Er zijn componisten die je nooit meer loslaten zodra je ze eenmaal in huis hebt gehaald, en Astor Piazzolla (1921-1992) is daar het schoolvoorbeeld van. Zijn muziek beweegt zich tussen de rokerige bordelen van Buenos Aires en de concertzaal, tussen volksmuziek en kunstmuziek, en precies in die schemerzone komt ze volledig tot leven. Op dit nieuwe Supraphon-album trekken de Tsjechische violist Daniel Matejča en accordeonist Martin Šulc die schemerzone in, en het resultaat overtuigt meer dan eens.
Matejča is, met zijn eenentwintig jaar, geen onbeschreven blad meer: dit is al zijn vierde plaat voor het label. Waar jonge violisten bij Piazzolla nogal eens in de val trappen van het al te gepolijste, het brave decoratieve, kiest hij hier voor een aanpak met wat meer pit. Zijn toon is slank, soms bijna nerveus, en hij durft de intonatie een tikje te laten wringen precies daar waar de tango dat vraagt. Die keuze loont: Piazzolla zonder een vleugje vuil onder de nagels wordt al snel behangpapier.
Het programma is een verstandige doorsnede van het vertrouwde repertoire: de Suite del Ángel, de onvermijdelijke Histoire du Tango, een Ave Maria, Oblivion, de finale uit Tango Apasionado en Escualo. Het is repertoire waarmee elke uitvoerder zich automatisch naast grote voorgangers als Gidon Kremer plaatst, en dat vraagt om een uitgesproken eigen visie. Die vindt het duo vooral in de Histoire du Tango, waar de vier tijdsbeelden – van het bordeel van 1900 tot de concertzaal van vandaag – met een mooi gevoel voor karakter worden neergezet. Vooral de overgang van Bordel 1900 naar Café 1930 maakt duidelijk hoe de tango bij Piazzolla evolueert van dansmuziek naar een meer introspectieve, haast melancholische vorm van kamermuziek. Dat laatste deel, dat het album zijn titel geeft, krijgt terecht alle ruimte: traag, verzadigd, met een accordeon die ademt in plaats van speelt.
Šulc blijkt bovendien een partner om te koesteren, geen begeleider die zich gedeisd houdt. Zijn accordeon – niet de traditionele bandoneon, met een net iets ronder en minder schrapend timbre – vult de akoestische ruimte rond de viool zonder haar ooit te verdringen. In Oblivion, waar veel ensembles in de verleiding komen om te veel sentiment op te dienen, houden beide musici de teugels mooi strak, en dat komt de muziek alleen maar ten goede.
Als er iets te bekritiseren valt, is het dat de interpretatie soms iets te veilig en te mooi blijft, waar Piazzolla eigenlijk om een grotere gok vraagt: Escualo mag van mij nog wat scherpere tanden tonen, en de Suite del Ángel wint aan urgentie als de dynamische contrasten wat feller worden aangezet. Maar dat zijn kanttekeningen bij een opname die overwegend van goede smaak en muzikaliteit getuigt, opgenomen met een heldere, warme balans die de twee instrumenten recht doet.
Geen ontdekkingsreis dus, maar wel een intelligente en verzorgde tocht door bekend repertoire, waarin Daniel Matejča bevestigt dat hij meer is dan een veelbelovend talent.




