Van 7 juni tot en met 5 juli 2026 viert het Festival van de Abdij van Saint-Michel-en-Thiérache zijn 40ste editie.
Waar erfgoed en muziek samenvallen
Wat ooit begon als een artistiek project met een duidelijke visie, is uitgegroeid tot een internationale referentie voor barokmuziek. Die reputatie is geen toeval: zelden vallen plaats en muziek zo vanzelfsprekend samen. De abdij, met haar verrassend Italiaanse barokarchitectuur, haar uitzonderlijke akoestiek en vooral haar unieke historische orgel uit 1714, is geen louter decor maar een essentieel onderdeel van de muzikale beleving.
Dat orgel vormt het kloppend hart van de site. Het behoort tot de zeldzame Franse barokorgels die grotendeels in hun oorspronkelijke staat bewaard zijn gebleven. De warme, genuanceerde klank, het rijke palet aan kleuren en de natuurlijke resonantie met de stenen ruimte maken dat muziek hier niet alleen wordt uitgevoerd, maar als het ware opnieuw tot leven komt. Het is precies deze bijna tastbare band tussen ruimte, instrument en repertoire die de abdij tot een uitzonderlijke plek maakt binnen het Europese baroklandschap.
Tijdens deze jubileumeditie worden twaalf concerten gespreid over vijf zondagen, telkens opgebouwd rond thematische programma’s die de rijkdom van het barokrepertoire verkennen. Absolute hoogtepunten zoals Monteverdi’s L’Orfeo en Bachs monumentale Messe in si mineur geven de toon aan, naast optredens van internationale grootheden zoals Jordi Savall en Christina Pluhar. Tegelijk blijft het festival trouw aan zijn open blik en krijgen ook jonge ensembles en nieuwe stemmen een prominente plaats. Concertdagen worden bewust vormgegeven als totaalervaringen, met ruimte voor ontmoeting, reflectie en genieten, ver voorbij het louter beluisteren van muziek.
Een toevallige ontdekking die bleef nazinderen
Voor mij kreeg dit festival echter een heel bijzondere betekenis lang voor ik het programma kende. Het begon in 2019, tijdens een reis met de camper, zonder plan of verwachting. We reden door het rustige landschap van de Thiérache toen plots dat gebouw opdook, indrukwekkend, maar tegelijk discreet, alsof het zich niet echt wilde tonen. Als liefhebbers van Frankrijk en zijn monumentale geschiedenis konden we niet anders dan halt houden.
De eerste indruk was bescheiden. Een parking, enkele voorgebouwen, een kleine tentoonstelling, niets dat deed vermoeden wat zich daarachter verborgen hield. Maar aan de overkant van het plein was er een klein deurtje. Onopvallend, bijna achteloos in de muur verwerkt. We stapten binnen, eerder uit nieuwsgierigheid dan met enige verwachting, en kwamen terecht in een eeuwenoude kooromgang. Het was alsof de tijd plots vertraagde. De stilte had er gewicht, de ruimte een soort vanzelfsprekende waardigheid. Het voelde niet als een bezoek, maar als een tijdreis, alsof je ongemerkt een andere wereld binnenging.
We werden er hartelijk ontvangen door vrijwilligers, wat het moment alleen maar intenser maakte. Toch had ik nog steeds het gevoel dat dit niet alles kon zijn. Zoals zo vaak in Frankrijk had de geschiedenis immers haar sporen nagelaten, en in mijn achterhoofd leefde de gedachte dat ook deze abdij tijdens de revolutie haar kerk verloren had. Ik had immers nergens een abdijkerk gezien, noch vanuit het dorp, noch vanop de parking.
Tot mijn blik viel op een barokpoort, iets verfijnder, iets nadrukkelijker aanwezig dan de rest. Nieuwsgierigheid won het van elke veronderstelling. We duwden de deur open en wat zich daar achter schuilhield, tartte elke verwachting.
Daar stond ze: een abdijkerk, intact, onaangetast, in haar pure historische staat. Geen overdadige restauratie, geen gepolijste perfectie, maar een ruimte die haar leeftijd droeg met een bijna ontroerende vanzelfsprekendheid. De stenen vloer vertoonde hier en daar sporen van mos, het licht viel zacht en onbevangen binnen, en alles ademde een vorm van hemelse rust. Het hoogaltaar had al een eerste restauratie gekend, maar de ziel van de plek lag in wat onaangeroerd was gebleven.
Boven dit alles verhief zich het orgel. Stil op dat moment, zonder klank, maar daarom niet minder aanwezig. Integendeel, het leek alsof het instrument slechts wachtte, alsof het elk moment opnieuw tot spreken kon komen. Zelfs zonder één noot te horen, voelde je wat het kon dragen, wat het kon vertellen.
Als kathedraalzanger was dat het moment waarop alles samenviel. Dit was geen gewone ontdekking, maar een plek die zich vastzet, die blijft resoneren lang nadat je vertrokken bent.
Meer dan een festival
Pas later ontdekte ik dat deze uitzonderlijke site ook het decor vormt van een festival met een indrukwekkende artistieke lijn en internationale uitstraling. Wat voor mij begon als toeval, kreeg daarmee een nieuwe betekenis. De abdij is niet alleen een monument, maar een levende plek, waar muziek opnieuw haar natuurlijke thuis vindt.
Daarom is dit festival zoveel meer dan een reeks concerten. Het is een uitnodiging om te vertragen, om te luisteren — niet alleen naar muziek, maar ook naar de ruimte, de geschiedenis en de stilte errond. Op amper 2,5 uur van Antwerpen en 1,5 uur van Brussel opent zich hier een andere wereld, waar erfgoed, natuur en cultuur elkaar versterken.
En telkens opnieuw, wanneer ik vertel dat we “Saint-Michel” hebben ontdekt, volgt diezelfde verwarring: men denkt meteen aan Mont-Saint-Michel.
Maar wie deze plek heeft ervaren, weet dat er een andere waarheid schuilt in die naam: een stillere, discretere, maar daarom niet minder indrukwekkende.
« Saint-Michel — pas le Mont, mais une beauté discrète qui touche l’âme… et qui, pour certains, le dépasse. »







