Regisseur Olivier Lepelletier-Leeds vertelt in zijn toelichting bij de voorstelling dat het zijn uitgangspunt was om “een wereld te creëren, licht en vluchtig als een champagnebubbel, glinsterend, feestelijk en met als enige pretentie het publiek te vermaken en te betoveren”. Daar is hij grandioos in geslaagd.
Zonder van actualiseren een zwaarwichtig gegeven te maken, verplaatst hij het verhaal van de Weense tweede helft van de negentiende eeuw naar de Hollywoodiaanse jaren tachtig met verwijzingen naar feuilletons als Dynasty of Miami Vice, naar mode-iconen als Gaultier of Armani en naar popsterren en travesties (Alfred, de minnaar van Rosalinde, Frosch, de major domo op het feest van Orlofsky en een cipier). Met handig ingepaste referenties naar de Moulin Rouge, de Marseillaise, de uitbundige Weense bals, verwijst hij subtiel en zonder storende historische verwijzingen naar de broeierige periode van het Wenen na de grote beurskrach van 1873 en de Franse revolutie. Die Fledermaus (Johann Strauss Jr. (1825 – 1899)) van Lepelletier-Leeds is een amusant feest, waar materiële chic en rijkdom het vernis blijven die de leugens en privé-fantasieën verbergen. Verkleding en intriges verstrengelen zich tot absurde situaties.
Op het grote feest bij Prins Orlofsky amuseert Eisenstein zich uitbundig met de danseresjes. Uiteindelijk maakt hij zijn eigen vrouw – in vermomming – het hof: “Dieser Anstand so manierlich”. Dan treedt het bedrog in een gevaarlijke fase, om bij de confrontatie in de gevangenis tot een verrassende oplossing te komen: via het “repetitie-uurwerk” dat ze hem op het feest heeft ontfutseld. Ook de gevangenis krijgt in deze productie een onwaarschijnlijke vleug van luxe, met een goudkleurige chesterfield-sofa en goudkleurige celdeuren. Opnieuw de even fijnzinnige als ironische verwijzing naar de gematerialiseerde “luxe society” waarin het verhaal zich afspeelt. Met als klap op de vuurpijl de ontknoping van de farce, waarin Falke eindelijk zijn wraak heeft kunnen uitvoeren op zijn vriend Eisenstein, die hem ooit na een zatte avond als Fledermaus vermomd op straat achterliet.
Het slagen van deze knappe regie hangt uiteraard maximaal af van de vertolkers: zangers, acteurs, dansers. We kunnen kort zijn: elke schakel van het stuk is perfect. Het decor is prachtig, de kostuums stijlvol. De dansers van het ballet overweldigen van bij de eerste scène als ze de bloemen over het toneel verspreiden, tot in de prachtige dansscènes op het feest bij Orlofsky, of het nu polka is of wals. Créatine Price als “intro-gast” op het feest bij Orlofsky – een toegevoegde scène – en als Frosch in de gevangenis speelt haar/zijn rol grappig-echt! De zangers waren zowel als acteurs geweldig maar bleven ook vocaal overtuigend, met Anne-Catherine Gillet op kop. We hebben haar in Luik al in diverse partijen meegemaakt maar ze bewees eens te meer haar talent en ze is een geweldige Rosalinde. Ze zingt met zoveel overgave en overtuigt compleet in de enscenering, waar ze als het ware zelf van geniet.
Dirigent Nikolas Nägele, een nieuwkomer in de Opéra de Wallonie, overtuigde met gepaste levendige dirigeerstijl. Hij zorgde voor vaart in de wervelende operette, waarbij het orkest zich volop liet meeslepen. Detail: de ouverture puur muzikaal kunnen beluisteren, voor het doek opgaat, het is tegenwoordig een zeldzame heerlijkheid, waarbij we genieten van de muzikale thema’s, die we dan terugvinden in de loop van het stuk.
Het applaus was terecht bijzonder uitbundig, en even bruisend als de hele opvoering.















