Er zijn platen die onbekende muziek presenteren als een curiositeit uit een archief, als een voetnoot uit een geschiedenisboek die toevallig opnieuw werd opgediept. En er zijn platen die je doen beseffen dat de muziekgeschiedenis een veel groter landschap omvat dan de namen die erin zijn blijven hangen. Toccata Classics behoort tot de labels die dat vergeten landschap met opvallende regelmaat opnieuw zichtbaar maken. Ook deze eerste aflevering van een reeks gewijd aan concerto’s uit de Kaukasus is meer dan een verzameling zeldzaam repertoire: ze opent een venster op een muzikale wereld waarin persoonlijke expressie, nationale identiteit en de complexe realiteit van het Sovjetcultuursysteem voortdurend met elkaar in gesprek waren.
De drie componisten op deze opname – de Georgiër Aleksi Machavariani (1913–1995) en de Azerbeidzjanen Azər Rzayev (1930–2015) en Rauf Gadjiev (1922–1995) – genoten tijdens hun leven aanzienlijke erkenning, maar verdwenen na het einde van de Sovjetperiode grotendeels uit het internationale concertleven. Dat zegt minder over de kwaliteit van hun muziek dan over de grillige mechanismen waarmee een muzikale canon ontstaat. Sommige namen blijven overeind, andere verdwijnen naar de achtergrond, niet omdat hun muziek minderwaardig zou zijn, maar omdat historische omstandigheden, politieke systemen en programmatische keuzes bepalen wat gehoord blijft worden.
Wie naar deze drie vioolconcerten luistert, merkt meteen dat ze geworteld zijn in de grote Russische orkestrale traditie. Er klinken echo’s van Chatsjatoerjan – zelf afkomstig uit de Kaukasische cultuurwereld – maar ook van de lyrische breedte van de Russische romantiek en de ritmische scherpte van Prokofjev. Toch zijn deze werken geen navolgingen. Achter de vertrouwde taal klinkt telkens een eigen stem: melodieën die de cadans van volksmuziek bewaren, ritmes waarin regionale tradities voelbaar blijven en orkestrale kleuren die een heel specifieke geografische achtergrond verraden.
De ontdekking van deze opname
Alle drie de concerten volgen de klassieke driedelige structuur – snel, traag, snel – maar het vioolconcerto van Aleksi Machavariani uit 1949 steekt er zonder twijfel bovenuit. Het is niet alleen het langste en meest uitgewerkte werk van de drie, het is ook het concerto waarin emotionele kracht, lyriek en culturele eigenheid het meest overtuigend samenkomen.
Vanaf de eerste maten wordt duidelijk waarom Karen Bentley Pollick zo’n overtuigende pleitbezorgster is voor dit repertoire. Ze laat de viool niet klinken als een virtuoos instrument dat zich boven het orkest plaatst, maar als een menselijke stem die een verhaal vertelt. In het openingsdeel beweegt ze moeiteloos tussen kwetsbaarheid en kracht: haar spel is lyrisch en zangerig wanneer de muziek zich opent, maar krijgt ook scherpte en vastberadenheid wanneer de dramatische spanning toeneemt. Samen met het orkest ontstaat geen strijd tussen solist en begeleiding, maar een echte dialoog waarin elke muzikale gedachte betekenis krijgt.
Het Andante sostenuto vormt vervolgens het emotionele hart van het concerto en is zonder twijfel de openbaring van deze cd. Hier toont Pollick haar grootste kwaliteit: het vermogen om een lange melodische lijn volledig natuurlijk te laten ademen. Haar warme, rijke toon draagt de melancholie van de muziek, maar vermijdt elke vorm van sentimentaliteit. De muziek krijgt daardoor iets van een stille herinnering, een moment van bezinning dat zich langzaam onder de huid nestelt. Het is precies in deze passages dat je begrijpt waarom dit concerto veel vaker op concertprogramma’s zou mogen staan: de combinatie van melodische schoonheid en menselijke expressie is onweerstaanbaar.
In het slotdeel toont Pollick opnieuw haar veelzijdigheid. Ze geeft de ritmische energie en volksmuzikale impulsen alle ruimte, zonder het werk te reduceren tot folkloristische kleur. Onder haar handen blijft ook dit deel onderdeel van een groter muzikaal verhaal, waarin traditie en persoonlijke expressie elkaar versterken.
Dankzij deze interpretatie verschijnt Machavariani niet als een historische curiositeit uit een vergeten Sovjetverleden, maar als een componist met een eigen stem. Het is vooral de manier waarop Pollick die stem opnieuw hoorbaar maakt, die van dit concerto de ware ontdekking van de opname maakt.
Verfijning en een andere volksaard
Het Eerste vioolconcerto van Azər Rzayev uit 1957 kiest een heel andere weg dan het werk van Machavariani. Waar die laatste breed uitwaaiert en grote emotionele bogen bouwt, is Rzayev compacter, nerveuzer en subtieler. Zijn muziek zoekt minder naar het grote gebaar en meer naar verfijnde spanningen: melodieën lijken voortdurend in beweging, alsof ze nooit helemaal tot rust komen.
Pollick weet precies hoe ze dat karakter moet benaderen. Ze kiest niet voor overdreven expressie, maar voor een spel waarin kleine kleurverschillen en dynamische nuances de betekenis dragen. Haar viool klinkt hier minder als een verteller van grote gebaren, maar als een instrument dat spanning en twijfel subtiel laat ontstaan. De soms onverwachte orkestrale uitbarstingen krijgen daardoor extra effect: ze ontstaan niet als uiterlijke contrasten, maar als momenten waarop de onderliggende spanning plots naar de oppervlakte komt.
Ook cultureel klinkt dit concerto anders dan dat van Machavariani. De Azerbeidzjaanse achtergrond van Rzayev heeft een eigen ritmische en melodische gevoeligheid, waardoor het programma meer wordt dan een eenvoudige verzameling Sovjetconcerten. Je hoort verschillende muzikale werelden naast elkaar: niet één uniforme Kaukasische stijl, maar componisten die elk vanuit hun eigen traditie een persoonlijke stem ontwikkelen.
Het is muziek die minder onmiddellijk overweldigt dan Machavariani, maar juist door haar subtiliteit blijft boeien. Dankzij de fijnzinnige interpretatie van Pollick ontvouwt het concerto zich langzaam en beloont het vooral de luisteraar die bereid is verder te luisteren dan een eerste indruk.
Ritme, kleur en verstilling
Rauf Gadjievs vioolconcerto uit 1952 is van de drie werken op deze opname het meest rechtstreeks verbonden met de muzikale tradities van zijn land. Dansritmes, uitgesproken accenten en melodische wendingen die herinneren aan de instrumentale volksmuziek van de regio geven het concerto een heel eigen kleur en karakter.
Maar Gadjiev blijft meer doen dan enkel muzikale folklore verwerken. Achter de ritmische levendigheid en de vaak energieke beweging schuilt een verrassende gevoeligheid. Vooral in het langzame deel ontstaat een sfeer van verstilling en melancholie, waarin de viool een warme, bijna menselijke gloed krijgt. Het is muziek die niet zozeer overweldigt door grote dramatische gebaren, maar die overtuigt door sfeer en authenticiteit.
Pollick voelt die balans uitstekend aan. Ze laat de ritmische impulsen spreken met soepelheid en vitaliteit, maar neemt ook de tijd voor de meer verstilde momenten. Haar warme toon geeft de lyrische passages een bijzondere intensiteit, waardoor de muziek meer wordt dan een kleurrijke verwijzing naar een regionale traditie.
Gadjievs concerto groeit daardoor uit tot een waardevolle afsluiting van het drieluik: een werk waarin volksmuzikale wortels, persoonlijke expressie en een gevoel voor melodische schoonheid op natuurlijke wijze samenkomen.
Bevlogen uitvoerders
Karen Bentley Pollick is zonder twijfel de grote kracht achter deze opname. Haar grootste verdienste is dat ze deze concerten niet behandelt als historische documenten, maar als levende muziek die haar plaats verdient binnen het vioolrepertoire. Haar spel verenigt technische beheersing met een warme, menselijke expressie, waardoor zowel de lyrische kracht als de culturele eigenheid van deze werken overtuigend naar voren komt.
Wat vooral opvalt, is haar gevoel voor karakter: ze weet wanneer de muziek moet zingen, wanneer ze moet terugtrekken en wanneer ritmische energie de boventoon mag voeren. Daardoor klinken deze drie totaal verschillende concerten niet als historische curiositeiten, maar als werken met een eigen persoonlijkheid en een duidelijke zeggingskracht.
Ook het Lithuanian National Symphony Orchestra onder leiding van John McLaughlin Williams levert meer dan een begeleidende rol. Williams kiest voor een heldere, transparante klank waarin de viool alle ruimte krijgt, maar verliest nooit de grotere architectuur van de werken uit het oog. Zijn aanpak vermijdt een zwaar monumentale Sovjetklank en legt juist de kleuren, ritmes en melodische lijnen bloot die deze muziek zo interessant maken.
In enkele snelle, volksmuzikaal geïnspireerde passages had het orkest misschien nog iets meer scherpte en ritmische gloed mogen tonen, maar dat is slechts een kleine kanttekening bij een uitvoering die vooral overtuigt door stijlgevoel, betrokkenheid en een duidelijk geloof in dit repertoire.
Een waardevolle herontdekking
De opnamekwaliteit ondersteunt de muzikale aanpak uitstekend. De klank is helder en ruimtelijk, met een natuurlijke balans tussen solist en orkest. De viool staat voldoende naar voren om de expressieve details te horen, maar blijft steeds onderdeel van het grotere geheel. Ook het uitgebreide cd-boekje, met aandacht voor leven, context en oeuvre van de drie componisten, beantwoordt volledig aan de reputatie van Toccata Classics als ontdekker van vergeten repertoire.
Concertos from the Caucasus herstelt geen droge voetnoot uit de muziekgeschiedenis, maar brengt een verloren hoofdstuk opnieuw tot leven. Deze muziek verdween niet omdat ze geen waarde had, maar omdat de geschiedenis soms selectiever luistert dan de muziek zelf verdient.
Wie houdt van vioolconcerten waarin virtuositeit, lyriek en culturele identiteit samenkomen, mag deze eerste aflevering van de reeks niet laten liggen. Deze opname bewijst vooral dat de muzikale kaart van de twintigste eeuw nog veel witte plekken bevat. Dankzij uitvoerders als Karen Bentley Pollick krijgen die vergeten landschappen opnieuw kleur. Met belangstelling mag worden uitgekeken naar het vervolg van deze reeks, want de Kaukasus blijkt opnieuw een veel rijker muzikaal landschap te herbergen dan de canon ons doorgaans laat vermoeden.




