Er kleeft nog altijd iets aan de naam Cécile Chaminade (1857-1944) dat naar de Parijse salon ruikt: naar theeserviezen, naar burgerlijke muziekavonden, naar elegante karakterstukjes, naar muziek die charmeert maar niet echt verplicht. Wie de nieuwe cd van Da Vinci Classics opzet – Tatiana Larionova (piano), Martina Biondi (cello) en Sara Pastine (viool) met de twee pianotrio’s en de 3 Morceaux op. 31 – hoort al na enkele maten dat dit vooroordeel op los zand gebouwd is. Chaminade blijkt hier geen componiste van het aardige gebaar, maar iemand die in grote vormen kon denken.
Dat is niet toevallig. De Parijse vorming van Chaminade – privélessen bij docenten verbonden aan het Conservatoire, omdat haar vader haar de officiële inschrijving weigerde – leverde haar een ambachtelijkheid op die zij haar hele leven zou vasthouden, ook toen het grote publiek haar liever als schrijfster van bevallige miniaturen bleef zien. Het Trio nr. 1 in g mineur op. 11, geschreven toen ze pas in de twintig was, weerlegt dat beeld meteen: een krachtig ritmisch geprofileerd hoofdthema, gecontrasteerd met een breder gezongen tweede gedachte, opgebouwd in een harmonisch weefsel dat zijn spanning eerder ontleent aan subtiele schakeringen dan aan abrupte contrasten. Larionova speelt de pianopartij met een merkbaar bewustzijn van haar functie: zij domineert niet, zij ademt mee met de strijkers en laat de cello van Biondi, waaraan Chaminade vaak fraaie tegenmelodieën toevertrouwde, voluit zingen. Pastine en Biondi vinden elkaar daarbij in een hechte strijkersdialoog: waar de cello de harmonische diepte verankert, laat Pastine de melodische lijnen met een vanzelfsprekende elegantie ademen. De opname kiest daarbij voor een natuurlijke balans, waarin de piano nooit onnatuurlijk naar voren wordt gehaald maar als gelijkwaardige partner in het ensemble klinkt.
Tussen de twee trio’s plaatst het programma de 3 Morceaux op. 31 voor viool en piano, drie korte tableaus (Andantino, Romanza, Bohémienne) die inderdaad dichter bij het huiskamerformaat liggen, maar waarin Pastine en Larionova tonen dat kleinschaligheid geen synoniem is van geringe ambitie. Vooral de Romanza, het lyrisch hart van het drieluik, overtuigt: geen letterlijke herhalingen, maar een thema dat bij elke terugkeer een andere harmonische kleur meekrijgt. In de Bohémienne weet Pastine het folkloristische cliché behendig te vermijden; haar articulatie wordt nooit karikaturaal, maar blijft soepel. Larionova volgt haar daarin met een lichte, transparante toucher die de dansante elegantie ondersteunt zonder haar te benadrukken.
De echte revelatie is evenwel het Trio nr. 2 in a mineur op. 34, een rijper en harmonisch gedurfder werk waarin Chaminade twee retorische houdingen – de energieke, bijna hamerende openingsgedachte en een melancholisch tweede thema – tegenover elkaar zet en met vaste hand naar elkaar toe laat bewegen. Het drietal bouwt hier een contrapuntische dichtheid op die je in het eerste trio nog niet vindt, met imitaties tussen de partijen en registergebruik van de piano dat verder reikt dan de klassieke begeleidingsformule. In het middendeel wordt de melodie haast vocaal; Larionova weet de piano hier te laten kleuren zonder ooit de zangerigheid van Pastine en Biondi te overschaduwen – precies dat soort discretie waarvan deze muziek leeft. Opvallend is bovendien hoe vanzelfsprekend Chaminades melodieën zich in het geheugen nestelen zonder ooit in sentimentaliteit te vervallen. Het Lento vormt het kloppende hart van het trio: muziek die haar ontroering niet zoekt in grote gebaren, maar in een melodische adem die zich langzaam ontvouwt en des te dieper raakt. Ook de gekozen tempi getuigen van vertrouwen in de partituur: nergens wordt de expressie geforceerd, waardoor de lange spanningsbogen volledig tot hun recht komen.
Wat deze opname vooral laat horen, is dat Chaminades reputatie meer te danken had aan de vooroordelen van haar tijd dan aan de kwaliteit van haar pen. Recensenten rond 1900 prezen haar lyrische stukken als “lieflijk” en “charmant” – vrouwelijke deugden – terwijl werk met een uitgesproken thematische ontwikkeling al snel als “te mannelijk” voor een componiste gold. Een eeuw later klinkt die dubbele maatstaf ongemakkelijk hol, en precies daarom is een opname als deze meer dan een curiositeit: ze herstelt Chaminade in een positie die haar altijd al toekwam.
Larionova, Biondi en Pastine spelen zonder opsmuk, met een klankbalans die de dialoogstructuur van deze muziek recht doet – geen van de drie instrumenten dringt zich op, en juist dat samenspel maakt hoorbaar hoe doordacht Chaminade haar stemmen tegen elkaar heeft afgewogen. Hun grootste verdienste ligt misschien nog elders: zij behandelen deze trio’s niet als een historische curiositeit die om welwillendheid vraagt, maar spelen ze met een vanzelfsprekend vertrouwen, alsof deze muziek nooit uit het repertoire is verdwenen. Dat geloof werkt aanstekelijk: onder hun handen worden deze werken geen archeologische vondst, maar levende kamermuziek die zonder voorbehoud haar plaats opeist. De warme, transparante opname en het gedegen begeleidend essay over Chaminades positie tussen salon en Conservatoire ondersteunen die benadering. Na afloop blijft niet de vraag hangen waarom Chaminade in de vergetelheid raakte, maar waarom het zo lang heeft geduurd vóór iemand deze twee pianotrio’s eindelijk weer een overtuigende stem gaf.




