Onze website is vernieuwd, geef zelf je evenementen in. Heb je een fout gezien. Mail ons!

Klassiek Centraal

  • Geboren met de sonatevorm: Medtners vroe...

Geboren met de sonatevorm: Medtners vroege sonates door Diego Petrella

onze nieuwsbrief

Elke donderdag houden we je de hoogte van het laatste nieuws, wedstrijden en concert tips. Schrijf je dus snel in op d enieuwsbrief en mis niets van Klassiek Centraal.

 

Er zijn componisten die zich pas na jaren van omzwervingen vinden, en er zijn er die, zoals Nikolaj Medtner (1880-1951), hun stem al bijna volwassen meebrengen op het moment dat ze voor het eerst spreken. Taneyev, zijn leermeester aan het Conservatorium van Moskou, zou ooit gezegd hebben dat Medtner “geboren was met de sonatevorm” – een uitspraak die na het beluisteren van deze nieuwe opname van Diego Petrella allerminst overdreven klinkt. In een tijd waarin het Russische muziekleven werd gedomineerd door de kleurrijke orkestrale verbeelding van Rimski-Korsakov, de dramatische werelden van Tsjaikovski en later de revolutionaire klanktaal van Skrjabin, koos Medtner voor een andere weg: die van de absolute muziek, geworteld in de klassieke vormen maar doordrongen van een uitgesproken Russische gevoelswereld. Da Vinci Classics brengt met Piano Sonatas I de Sonate in f mineur op. 5, de volledige Sonaten-Triade op. 11 en de Sonate in g mineur op. 22 samen: geen willekeurige bloemlezing, maar de kroniek van een roeping die zich in enkele jaren tijd voltrekt.

De eerste contouren van een meester

Wie Medtners Sonate in f mineur op. 5 voor het eerst hoort, merkt meteen dat hier geen debutant aan het werk is die zijn stem nog zoekt. De vier delen – ongewoon voor een componist die later juist de organische eenheid van de sonate zou verheerlijken – tonen een jonge Medtner die nog experimenteert met de klassieke meerledigheid, maar al een opmerkelijk gevoel bezit voor thematische ontwikkeling en innerlijke samenhang. Het openings-Allegro wringt zich door onrustige vragen die geen antwoord vinden, doorspekt met die galmende klokfiguren die zo eigen zijn aan de Russische verbeelding. Petrella weerstaat de verleiding om dit meteen te forceren tot climax; hij laat de spanning ademen, geeft de stiltes tussen de zinnen evenveel gewicht als de noten zelf.

Het daaropvolgende Intermezzo: Allegro brengt een andere zijde van Medtners persoonlijkheid naar voren: lichter van toets, beweeglijker en bijna speels, maar nooit zonder een onderliggende nervositeit. Petrella vindt hier precies de juiste toon tussen elegantie en innerlijke spanning; de virtuositeit blijft transparant en levendig, terwijl de donkere onderstromen van de muziek niet worden gladgestreken. In het Largo divoto, waar de muziek zich vervolgens plooit tot een soort sacrale sarabande, weet de pianist die koorachtige zwaarte te vinden zonder in devotie te verstarren – een evenwicht dat niet elke Medtner-vertolker beheerst. Hier klinkt Petrella bijzonder overtuigend: waar de muziek naar de stilte neigt, laat hij de klank uitdoven zonder haar spanning te verliezen; waar de melodie naar de keel grijpt, ontstaat de emotie niet door nadruk, maar door een diep begrip van de innerlijke beweging van de frase.

De Finale: Allegro risoluto vormt geen eenvoudige triomfantelijke ontknoping, maar een laatste krachtmeting waarin de energie van de openingsbeweging en de verstilde ernst van het Largo divoto samenkomen. Petrella kiest voor een resoluut maar nooit oppervlakkig slot: de ritmische kracht blijft verbonden met de dramatische lijn van het hele werk. Waar de muziek stormachtig moet worden, laat hij haar losbarsten; waar achter de virtuositeit twijfel en spanning blijven schuilgaan, houdt hij die voelbaar. Zo ontstaat geen demonstratie van pianistische beheersing, maar het portret van een jonge componist die al in zijn eerste gepubliceerde sonate een wereld van tegenstellingen weet te verenigen en in Petrella een vertolker gevonden heeft die deze vroege wereld met frisse blik en diep begrip opnieuw tot leven brengt.

Een altaarstuk in drie panelen

De Sonaten-Triade op. 11 is misschien wel het hart van deze schijf, en niet toevallig. Geïnspireerd door Goethes gedicht Aussöhnung wekken deze drie op zichzelf staande sonates – achter elkaar beluisterd – de indruk van drie panelen van eenzelfde altaarstuk. Verzoening – tussen strijd en rust, tussen duisternis en licht – vormt de verborgen dramaturgie van de cyclus, zowel poëtisch als muzikaal. Hier tast Medtner de grenzen van het pianistische vermogen voortdurend af, zonder dat de virtuositeit ooit loskomt van de expressieve noodzaak. De technische uitdagingen – de complexe polyfonie, de gelaagde ritmiek, de voortdurende wisselwerking tussen stemmen die elkaar aanvullen, tegenspreken en opnieuw vinden – zijn bij hem geen obstakels die overwonnen moeten worden, maar middelen waarmee een innerlijke wereld wordt onthuld.

Precies in die voortdurende wisselwerking tussen uiterlijke virtuositeit en innerlijke noodzaak ligt de uitdaging van deze cyclus. Petrella toont hier niet alleen een verbluffende technische beheersing, maar vooral het vermogen om elke moeilijkheid van de partituur ondergeschikt te maken aan de muzikale gedachte die erachter schuilgaat. Zijn spel bezit de helderheid om de vaak dichtgeweven contrapuntische architectuur van Medtner hoorbaar te maken, maar ook de vrijheid om de muziek te laten ademen en spreken. Nergens krijgt men het gevoel dat de pianist de technische obstakels van de partituur wil etaleren; integendeel, juist doordat alles zo vanzelfsprekend lijkt, wordt duidelijk hoeveel controle, inzicht en verbeeldingskracht achter deze interpretatie schuilgaan. De virtuositeit wordt bij Petrella nooit een doel op zich, maar een middel om de vele lagen van Medtners muzikale universum te ontsluiten.

De eerste sonate van de triade, in As majeur, opent met een bijna kinderlijke eenvoud die Petrella nooit naïef laat klinken – hier is de vreugde verdiend, niet gegeven. Onder de ogenschijnlijke helderheid voelt men steeds de herinnering aan de strijd die eraan voorafging; de pianist laat horen dat Medtners lyriek nooit oppervlakkig is, maar altijd gevoed wordt door een dieper bewustzijn van menselijke kwetsbaarheid. In de Sonate-Elegie in d mineur, het emotionele zwaartepunt van de triade, weet Petrella de schaduw van het Dies irae zo terughoudend in te kleuren dat ze meer een herinnering wordt dan een citaat. De donkere kleuren, de lange spanningsbogen en de verstilde momenten krijgen bij hem een natuurlijke intensiteit: nergens wordt de tragiek aangedikt, maar juist daardoor komt ze des te sterker binnen.

En de derde sonate, in C majeur, con passione innocente – een aanwijzing die weinig pianisten letterlijk durven nemen – klinkt bij Petrella werkelijk onschuldig, zonder ooit onnozel te worden. Ook hier overtuigt niet alleen de verbluffende vingervaardigheid waarmee de pianist de meest veeleisende passages beheerst, maar vooral de manier waarop hij achter elke noot een bedoeling laat horen. De virtuoze bewegingen krijgen iets van een spontane vreugde, alsof de muziek zichzelf ontdekt terwijl ze klinkt. Bij Petrella wordt deze slotsonate geen oppervlakkige bevrijding, maar het natuurlijke eindpunt van een muzikale weg waarop strijd, bezinning en vreugde uiteindelijk tot één geheel versmelten.

Naar de organische sonate

Met de Sonate in g mineur op. 22 kiest Medtner voor een ononderbroken muzikale boog waarin duisternis en licht, twijfel en overtuiging, verstilling en uitbarsting organisch uit elkaar lijken voort te vloeien. Dat juist deze sonate later zou uitgroeien tot Medtners meest gespeelde werk, hoeft nauwelijks te verbazen. Vanaf de donkere Tenebroso-opening lijkt de hele sonate al besloten te liggen in het openingsgebaar. Petrella laat die lange spanningsboog zich bijna organisch ontvouwen, alsof elke nieuwe gedachte onvermijdelijk voortvloeit uit wat eraan voorafging. Hij weigert de muziek op te delen in losse episoden, maar bewaakt voortdurend haar grote architectuur, waardoor de ononderbroken vorm haar volle overtuigingskracht behoudt. Zijn spel blijft daarbij opvallend helder: zelfs in de dichtst geschreven passages behouden de verschillende stemmen hun eigen contouren, zonder dat de natuurlijke stroom van de muziek ooit wordt onderbroken.

Aan die helderheid paart Petrella een feilloos gevoel voor dosering. Climaxen worden nooit voortijdig uitgespeeld of nadrukkelijk aangezet, maar groeien als vanzelf uit het voorafgaande materiaal. De donkere passages behouden hun dreigende intensiteit zonder zwaar te worden, terwijl de lyrische momenten juist daardoor des te meer licht uitstralen. Ook hier wordt Petrella’s indrukwekkende techniek nooit een doel op zich, maar een vanzelfsprekend middel om Medtners grote spanningslijn hoorbaar te maken. Deze sonate ontvouwt zich daardoor niet als een opeenvolging van indrukwekkende pianistische momenten, maar als één ademende muzikale gedachte die van de eerste tot de laatste maat haar innerlijke logica bewaart.

Een levende dialoog met Medtner

Diego Petrella is niet de voor de hand liggende naam voor dit repertoire. Opgeleid aan het Conservatorium van Milaan en artistiek gevormd door ontmoetingen met onder anderen Sylvano Bussotti en de experimentele tradities rond Fluxus, brengt hij een muzikale bagage mee die ver af lijkt te staan van Medtners laatromantische wereld. Net die ogenschijnlijke afstand tot Medtners wereld blijkt uiteindelijk de grootste kracht van deze opname. Petrella benadert deze muziek niet als een historisch monument dat eerbiedig moet worden gereconstrueerd, maar als een levende partituur die telkens opnieuw betekenis krijgt in het moment van uitvoeren. Daardoor blijft zijn interpretatie voortdurend in beweging: analytisch waar de structuur daarom vraagt, vrij waar de muziek ruimte nodig heeft, maar altijd trouw aan de organische ontwikkeling die Medtners sonates zo uniek maakt.

Of deze opname de gevestigde referenties – men denke aan Hamelin of Demidenko – van de troon zal stoten, is minder belangrijk dan de vraag welke plaats zij inneemt binnen de groeiende Medtner-discografie. Als eerste aflevering van een geplande integrale is dit vooral een veelbelovend visitekaartje. Petrella behandelt deze vroege sonates niet als jeugdwerken waarin de latere meester zich voorzichtig aankondigt, maar als volledig uitgewerkte muzikale werelden die elk een eigen karakter en dramaturgie bezitten. Daarmee laat Petrella overtuigend horen waarom deze sonates, en hun componist, een veel prominentere plaats in het grote pianorepertoire verdienen. Wie deze schijf beluistert, hoort niet alleen een jonge Medtner die zijn eigen taal al verrassend volledig spreekt, maar ook een pianist die die taal zo vanzelfsprekend tot klinken brengt dat zij nauwelijks nog als een historische curiositeit klinkt, maar als levende muziek die ons vandaag nog altijd iets wezenlijks te zeggen heeft.

 

 

Deze CD is te koop via jpc. Klik op de knop hierboven om deze aan te kopen en de artiest te steunen. Soms plaatsen we affiliate links op Klassiek Centraal, door via deze links te kopen steunt u ook Klassiek Centraal zonder dat het u extra kost. Maar u steunt wel onze werking.

Details:

Uitgevoerde werken:

Nikolai Medtner

Sonaten-Triade op. 11 (Sonaten As-Dur, d-moll “Sonata-Elegy”, C-Dur); Klaviersonaten f-moll op. 5 & g-moll op. 22

Label / Uitgever:

Referentie:

  • C01193

Barcode:

  • 746160920351

Datum opnames:

  • Mei 2025

Opname locatie:

  • Sala Musicale Giardino, Crema, Italië

Blijf op de hoogte

Elke donderdag sturen we een nieuwbrief met de meest recente berichten op onze website

– Advertentie –

nlNLdeDEenENfrFR