Sommige concerten brengen bekende muziek opnieuw tot leven. Andere openen een deur naar een wereld waarvan we als luisteraar nauwelijks weten wat zich erachter bevindt. Het debuut van het Youth Symphony Orchestra of Turkmenistan tijdens Young Euro Classic op zondag 9 augustus behoort duidelijk tot die tweede categorie. In het Konzerthaus Berlin klonk muziek van componisten die voor de meeste luisteraars nauwelijks meer zijn dan namen: Chary Nurymow (1941-1993), Weli Muhatow (1916-2005) en Nury Halmammedow (1938-1983). Het zijn namen die aan het begin van de avond nog weinig betekenis hadden, maar die in de loop van het concert steeds meer een muzikale wereld begonnen te vertegenwoordigen. Zo werd Turkmenistan geen abstract land ergens ver weg in Centraal-Azië, maar kreeg het klank, kleur, melancholie, ritme en uiteindelijk zelfs iets wat je zonder overdrijven een ziel zou kunnen noemen.
De traditionele muziekcultuur van Turkmenistan staat ver af van de westerse klassieke muziek, maar tijdens de Sovjetperiode ontstond een sterke verbinding met de Europese instrumentale traditie. Componisten als Nurymov, Muhatov en Halmammedow gingen in Moskou studeren en keerden vervolgens terug naar hun vaderland, waar zij een belangrijke rol speelden in de ontwikkeling van het professionele muziekleven. Hun muziek verbindt Europese symfonische vormen met melodieën, verhalen en onderwerpen uit Turkmenistan. Het is precies die ontmoeting die Young Euro Classic deze avond naar Berlijn bracht. Het festival koos daarbij niet voor een exotisch werk als curiosum naast het vertrouwde Europese repertoire: bijna de hele avond stond de muziek van Turkmenistan centraal.
En wat een orkest bleek daar te staan. Op het podium zat een bezetting die eerder aan een kamerorkest deed denken dan aan een groot symfonieorkest, maar zodra de eerste klanken klonken, merkte je daar eigenlijk niets meer van. De strijkers hadden een warme klank, waarin de verschillende stemmen mooi in elkaar grepen, terwijl ook bij de houtblazers uitstekende solisten te horen waren die in de werken van eigen bodem regelmatig behoorlijk werden uitgedaagd. Vooral de balans tussen de verschillende orkestgroepen viel op: geen enkele sectie probeerde de andere te overheersen, nergens werd een bepaalde groep alleen maar luid omwille van het effect. Alles zat in een opmerkelijk homogeen geheel, waarbij de afzonderlijke kleuren wel degelijk hoorbaar bleven. Dat is bij een jeugdorkest allerminst vanzelfsprekend.
Rasul Klychev, die in 2007 aan de basis stond van het ensemble en het van een bezetting met een beperkt aantal musici liet uitgroeien tot het huidige orkest, heeft dan ook duidelijk een orkestcultuur opgebouwd. In het gesprek dat ik ’s middags met hem had, omschreef hij zijn doel breder dan het opleiden van goede instrumentalisten: de jonge musici moeten zich als kunstenaars leren zien, mensen die niet alleen spelen omdat het hun beroep is, maar die ook van hun muziek en hun cultuur houden. De onderscheidingen die het ensemble in 2024 en 2025 tijdens het World Orchestra Festival in Wenen behaalde, bevestigen dat dit geen toevallige uitschieter is.
Het Pianoconcerto van Chary Nurymov vormde een eerste kennismaking met een componist die zijn professionele opleiding aan het Gnessin-Instituut in Moskou kreeg en daarna naar Turkmenistan terugkeerde. Zijn muziek laat precies die culturele wisselwerking horen: ritmische kracht en een uitgesproken orkestrale kleur naast lyrische passages waarin de melodische wereld van Turkmenistan doorklinkt. Aan de piano zat Shaislam Komildjanov, die dit jaar zijn opleiding aan het Turkmen National Conservatory ‘Maya Kuliyeva’ afrondde: een vingervlug pianist, maar gelukkig niet iemand die zijn virtuositeit voortdurend wilde etaleren. Zijn toets was licht en wanneer de partituur om lyriek vroeg, wist hij ook die kant overtuigend te laten spreken. Vooral de samenspraak tussen pianist en orkest overtuigde: geen solist tegenover een orkest, maar musici die samen iets wilden vertellen. Opvallend was bovendien dat hij tijdens de rest van het concert gewoon plaatsnam in het orkest, een mooi beeld van een jong talent dat zich duidelijk als onderdeel van het geheel zag.
Die verbondenheid met de eigen muzikale traditie is volgens de musici zelf wezenlijk. Violist Merdan Chariyec vertelde mij ’s middags dat de componisten die het orkest deze avond speelt hun werken sterk op de volksmuziek van Turkmenistan baseerden en dat de jonge musici hun muziek graag in Berlijn willen laten horen als een manier om de geschiedenis van hun volk te vertellen. Tegelijkertijd zijn zij van jongs af aan vertrouwd met Bach en de Europese klassieke traditie. De Europese muziektheorie wordt in Turkmenistan verbonden met de eigen muzikale taal, met haar ornamenten en melismen. Dat verklaart misschien waarom deze muziek zo weinig als een vreemde eend in de bijt klonk: de Europese traditie is voor deze musici geen buitenwereld, maar deel van hun eigen opleiding.
Weli Muhatovs Mijn Vaderland was het volgende werk, en dat is een titel waarbij een recensent zich even achter de oren krabt. Muhatov, die als componist en professor een belangrijke rol speelde in de opbouw van het muziekleven in Aschgabat en ook de nationale hymne van Turkmenistan schreef, componeerde het werk in 1950. Het lange werk begint elegisch, kent lichtere episodes en groeit uiteindelijk naar hymnische proporties, waarbij de invloed van Tsjaikovski en Prokofjev duidelijk hoorbaar is. Het orkest wist die afwisseling van stemmingen overtuigend te realiseren, maar uiteindelijk was het werk mij te lang en bood het te veel muzikale indrukken. Verschillende episodes, stemmingen en ideeën volgden elkaar op, waardoor de samenhang tegen het einde minder scherp werd. Daartegenover stond een indrukwekkend opgebouwde finale: de strijkers dreven de spanning steeds verder op tot een brede climax. Daarbij moest ik onvermijdelijk denken aan de finale van Sjostakovitsj’ Vijfde symfonie. Die associatie is misschien gewaagd, maar de muzikale herinnering was sterk.
Met Liederen uit Turkmenistan van Aidan Gold (°1997) – in het programma klonk alleen het derde deel van dit percussieconcerto, Misterioso: Fantasy on Turkmen Themes – werd een andere blik op Turkmenistan geopend. Gold kreeg van het Staatssymfonieorkest van Turkmenistan een aantal partituren van componisten aangereikt en werd gevraagd daaruit een concert voor slagwerk en orkest samen te stellen. Het resultaat was aangenaam en ritmisch aantrekkelijk, maar ik vroeg me wel af waarom het werk als concerto werd gepresenteerd: de solistische rol van het slagwerk was in deze beweging naar mijn gevoel te beperkt. Interessanter was de afstand die in de muziek hoorbaar werd. Gold gebruikte wel degelijk melodieën van Turkmenistan, maar in mijn oren verdween daarbij iets van de directe zeggingskracht die bij Nurymov en Muhatov zo vanzelfsprekend aanwezig was.
Het absolute hoogtepunt van de avond kwam met Nury Halmammedow. Zijn Wind van de Karakumwoestijn is een bijzonder werk, opgebouwd uit verschillende symfonische beelden – Inleiding, Aan de rivier, Bruiloftsstoet, Tuyduk en Paardenrennen – en gebaseerd op muziek die hij oorspronkelijk voor films schreef. Hier leek de muziek niet langer een beschrijving van een landschap te zijn, maar werd het landschap zelf hoorbaar. De melancholie van het tweede deel was diepgaand, bijna tastbaar, terwijl in het laatste deel een vuur ontstond dat het hele orkest in beweging zette. Halmammedow behoort, samen met Nurymov en Muhatov, tot de belangrijkste componisten uit de geschiedenis van de professionele muziek in Turkmenistan, maar bij hem klonk de verbinding tussen volksmelodie en symfonische traditie deze avond het natuurlijkst. Het was een van die werken die je na afloop opnieuw wilt beluisteren.
Misschien was het daarom geen toeval dat Chariyec, toen ik hem vroeg wat typisch is voor de muziek uit Turkmenistan, niet in de eerste plaats over muzikale technieken sprak. Hij verwees naar “de Karakumwoestijn, de karavanen, de Zijderoute”, naar de natuur en de tradities van zijn land. Tijdens Wind van de Karakumwoestijn hoefde je nauwelijks moeite te doen om je die woorden voor te stellen. De woestijn werd hier geen decor, maar een muzikale ruimte.
Na die intense ervaring werd met Diable qui danse van Pierre Thilloy (°1971) een brug naar Europa geslagen. Het werk, dat in Berlijn zijn Duitse première kreeg, laat een componist horen die duidelijk een eigen taal heeft gevonden. Die taal is mij wel te repetitief, maar de dreiging die vanaf het begin in de partituur zit, is onmiskenbaar. Thilloy vertrekt vanuit een Zuid-Italiaanse overlevering waarin slachtoffers van de beet van een zwarte weduwe door eindeloos te dansen het gif uit hun lichaam zouden proberen te verdrijven. De Saltarello wordt bij hem geen folkloristische dans, maar een steeds verder op hol slaande kracht, waarbij ritme nieuw ritme voortbrengt en beweging bijna dwangmatig wordt. Dat kwam sterk over: vooral de altviolen, cello’s en contrabassen bouwden een donkere, dreigende onderlaag. Klychev is bevriend met Thilloy en had de partituur van hem gekregen; Young Euro Classic bood hem naar eigen zeggen “een perfecte mogelijkheid” om het werk in Berlijn aan een Europees publiek te presenteren. Zo vormde het een natuurlijke brug van de Turkmeense muziek naar Europa.
Tot slot Arturo Márquez (°1950) met Danzón Nr. 2. Ik geef eerlijk toe: bij het zien van het programma dacht ik aanvankelijk dat dit inhoudelijk toch wel een beetje een tang op een varken was. Na een avond waarin Turkmenistan zo nadrukkelijk centraal stond, leek een Mexicaanse danzón een vreemde afsluiter. Ik had me schielijk vergist, want juist de melancholie en het dansante karakter van Márquez sloten verrassend mooi aan bij wat eraan voorafging. Tijdens de uitvoering hoefde je maar je ogen te sluiten om je niet langer in het Konzerthaus te wanen, maar in een donkere kroeg waar de muziek tot diep in de nacht doorgaat. Het spelplezier spatte van het podium: de musici lieten zich helemaal meeslepen door het ritme en Klychev gaf hun alle ruimte om zich in deze muziek uit te leven. Achteraf bezien paste Danzón Nr. 2 eigenlijk wonderwel in het programma: andere cultuur, andere melodieën, andere ritmes, maar uiteindelijk dezelfde menselijke behoefte om verdriet, verlangen en levenslust in muziek om te zetten.
Het publiek had ondertussen al lang besloten wat het van deze kennismaking vond. Na de laatste noot volgde een staande ovatie die ruim een kwartier aanhield. Het Youth Symphony Orchestra of Turkmenistan overtuigde deze avond met een warme, homogene orkestklank, een uitstekende balans tussen de secties en sterke solisten; boven alles viel de grote betrokkenheid bij de muziek op. Klychev is daarbij duidelijk meer dan iemand die het orkest op het podium leidt: hij is de man die dit ensemble vanaf zijn oorsprong heeft opgebouwd en jonge musici heeft geleerd naar elkaar te luisteren.
We kregen geen afgerond beeld van de muziek van Turkmenistan – daarvoor was één concert uiteraard veel te weinig. We kregen iets veel waardevollers: een eerste kennismaking die nieuwsgierig maakt naar meer, naar Nurymov, naar Muhatov, naar Halmammedow, maar ook naar de componisten en muziek die deze avond niet konden klinken. Klychev hoopt dat het publiek de muziek uit Turkmenistan ontdekt, dat die ontdekking blijft hangen en dat via de muziek ook belangstelling voor het land ontstaat. Na deze avond lijkt mij dat alvast gelukt. Voor het Youth Symphony Orchestra of Turkmenistan was Berlijn een debuut; voor het publiek een ontdekking, en voor mij vooral het begin van een verdere kennismaking met dit intrigerende muzikale erfgoed.








