Een componist die enkel bekend is door de manier waarop hij stierf, zegt daarmee meestal weinig over hoe hij leefde. Ignazio Albertini werd op 22 september 1685 in Wenen doodgestoken, en dat ene feit heeft zijn nagedachtenis lang overschaduwd. Wie was de man vóór het mes? Een Italiaan, vermoedelijk uit Milaan, die in de kringen van Johann Heinrich Schmelzer verkeerde en ooit – zo blijkt uit een brief van de prinsbisschop van Olomouc – iets had misdaan waarvoor invloedrijke vrienden hem de hand boven het hoofd hielden. Ook enkele jaren later duikt Albertini opnieuw op in de archieven, ditmaal in Kroměříž, waar hij als tijdelijke vervanger van Heinrich Ignaz Franz Biber wordt aangenomen en na een paar maanden alweer wordt ontslagen wegens “aanstootgevend gedrag”. Wat er precies aan de hand was, weten we niet. Toch bleef meer bewaard dan alleen dat raadsel en het dramatische einde: een bundel met twaalf sonates voor viool en basso continuo, pas zeven jaar na zijn dood gedrukt, mogelijk vertraagd door de kosten van het kopergravurewerk.
Dat die twaalf sonates nu als integrale cyclus op cd staan, is op zich al een gebeurtenis die meer aandacht verdient dan de anekdote over zijn dood. Er bestond al een verdienstelijke gedeeltelijke opname met Hélène Schmitt en Jörg-Andreas Bötticher, maar een integrale registratie van alle twaalf sonates ontbrak tot nu toe. Het Tsjechisch-Duitse ensemble Rýnský, opgeleid aan de Schola Cantorum Basiliensis en gespecialiseerd in de stylus phantasticus uit Boheemse, Duitse en Oostenrijkse archieven, pakt de klus grondig aan. Die stylus phantasticus – grillig, retorisch geladen en wars van vaste vormen – vormt ook de natuurlijke habitat van deze muziek. Violist Vojtěch Jakl speelt op een instrument gebouwd naar een Amati uit 1560 en een Stainer uit 1679 – een dubbele muzikale afkomst die treffend aansluit bij Albertini’s eigen positie tussen twee werelden: de Noord-Italiaanse virtuositeit van Marini, Castello en Uccellini enerzijds, en de Weense architectuur en contrapuntische degelijkheid anderzijds.
Wat opvalt bij eerste beluistering is hoe weinig Albertini zich aan een vast stramien houdt. Geen twee sonates lijken op elkaar in opbouw; adagio’s openen en sluiten de meeste delen, maar de tussenliggende architectuur volgt eerder de logica van een redenaar dan die van een bouwmeester. Albertini schrijft bovendien muziek waarin virtuositeit nooit een doel op zich wordt. De technische uitdagingen staan steeds in dienst van de retoriek: onverwachte harmonische wendingen, scherpe contrasten en grillige affectwisselingen houden de luisteraar voortdurend bij de les. Geen sonate volgt eenvoudigweg het stramien van de vorige; telkens slaat Albertini een onverwachte richting in. Juist omdat de sonatevorm hier nog niet is vastgelegd, ademt deze muziek een vrijheid die later in de barok vaak plaatsmaakt voor grotere formele regelmaat. Precies daardoor blijft deze integrale opname, goed voor anderhalf uur muziek, opmerkelijk boeiend: ondanks de omvangrijke cyclus treedt er nauwelijks een moment van vermoeidheid of voorspelbaarheid op. De negende sonate, met haar passacaglia-thema dat als canon op de kwint verschijnt en weer terugkeert, is het intellectuele zwaartepunt van de cyclus – Jakl behandelt de dubbelgrepen en de contrapuntische lagen met een precisie die nooit droog wordt, integendeel: de spanning tussen strengheid en vrijheid krijgt hier net de nodige adem. De zesde sonate is de tegenpool: lyrischer, zangeriger, met een cantabile dat de viool bijna een menselijke stem laat worden. De afsluitende twaalfde sonate laat Albertini nog één keer al zijn compositorische verbeeldingskracht ontvouwen, alsof hij zijn bundel bewust besluit met een demonstratie van meesterschap. Jakls spel onderscheidt zich daarbij door een heldere, soepele toon en een natuurlijke retorische zeggingskracht, waardoor ook de meest virtuoze passages muzikaal blijven ademen.
De begeleiding is minstens even interessant als de solopartij. Filip Hrubý, Michal Raitmajer en Elias Conrad behandelen de continuo niet als een dienstbaar bijgeluid, maar als een gelijkwaardige gesprekspartner. De continuo ademt als het ware mee met de viool, ondersteunt waar nodig en neemt geregeld zelf even het woord, zonder ooit de solist te overvleugelen. Die voortdurende wisselwerking, met orgel hier, klavecimbel daar en een theorbe die zich nu eens terugtrekt en dan weer nadrukkelijk aanwezig is, geeft elke sonate een eigen klankkleur binnen een verder coherent geheel en voorkomt precies het gevaar dat zulke omvangrijke integrale opnames bedreigt: sleet door herhaling. De opname zelf is helder en intiem, met een akoestiek die voldoende ruimte biedt zonder de details in nagalm te laten verdrinken: je hoort de strijkstok bijna over de snaar schuren en ook de kleinste registratiewissels in de continuogroep komen prachtig door, terwijl Jakls viool ook in de meest virtuoze passages haar warmte en glans behoudt.
Is dit dan de ontdekking van een miskend genie? Niet helemaal: Albertini blijft een componist van één enkele, postuum gepubliceerde bundel, maar in die twaalf sonates laat hij wel een opvallend eigen stemgeluid horen, balancerend tussen Italiaanse retoriek en Duitse orde. Precies dat weigeren om binnen een vast sonateschema te blijven, maakt deze opname de moeite waard. Rýnský speelt zonder museale afstandelijkheid, met een historisch geïnformeerde aanpak die niettemin ruimte laat voor improvisatorische vrijheid – en dat is uiteindelijk het beste eerbetoon aan een componist over wie we verder zo weinig weten. In het gezelschap van Schmelzer en Biber klinkt Albertini allerminst als een epigoon, maar als een componist met een duidelijk eigen stem. Precies daarom heeft deze uitgave mij van begin tot einde weten te boeien.
Wie zich openstelt voor deze muziek ontdekt geen vergeten meester die de muziekgeschiedenis herschrijft, maar wel een componist wiens verbeeldingskracht veel groter blijkt dan zijn beperkte nalatenschap doet vermoeden. Albertini’s sonates zijn intelligent zonder cerebraal te worden, virtuoos zonder effectbejag en vooral blijvend meeslepend. Rýnský speelt ze met zoveel overtuiging en verbeeldingskracht dat deze integrale opname niet alleen een muzikale ontdekking is, maar vooral een uitnodiging om deze muziek opnieuw en opnieuw te beluisteren.




