Er zijn opnames die repertoire bijeenbrengen omdat het mooi op één cd past. En er zijn opnames die vertrekken vanuit een idee, een historische ontmoeting, een nauwelijks opgemerkte verwantschap die pas in de muziek zelf betekenis krijgt. Deze nieuwe BIS-uitgave behoort onmiskenbaar tot die tweede categorie. Dat Karl Goldmark (1830-1915) en Jean Sibelius (1865-1957) elkaar in Wenen ontmoetten toen de jonge Fin zich omstreeks 1890 korte tijd bij de oudere meester vervolmaakte, is nauwelijks meer dan een vergeten episode in de muziekgeschiedenis. Hoewel Sibelius uiteindelijk een geheel eigen muzikale taal ontwikkelde, bracht die korte Weense periode hem wel rechtstreeks in contact met de laatromantische traditie waarvan Goldmark een van de markantste vertegenwoordigers was. Violiste Sueye Park maakt van die historische voetnoot het uitgangspunt van een recital dat niet zozeer twee componisten naast elkaar plaatst, maar laat horen hoe een muzikale gedachte van de ene generatie naar de volgende kan doorwerken.
Het programma getuigt van een doordachte visie. Goldmark en Sibelius waren beiden violisten voordat zij definitief voor het componeren kozen, zochten een persoonlijke stem zonder hun nationale wortels te verloochenen en schreven voor de viool muziek waarin virtuositeit nooit losstaat van zang. Dat zijn geen spectaculaire overeenkomsten, wel subtiele verwantschappen die deze opname langzaam blootlegt.
Goldmarks Vioolconcerto opent de cd en vormt meteen het zwaartepunt ervan. Het is een werk dat vandaag nagenoeg niet meer gespeeld wordt, en eigenlijk is het onbegrijpelijk, want het blijft een van de rijkste vioolconcerti uit de laatromantiek. Alles ademt hier overvloed: lange melodische bogen, brede orkestklanken, Hongaarse ritmiek die zich organisch met de Weense romantiek vermengt, en een componist die zich nooit inhoudt uit angst voor een noot te veel. Tegelijkertijd blijft Goldmark opmerkelijk beheerst in zijn vormgevoel: achter de schijnbare overvloed schuilt een zorgvuldig opgebouwde spanningsboog waarin lyriek en dramatiek elkaar voortdurend in evenwicht houden. Juist daardoor vraagt dit concerto om een solist die verder kijkt dan het virtuoze oppervlak.
Sueye Park bezit die gave. Wat onmiddellijk treft, is haar toon: helder van kern, warm van kleur en zonder ooit scherp te worden, lyrisch zonder zich in behaagzucht te verliezen. Zij speelt Goldmark niet als een vergeten bravourestuk dat opnieuw aandacht verdient, maar als muziek die haar eigen vanzelfsprekendheid nog altijd bezit. Technische moeilijkheden lijken voor haar eenvoudigweg niet te bestaan. Alles klinkt zo natuurlijk dat je ze al snel vergeet. Minstens zo indrukwekkend is haar gevoel voor frasering. Geen enkele muzikale gedachte wordt geforceerd; iedere frase vloeit vanzelfsprekend voort uit de vorige, waardoor het concerto zijn natuurlijke ademhaling behoudt.
Het lyrische middendeel, de Air, vormt daarbij het emotionele centrum van haar interpretatie. Minder begaafde violisten maken van deze pagina een oefening in romantische weelderigheid. Park kiest precies de tegenovergestelde weg. Zij vertrouwt de melodie, laat haar ademen zonder ze uit te rekken en vindt daardoor een ontroering die niet uit sentimentaliteit voortkomt, maar uit eenvoud. Juist doordat Park iedere vorm van effectbejag vermijdt, krijgt haar terughoudende benadering een vanzelfsprekende rust die zeldzaam is in uitvoeringen van dit concerto. Ook Valentin Egel begrijpt dat Goldmarks concerto niet gebaat is bij overdreven pathos. Onder zijn leiding klinkt het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin warm en rijk geschakeerd, maar nooit zwaar. De orkestklank ondersteunt, reageert en ademt mee zonder de solist ooit te overschaduwen. Dat evenwicht tussen orkestrale grandeur en kamermuzikale transparantie behoort tot de grote kwaliteiten van deze uitvoering. Zoals zo vaak bij BIS laat ook de opname zelf niets te wensen over: ruimtelijk, natuurlijk en met een balans waarin zowel de fijnste orkestdetails als de nuances van Parks toonvorming volledig tot hun recht komen.
Wie op zoek is naar de meest hartstochtelijke of extraverte lezing van dit concerto, zal eerder uitkomen bij Joshua Bells opname met Esa-Pekka Salonen, waarin de romantische overdaad nog nadrukkelijker wordt opgezocht. Park kiest bewust een ingetogener pad. Dat is geen tekortkoming, maar een weloverwogen interpretatieve keuze, al zullen liefhebbers van uitgesproken dramatiek die verschuiving meteen opmerken.
Na Goldmarks monumentale concerto slaat de sfeer volledig om. Precies in dat contrast openbaart deze cd haar diepere betekenis. Waar vrijwel iedereen voor Sibelius’ beroemde Vioolconcerto zou hebben gekozen, opteren Park en Egel voor drie werken die veel minder vaak worden uitgevoerd: de late Suite voor viool en strijkorkest, JS 185, Deux Mélodies sérieuses, op. 77, en twee Humoresques, op. 87 en op. 89. Daarmee verschuift niet alleen het repertoire, maar ook het perspectief. De uitbundige laatromantiek van Goldmark maakt plaats voor een componist die met steeds minder noten steeds meer weet te zeggen. Waar Goldmark brede melodische lijnen ontwikkelt, zoekt Sibelius de concentratie: subtiele harmonische verschuivingen en een spaarzaam gebruik van muzikale middelen geven zijn muziek haar bijzondere zeggingskracht.
Hier hoor je hoe Sibelius de laatromantiek steeds verder achter zich laat. De melodieën worden soberder, de gebaren kleiner, de zeggingskracht des te groter. Er zit een bijna Scandinavische helderheid in deze muziek: geen leegte, maar ruimte. Park voelt die omslag feilloos aan. Waar zij in Goldmark breed durft te zingen, zoekt zij hier de verstilling op. Haar spel wordt introverter, minder gericht op projectie dan op concentratie. Vooral de Deux Mélodies sérieuses krijgen daardoor een bijna meditatieve intensiteit. Zij lijken niet gespeeld, maar gedacht, wondermooi gedragen door het orkest, waarin vooral de harp subtiel naar voren treedt.
Ook de Humoresques tonen een andere kant van Sibelius dan de componist van de symfonieën en het vioolconcerto. Hun speelsheid blijft altijd licht ironisch, nooit oppervlakkig: een schalkse frase wordt zelden helemaal afgemaakt, een melodie buigt af net voor ze zich lijkt vast te leggen. Dat vraagt om een solist die luchtigheid en precisie tegelijk beheerst, en Park vindt precies dat evenwicht tussen elegantie en grilligheid waardoor deze miniaturen veel meer worden dan charmante tussendoortjes. Onder die ogenschijnlijke lichtheid gaat bovendien compositorische verfijning schuil, waarin ritmische verschuivingen en onverwachte harmonische accenten de muziek een subtiele spanning meegeven.
Wat deze opname uiteindelijk zo overtuigend maakt, is dat zij nergens blijft steken in het illustreren van een historische anekdote. De ontmoeting tussen Goldmark en Sibelius vormt geen verkoopargument, maar een vertrekpunt voor een bredere gedachte over muzikale overdracht. Niet alles wat een leermeester nalaat, laat zich aanwijzen in harmonieën of motieven. Soms leeft een invloed verder in een manier van luisteren, in een gevoel voor vorm, in de vanzelfsprekendheid waarmee een melodie zich ontwikkelt. Dat onzichtbare erfgoed hoor je hier telkens weer resoneren.
Dit is een opname die ik nog vaker zal beluisteren, omdat maar weinig recente vioolrecitals zo consequent zijn opgebouwd als dit. Repertoirekeuze, interpretatie, orkestspel, opnamekwaliteit en de voorbeeldige BIS-productie versterken elkaar voortdurend. Na haar overwinning op de Internationale Jean Sibelius Vioolwedstrijd in Helsinki in 2025 bevestigt Sueye Park met deze opname dat zij veel meer is dan een uitzonderlijk begaafde violiste. Zij blijkt ook een musicus die in programma’s denkt, verbanden legt en repertoire nieuw laat spreken zonder het te willen heruitvinden. Deze cd bewijst dat een historische voetnoot soms voldoende is om een volledig nieuw perspectief op bekend repertoire te openen. Niet omdat Goldmark en Sibelius plots op elkaar gaan lijken, maar omdat Sueye Park laat horen hoe muziek generaties met elkaar verbindt zonder haar eigenheid te verliezen. Juist daarin schuilt de blijvende waarde van dit uitzonderlijk doordachte recital.




