muziek ruimte, maar helpt de verstaanbaarheid van het koor niet. De instrumentale kleuren komen voldoende tot hun recht om een indruk te geven van de bijzondere opzet van de partituur.
De componist achter de piano
Na het monumentale slot van L’Apocalypse selon Saint-Jean kan de overgang naar het Pianoconcert in D nauwelijks groter zijn. De ernstige klankwereld van het oratorium maakt plaats voor een levendig, jazzy werk waarin Françaix’ gevoel voor ritme en melodie alle ruimte krijgt. Die abrupte wisseling vraagt even om een andere luisterhouding, maar biedt een heel andere kijk op de componist.
Het concert, geschreven tussen 1932 en 1936, is hier te horen in een historische opname van 22 november 1960. Françaix speelt zelf de solopartij, begeleid door het Orchestre de l’ORTF onder leiding van Georges Prêtre. De ouderdom van de opname valt niet te verbergen: de klank mist de helderheid en detaillering die we van hedendaagse registraties gewend zijn. Toch doet dat weinig af aan het spelplezier dat deze uitvoering uitstraalt.
Vooral de jazzy inslag komt mooi naar voren. De piano lijkt één lange, ononderbroken melodische lijn te volgen, met een vanzelfsprekendheid die de muziek licht en beweeglijk houdt. De balans tussen solist en orkest is goed, en de orkestmusici krijgen in hun solistische bijdragen de ruimte om op die melodische stroom in te spelen. Zo ontstaat een levendig samenspel waarin de verschillende instrumentale kleuren elkaar aanvullen. Françaix laat zijn muziek hier swingen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.
Twee gezichten
De combinatie van L’Apocalypse selon Saint-Jean en het Pianoconcert in D laat horen hoe uiteenlopend Françaix’ muzikale verbeelding is. Tegenover de dramatische ernst en de ongewone klankwereld van het oratorium staat de ritmische souplesse en het jazzy karakter van het pianoconcert, waarin de componist zelf als solist te horen is.
De uitgave biedt zo een boeiende kennismaking met minder vertrouwde muziek van Françaix. Vooral het pianoconcert overtuigt door het vanzelfsprekende spelplezier van de componist; het oratorium maakt indruk door zijn ambitieuze opzet, al blijven de tekortkomingen van de uitvoering hoorbaar.