Ludo Hulshagen en het ontstaan van Droomvuur

Een blik in het hoofd van een componist… dat is wat Ludo Hulshagen (°1951) met ons deelt. Deze Hasseltse componist genoot zijn compositieopleiding bij Willem Kersters (1929- 1998). Hulshagen won compositieprijzen waaronder de Cantabile-Prijs voor zijn Inventie voor piano (1987), een knipoog naar Bach. Sinds 1971 geeft Hulshagen zijn muzikale kennis door en gaf hij onder meer les aan het Conservatorium van Antwerpen. Gedurende 4 jaar vervult hij een artistiek-pedagogische opdracht als directeur van de Tiense Muziekacademie en aansluitend 29 jaar lang het Hasselt Conservatorium voor Muziek, Woord en Dans. Vandaag legt hij voor ons zijn muzikale ziel bloot. Aan de hand van de liedcyclus Droomvuur (1997) laat Hulshagen ons kennismaken met zijn compositieproces. Tijd om de componist zelf aan het woord te laten.

Spreken over een compositie is moeilijk, als het ware in je ziel laten kijken …

1. Droomvuur : hoe het begon … Do 25 april 1996 – 20 u.

Na mijn werk op school (het Hasselts Conservatorium) besluit ik een poëzie-avond, georganiseerd door de Pieter Geert Buckinx-Stichting, te gaan bijwonen in de ‘Cultuur- en Cruydenhoeve de Valik’ in Kortessem. Op weg ernaar toe kom ik, vrijwel onmerkbaar, in de juiste stemming tijdens een korte wandeling door het mooie Haspengouwlandschap. Wanneer ik ter plaatse het laatste tiental meter te voet afleg hoor ik nog de onrustige roep van nestelende merels. De gezellige sfeer en de artistieke aankleding van het mooie zaaltje in de hoeve maken indruk op me.

Bestuur en leden van de Pieter Geert Buckinx-Stichting zijn aanwezig temidden een aandachtig publiek. Dan vertolken de Vlierghesellen er op een sublieme wijze vele Buckinx’ gedichten: zij inspireren de toehoorders … en mij ook.
De kracht van Buckinx’ poëzie houdt mij in de ban. Wanneer ik er vertrek ben ik de trotse bezitter van een nieuwe aanwinst nl. “Late Gedichten”, gedagtekend door de aanwezige neef van de dichter.

Ik ben en blijf geruime tijd in een roes…

Precies één maand later (Zo 26 mei), woon ik, ditmaal samen met mijn echtgenote Lieve, een liedrecital bij met als uitvoerders de tenor Robert Luts en de pianist Willy Appermont. Zij vertolken er o.a. werk van Schumann en Brossé. Opnieuw slaat de roes toe : de prachtige tenorstem samen met het meezingende feilloze pianospel van Willy maken opnieuw een enorme indruk op me. Mijn besluit is genomen: ik ga Buckinxgedichten toonzetten.

Uit de bundel Droomvuur (1940), verzamelde Gedichten ‘De Gulden Veder’ uitgegeven bij Orion, koos ik twaalf gedichten, waarvan 8 uit Kleine ode aan het leven en 4 uit Kleine ode aan de dood.
Gedichten met ronkende en veelbelovende titels als “Vuurnacht”, “De steile vlam”, “Het paradijs”, “Schemerbloei” …

Extreme gevoelens, doodsangsten, erotiek, spiritualiteit, strijdlust, mysterie … zijn o.a. ingrediënten.

Aanvankelijk kies ik 3 gedichten

  • De blauwe nacht: een zoeken naar, recitativo (een beetje verhalend zelfs), het gedicht omschrijft als het ware een fysisch- erotische vervoering …
  • Gebed: con agilita, meteen nu een spirituele vervoering …
  • Droomvuur: berustend, ook een recapitulatie …

Deze 3 eerste liederen werden getoonzet na 26 mei (een erg drukke periode ov openbare proeven aan het Conservatorium)) en beëindigd in juli.
In een brief aan Paul Steegmans (veranwooordelijke voor de muzikale inbreng tijdens de zevenjaarlijkse Virga Jessefeesten) zeg ik de voorstelling ervan toe tijdens een concert voor de Virga Jessefeesten op 21 augustus met de tenor Robert Luts en pianist Willy Appermont.

Dan volgt een onderbreking.
In één golf schrijf ik een pianowerk dat ik nadien Fantasia II zou noemen.

Nadien volgt een aanzet voor een vioolconcerto : mijn schrijfdrift is groot en mijn potlood is vloeiend… Ik beëindig deze omvangrijke partituur begin januari 1997 …

Intussen bestudeer ik de samenstelling van de dichtbundel Droomvuur en besluit een volledige liedcyclus samen te stellen. Na De blauwe nacht, Gebed en Droomvuur zal ik nog 5 gedichten toonzetten die eveneens in het eerste deel “Kleine ode aan het leven” thuishoren.

  • De steile vlam: hier vindt een terug opzoeken van het ‘roesgevoel’ plaats.
  • Het paradijs: een echte cantabile, enigszins berustende sfeer …
  • De snelle schaduw: gejaagd, onrustig, doodsangst. De symboliek van “Vuurnacht” wordt reeds aangekondigd.
  • Vuurnacht: nog onrustig, doch de angst verdwijnt…

Nu is ‘mijn Droomvuur’ eigenlijk voorbij : een soort climax is bereikt. Vanaf de eerste drie liederen teerde ik op passie, mysterie, verwondering. Toch moet ik noch één ‘Ode aan het leven-gedicht’ toonzetten.

  • Schemerbloei: een heel andere sfeer dus. Het aardse wordt hemels, het fysieke wordt spiritueel…

Dan volgen de vier ‘Ode aan de Dood-gedichten’.

  • Voorbij de nachtegaal: van koel naar een gespannen bewogenheid. Voor het eerst duiken piano-tremolo’s op …
  • Ophelia: strijdlustige, heldhaftige sfeer oproepen …

Wat tot nog toe uitgesteld was komt nu toch uiteindelijk: 9 maart van datzelfde jaar 1996 stierf mijn lieve moeder : toen koos ik een gedicht uit Buckinx ‘Droomvuur’ voor het gedachtenisprentje, nu ga ik het toonzetten …

  • Ik ben niet meer alleen: ijl, religioso, mysterie, vragen, (let op de 2 maal verschillende kleurakkoorden onder ‘Ik ben niet meer alleen’ …
  • Heimwee: een soort slotvorming, weer een recapitulatie. Eigenaardig toch wel de 2 laatste slotakkoorden : 2 open ijle tweeklanken …

Ik dagtekende 10 augustus 1997 om 17.40 u!

2. De creatie van deze liedcyclus vindt plaats op do 28 nov 1997 in de Kerk van Guigoven- Kortessem met Robert Luts en Willy Appermont samen met de ‘Vlierghesellen’.

3. Op zo 18 januari 1998 vindt de Hasseltse creatie plaats, een organisatie in de schoot van Helikon met opname door Radio 3 (Klara) met dezelfde uitvoerders doch nu doorweven met gedichten vertolkt door woordkunstenaar Michel Kempeners.

4. Op di 29 februari 2000 krijg ik een heel mooi aanbod: mede-Princelid, melomaan en goede vriend wijlen Johan Koninxk pleit als voorzitter van de Limburgse Bijdragen vanuit het Kon. Leesgezelschap van Hasselt voor een 37ste uitgave van ‘de Limb. Bijdragen’ nu in de vorm van een CD-opname. Sopraan Reinhilde Weytjens, tenor Robert Luts en aan het klavier Willy Appermont staan in voor een mooie opname.
Reeds enkele tijd ervoor ontdekte ik gedichten van vriend Philippe Rotsaert ((°1944). Mijn besluit staat opnieuw vast : ik zou enkele gedichten van hem toonzetten.
Najaar 1999 : zo ontstaat een uiterst mooi artistiek project : een eigen ‘Droomvuur’ met poëzie nl. werk van Buckinx én Rotsaert.

  • Ganzen (uit ‘Mijn Land heet Antarctica’ 1995 uitg. Leesgezelschap): mijn keuze werd bepaald door elementen als ‘het onbereikbare’, ‘melancholiek’ en ‘ een zekere onrust’. In dit eerste lied/gedicht horen we een donkere ‘Linker Hand’ in de pianopartituur. Kou, ijle helderheid. Even onrust (neerstrijken ganzen) in contrast met rustbrengende winterkoninkje (poëtische beschrijvende taal boeit me hier).
  • Verliefd (voor zijn dochter Karolien) uit ‘Liefde is veel, Liefde is zelfs meer’ (1999): Onrust, het onbereikbare. Muzikale geladenheid, dissonerende tremolo’s. Opgedragen aan mijn lieve echtgenote. Vaderliefde voor dochters.
  • Stiltemoment (uit ‘Diep in mij roept de Noordzee’ – ‘t Kandelaartje 1995): Philippe is

    iemand die erg aangegrepen wordt door de betovering van de zee. Beeldspraak, zuivere poëzie, weer het onbereikbare.

Pieter Geert Buckinx (Kortessem, 1903-1987).

In 1983 kreeg Pieter Geert Buckinx, op een ogenblik dat hij al bijna vergeten was, totaal onverwacht de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie. Eerder probeerden uitgeverij Lannoo en Buckinx-supporter Rudolf van de Perre de dichter met een late bloemlezing alsnog voor het voetlicht te plaatsen. Wat betekende deze laatste stuiptrekking voor de Buckinx-perceptie?

Willem Kersters (Antwerpen, 09/02/1929 – 29/12/1998)

Nog een opvallende anekdote ivm componist en mijn prof Compositie: in 1968 maakte hij (opnieuw) een artistieke crisis door en … hij zette zich aan het schrijven van een reeks gedichten “Want ik ben Johannes niet” welke, door toedoen van Pieter Geert Buckinx, in 1971 gepubliceerd werden. Zo overwon hij “zijn muziekmoeheid”.

Pieter Geert Buckinx (vermoedelijk einde jaren ’70)
Op de Vlaamse Poëziedagen (1952) met vlnr dr O. Van Mulders, E.H. Remi Van de Moortel, Julia Tulkens, Hubert Van Herreweghen en Pieter Geert Buckinx; Onderaan, in zijn handschrift, een gedicht uit de bundel ‘De verzoeking der Armoede’(1950).

Voor meer informatie over Ludo Hulshagen (°1951) en zijn compositorische output kan u terecht bij [MATRIX] Centrum voor nieuwe muziek.

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: