Met De Rozenkrans Sonates opende Klassiek in de Kapel zijn seizoen 2026-2027 in een uitverkochte Sint-Rochuskapel in Hoegaarden. Violiste Madoka Nakamaru en organist en klavecinist Wouter Dekoninck plaatsten de beroemde cyclus van Heinrich Ignaz Franz Biber in een ruimer muzikaal landschap, naast werk van Dietrich Buxtehude, Jan Pieterszoon Sweelinck en Johann Sebastian Bach. Het resultaat was meer dan een opeenvolging van barokwerken: het programma maakte hoorbaar hoe verschillende muzikale en religieuze werelden elkaar in de 17de en vroege 18de eeuw raakten.
Biber vormde vanzelfsprekend het hart van het concert. Zijn Rozenkrans Sonates behoren tot de meest opmerkelijke vioolmuziek van de 17de eeuw. De cyclus verbindt een uitgesproken religieuze achtergrond met een bijzonder veeleisende viooltechniek. Een essentieel onderdeel daarvan is de scordatura: voor vrijwel iedere sonate wordt de viool anders gestemd. Daardoor verandert niet alleen de technische relatie van de violist tot het instrument, maar ook de klankkleur ervan.
Madoka Nakamaru wist die bijzondere wereld overtuigend tot leven te brengen. Haar spel verenigde technische beheersing met expressiviteit, zonder de muziek met overmatige dramatiek te belasten. Juist in Biber is dat belangrijk. De virtuositeit is er nooit louter versiering, maar staat voortdurend in dienst van het karakter en de religieuze betekenis van de muziek. Nakamaru liet de viool zingen waar dat kon en gaf de meer introspectieve passages de ruimte die ze nodig hadden.
Daartegenover stond Wouter Dekoninck, die het programma vanuit orgel en klavecimbel een tweede dimensie gaf. Met muziek van Buxtehude, Sweelinck en Bach werd Biber ingebed in een bredere Noord-Europese traditie. Daarbij was de keuze van de componisten inhoudelijk interessant. Tegenover de katholieke wereld waarin Bibers Rozenkrans Sonatesontstonden, stonden de lutherse traditie van Buxtehude en Bach en de calvinistische omgeving waarin Sweelinck werkte.
Die tegenstelling werd gelukkig niet als een zwaar concept over het concert gelegd. Ze was veeleer op de achtergrond aanwezig en liet horen hoeveel muzikale verwantschap er over confessionele grenzen heen bestond. Dekoninck benaderde de verschillende werken met helderheid en gevoel voor structuur. Zeker in deze intieme kapelruimte kon het orgel daarbij zowel krachtig als verrassend genuanceerd klinken.
Ook de samenwerking tussen beide musici overtuigde. Nakamaru en Dekoninck zochten niet naar effect om het effect, maar naar samenhang. De viool kon op de voorgrond treden zonder dat de begeleiding tot een louter ondersteunende rol werd gereduceerd. Daardoor behield de muziek haar transparantie en ontstond een natuurlijke wisselwerking tussen beide uitvoerders.
De Sint-Rochuskapel bleek voor dit repertoire bovendien een bijzonder geschikte omgeving. Niet alleen akoestisch, maar ook inhoudelijk paste de historische ruimte bij muziek die zo sterk verweven is met spiritualiteit en liturgie. Dat juist hier een programma werd gebracht waarin katholieke, lutherse en calvinistische muziek elkaar ontmoetten, sloot bovendien mooi aan bij het seizoensthema van Klassiek in de Kapel: “Grenzen verkennen met muziek”.
Het concert had ook een benefietkarakter. Klassiek in de Kapel organiseerde het ten voordele van de Vrienden van de Sint-Rochuskapel, die zich inzetten voor het beheer, onderhoud en behoud van de kapel. Dat de beschikbare plaatsen voor de gelegenheid volledig waren uitverkocht, gaf deze seizoensopening nog een extra feestelijk karakter.
De Rozenkrans Sonates werd zo een geslaagde start van het nieuwe seizoen: inhoudelijk doordacht, stilistisch verzorgd en gedragen door twee musici die de muziek niet groter probeerden te maken dan ze is, maar haar juist vanuit haar eigen taal lieten spreken. En precies daardoor kreeg Biber, in dialoog met Buxtehude, Sweelinck en Bach, in de Sint-Rochuskapel alle ruimte om te overtuigen.