Er zijn ontdekkingen die niet in archieven plaatsvinden, maar op plekken waar niemand nog muziek verwacht. In 1968, tijdens restauratiewerken aan de kerk van Großfahner, 20 kilometer ten noordwesten van Erfurt, stootten arbeiders hoog in het dakgebint op een afgesloten ruimte achter een houten tussenschot. Daar lagen bijna driehonderd manuscripten met geestelijke muziek uit de zeventiende en achttiende eeuw, jarenlang blootgesteld aan vocht en stof, alsof de tijd ze langzaam uit het geheugen had willen wissen. Toch bleken de noten leesbaar genoeg om opnieuw te klinken. Deze uitgave van Da Vinci Classics is dan ook veel meer dan een opname van onbekende cantates: zij is een muzikaal eerherstel van stemmen die eeuwenlang onder de balken van een Thüringse dorpskerk hebben gezwegen en laat tegelijk horen hoeveel muzikale werelden nog op ontdekking wachten.
Wie de muziekgeschiedenis van Thüringen vertelt, doet dat haast automatisch vanuit het perspectief van Johann Sebastian Bach. Begrijpelijk, maar onvolledig: een heel netwerk van kerkmusici schreef er week na week nieuwe muziek voor de eredienst. De samenstellers van deze cd hebben die liturgische context niet losgelaten, maar vertaald naar een zorgvuldig opgebouwde dramaturgie. Cantates, orgelwerken en een instrumentaal concerto wisselen elkaar af zoals dat ook tijdens een achttiende-eeuwse lutherse viering had kunnen gebeuren. Daardoor wordt de opname veel meer dan een verzameling onbekende composities: zij laat een muzikale wereld herleven waarin woord, gebed en klank voortdurend met elkaar in dialoog staan.
Het programma opent met de muziek van de raadselachtige “Herr Troll”, een componist van wie zelfs de voornaam niet is overgeleverd en wiens werken uitsluitend dankzij het handschrift van kopiist Johann Christian Starckloff tot ons zijn gekomen. Toch blijkt al vanaf de eerste maten dat hier geen provinciale epigoon aan het woord is. Terwijl de da-capoaria zich overal in Duitsland had gevestigd, blijft Troll trouw aan een oudere, Noord-Duitse traditie die aan Buxtehude doet denken. Zijn aria’s ontwikkelen zich organisch vanuit de tekst, waarbij iedere affectwisseling een eigen harmonische kleur krijgt en de muziek voortdurend lijkt mee te ademen met de woorden.
Die kwaliteiten komen meteen tot uiting in de kerstcantate Siehe, ich verkündige euch. Vertrekkend van de woorden uit het Lucasevangelie schrijft Troll geen oppervlakkige feestmuziek, maar een muzikaal doordachte meditatie over de menswording van Christus. De melodische lijnen volgen de betekenis van de woorden zelf: verwondering, vreugde en aanbidding krijgen elk hun eigen muzikale kleur. Opvallend daarbij is de rijke instrumentatie. De drie trompetten en pauken fungeren nooit als louter feestelijk decor, maar reageren voortdurend op de inhoud van de tekst. Bij meer beschouwende momenten trekt het koper zich terug tot een haast kaal continuo; wanneer de woorden omslaan naar vreugde en lofprijzing, breekt de volle bezetting opnieuw open in een stralende glans. Begrippen als Freude, Hoffnung en de menswording van Christus krijgen zo niet alleen een muzikale omlijsting, maar een hoorbare betekenis. Troll toont zich hier een componist die de retorische kracht van de lutherse cantate volledig begrijpt en iedere muzikale keuze ten dienste stelt van de tekst.
I Contrappuntisti brengt die kwaliteiten overtuigend tot leven. Marcello Trinchero dirigeert met een vanzelfsprekende soepelheid die iedere neiging tot pompeuze monumentaliteit vermijdt. De natuurtrompetten schitteren zonder ooit scherp of geforceerd te klinken, terwijl bas Marco Grattarola de cantate draagt met een donkere, warme stem waarin autoriteit en ingetogenheid elkaar voortdurend afwisselen. Zijn verzorgde Duitse dictie zorgt ervoor dat de woorden niet verloren gaan in de rijke instrumentatie, maar steeds het uitgangspunt van de muzikale ontwikkeling blijven.
Na deze eerste cantate biedt Johann Gottfried Walther (1684-1748) met zijn koraalbewerking voor orgel Von Gott will ich nicht lassen de eerste liturgische adempauze. Walther – neef en boezemvriend van Bach en later auteur van het invloedrijke Musicalisches Lexicon – vertegenwoordigt de streng contrapuntische traditie van het Thüringse orgelspel. De keuze voor juist dit koraal is bovendien allesbehalve willekeurig: de tekst over Gods blijvende nabijheid vormt een natuurlijke voortzetting van de kerstboodschap uit Trolls openingscantate. Roberto Passerini kiest voor een heldere registratie en een sobere benadering die de muziek nergens romantisch verzwaart. Daardoor krijgt de luisteraar precies de rust die ook binnen een achttiende-eeuwse lutherse eredienst tussen de grotere vocale werken haar plaats had.
Vervolgens maakt de luisteraar kennis met Johann Theodor Roemhildt (1684-1756), een componist die tijdens zijn leven een aanzienlijk grotere reputatie genoot dan zijn mysterieuze tijdgenoot. Zijn werken werden tientallen keren uitgevoerd in Danzig, maar ook die vroegere faam bleek uiteindelijk geen bescherming tegen de vergetelheid. Dat zelfs een componist die ooit zo’n aanzien genoot uiteindelijk uit het collectieve muzikale geheugen kon verdwijnen, zegt veel over de grilligheid van de muziekgeschiedenis. Waar Troll de luisteraar voortdurend verrast met retorische scherpte en onverwachte harmonische wendingen, overtuigt Roemhildt door zijn natuurlijk evenwicht, melodische elegantie en een subtiele versmelting van Duitse ernst met Italiaanse zangerigheid.
Dat blijkt meteen in Herr Jesu, deiner Trost ich mich, een cantate die alleen bewaard bleef in een fotografische kopie nadat het oorspronkelijke manuscript verloren ging. Het is wellicht de meest ingetogen bladzijde van de hele opname. Roemhildt richt de blik niet op het grote gebaar, maar op de individuele gelovige die zich in vertrouwen tot Christus wendt. De vocale lijn krijgt daardoor een bijna sprekend karakter: niet dramatisch uitvergroot, maar gedragen door een diepe innerlijke rust. Matteo Straffi sluit daar uitstekend bij aan. Zijn lyrische tenor bezit voldoende warmte om de lange melodische bogen met natuurlijke souplesse vorm te geven, zonder ooit in overdreven sentiment te vervallen. Juist die eenvoud maakt deze cantate bijzonder ontroerend.
Tussen beide Roemhildt-cantates klinkt vervolgens een fluitconcerto waarvan het auteurschap onzeker blijft, al wordt Johann Georg Pisendel (1687-1755) vaak als meest waarschijnlijke componist genoemd. De levendige hoekdelen bruisen van Vivaldiaanse vitaliteit, maar vooral het langzame middendeel blijft nazinderen. Boven een nauwelijks bewegende bas ontvouwt blokfluitist Valerio Febbroni een lange melodische lijn, gespeeld met een verfijnd gevoel voor adem, spanning en frasering. De muziek lijkt de tijd even stil te zetten en bereikt een bijna verstilde intensiteit. I Contrappuntisti begeleidt met grote gevoeligheid, zonder de solist ooit te overvleugelen, zodat de transparantie van de partituur volledig behouden blijft. Het auteurschap mag dan onzeker zijn, over de kwaliteit van deze muziek bestaat nauwelijks twijfel. Binnen de opbouw van de cd krijgt dit concerto daardoor precies de juiste plaats: geen vrijblijvend intermezzo, maar een moment van contemplatie waarin de woorden even zwijgen en de instrumentale expressie het spirituele verhaal verderzet.
Na deze instrumentale bezinning keert de cd opnieuw terug naar het orgel met een tweede koraalbewerking van Johann Gottfried Walther: Herr Christ, der einig Gottes Sohn. Ook hier toont de componist hoe uit een vertrouwde koraalmelodie een verfijnde meerstemmigheid kan ontstaan, waarbij het contrapunt steeds in dienst blijft van de spirituele inhoud van de tekst. Roberto Passerini kiest opnieuw voor een heldere en transparante benadering, waardoor de afzonderlijke lijnen natuurlijk tot elkaar spreken. Na de virtuositeit en kleur van het concerto vormt dit werk een ingetogen overgang naar de volgende vocale scène, waarin Roemhildt opnieuw centraal komt te staan.
Waar diens vorige cantate nog de ingetogen stem van de individuele gelovige liet klinken, ontvouwt Herr, wie groß ist deine Güte zich als een feestelijke lofcantate waarin koor, trompetten en pauken de ruimte volledig vullen. Hier toont Roemhildt zijn brede compositorische register: de Duitse aandacht voor tekstretoriek gaat moeiteloos samen met een melodische souplesse die duidelijke Italiaanse invloeden verraadt. Woorden als Verderben krijgen een donkere, haast dreigende harmonische kleur, terwijl Hoffnung zich opent in lichtere, opstijgende lijnen die de betekenis van de tekst als het ware hoorbaar maken. Die voortdurende wisselwerking tussen woord en muziek geeft de cantate haar natuurlijke spanningsboog. Wanneer in het slotkoraal trompetten, koor en continuo samenvloeien in een lofzang op Gods Güte, ontstaat een indrukwekkende geloofsbelijdenis die tegelijk monumentaal en oprecht klinkt. I Contrappuntisti weet ook in deze grotere bezetting de juiste balans te bewaren: Marcello Trinchero laat de rijke klankwereld van Roemhildt volledig spreken zonder dat de verstaanbaarheid van de tekst verloren gaat, terwijl Matteo Straffi zijn lyrische helderheid behoudt en koor en orkest elkaar met vanzelfsprekende muzikaliteit aanvullen.
Na Roemhildts feestelijke cantate volgt opnieuw een moment van verstilling aan het orgel. Friedrich Wilhelm Zachow (1663-1712) – vooral bekend als de leermeester van de jonge Händel in Halle – is hier vertegenwoordigd met zijn koraalbewerking van Christ lag in Todesbanden, een melodie die ook Bach later meermaals zou behandelen. De keuze voor dit werk past perfect binnen de opbouw van de opname: na de uitbundigheid van koor, trompetten en pauken keert de muziek terug naar de kern van de lutherse eredienst, het koraal als gezamenlijk geloofsgetuigenis. Roberto Passerini speelt opnieuw met een sobere elegantie en een helder gevoel voor lijnvoering, waardoor de contrapuntische rijkdom naar voren komt zonder dat het werk ooit zwaar wordt.
Maar het laatste woord is opnieuw aan Troll. Dat is een bijzonder doordachte programmatische keuze. Met de paascantate Singet dem Herrn ein neues Lied keert de componist terug naar de eigenschappen die hem eerder zo overtuigend maakten: een scherp gevoel voor muzikale retoriek en het vermogen om de theologische betekenis van een tekst rechtstreeks in klank om te zetten. Waar Siehe, ich verkündige euch de verwondering rond de menswording van Christus verklankt, richt deze cantate de blik op de vreugde en overwinning van Pasen.
Die paasgedachte krijgt vooral gestalte in de vormgeving van het woord Auf waar Trolls muziek letterlijk een opwaartse beweging lijkt te maken. De stijgende lijnen en de jubelende energie wekken het gevoel van een muzikale verrijzenis: alsof de klank zelf zich losmaakt van de aarde en naar het licht wordt getrokken. Trompetten en pauken functioneren daarbij niet als louter feestelijk ornament, maar als actieve deelnemers aan het muzikale betoog. De feestelijke passages krijgen daardoor geen oppervlakkige pracht, maar worden de uitdrukking van hoop en geloof. Marcello Trinchero bouwt de spanningsbogen zorgvuldig op: ingetogen momenten behouden hun innerlijke kracht, terwijl de jubelende uitbarstingen nooit in effectbejag ontaarden. Marco Grattarola sluit hier de cirkel die bij de kerstcantate werd geopend: dezelfde stem die daar de intimiteit van de menswording droeg, klinkt nu met onverminderde overtuigingskracht in de jubel van de opstanding. Het vermogen om beide uitersten – de verstilde verwachting van Kerstmis en de overweldigende vreugde van Pasen – in één opname overtuigend te verbinden, maakt zijn bijdrage tot een van de hoogtepunten van deze uitgave.
Daardoor blijft uiteindelijk niet alleen de schoonheid van de afzonderlijke werken hangen, maar ook het grotere verhaal dat deze cd vertelt. Troll en Roemhildt blijken geen onbeduidende voetnoten in de schaduw van Bach, maar componisten met een eigen stem, een eigen idioom en een betekenisvolle plaats binnen de lutherse kerkmuziek van hun tijd.
Zal deze uitgave daarom de barokcanon herschrijven? Vermoedelijk niet. Maar dat hoeft ook niet. Haar waarde ligt juist in het zichtbaar – en hoorbaar – maken van de rijkdom die buiten de bekende namen verborgen bleef. Wanneer de laatste tonen van Troll verstommen, keert de gedachte onvermijdelijk terug naar dat afgesloten dakgebint in Großfahner, waar deze manuscripten eeuwenlang op hun herontdekking hebben gewacht. Als de honderden nog niet onderzochte bladzijden dezelfde kwaliteit bezitten als de muziek op deze opname, dan wachten daar wellicht nog vele stemmen die opnieuw gehoord willen worden. Laat deze indrukwekkende uitgave daarom niet alleen het resultaat zijn van een uitzonderlijke vondst, maar hopelijk ook het begin van een verdere muzikale herontdekking.




