Er bestaan koppelingen die louter praktisch zijn ingegeven – twee werken die toevallig op één schijf passen – en er bestaan koppelingen die een dramaturgisch argument voeren. Deze cd behoort onmiskenbaar tot die laatste categorie, en het argument is overtuigend: door het alomtegenwoordige e-mineur-concert van Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1847) te confronteren met het vroege, nog te zelden gespeelde d-mineur-concert, toont Elvin Hoxha Ganiyev twee werken van een en dezelfde componist op twee cruciale momenten van zijn ontwikkeling. Tussen 1822 en 1844 liggen niet toevallig tweeëntwintig jaar; in die periode ontwikkelt Mendelssohn zich van een componist met een uitgesproken klassieke basis tot een rijpe romantische stem. Die evolutie laat deze opname in nauwelijks eenenvijftig minuten opmerkelijk helder horen.
Het d-mineur-concert, geschreven toen Mendelssohn dertien was – in dezelfde periode waarin hij ook zijn twaalf strijkersymfonieën componeerde, alsof componeren voor deze jongen een tweede natuur was – draagt duidelijk sporen van zijn intensieve omgang met Bach. De motorische energie van het openingsdeel verraadt muziek die haar Sturm-und-Drang-erfenis niet verbergt, maar tegelijk, in het lyrische Andante, al een emotionele diepgang laat doorschemeren die pas twintig jaar later ten volle zal rijpen. Dat het werk na zijn ontstaan lange tijd buiten het concertrepertoire bleef en pas in de twintigste eeuw opnieuw sterk onder de aandacht kwam, mede dankzij Yehudi Menuhins uitvoering in 1951, blijft een merkwaardige episode uit de receptiegeschiedenis van de negentiende-eeuwse concertliteratuur. Des te verrassender is het dat dit concerto vandaag nog altijd zo zelden op de lessenaars verschijnt.
Het e-mineur-concert daarentegen is het product van een geheel andere werkwijze: geen jeugdige spontaniteit die in enkele weken op papier komt, maar een proces van jarenlange herziening en verfijning, gevoed door de nauwe samenwerking met Ferdinand David. Die andere ontstaanswijze hoor je: elke maat verraadt een componist die elk detail zorgvuldig heeft overwogen. De vernieuwingen die het werk tot een mijlpaal maken – de solo-inzet zonder orkestrale expositie, de cadens die niet aan het einde maar midden in de doorwerking opduikt, de naadloze overgangen tussen de delen – zijn inmiddels canoniek, maar ze verliezen daardoor niets van hun stoutmoedigheid, zeker niet wanneer ze zo helder worden voorgesteld als hier.
Wie is de solist die deze dubbele uitdaging aangaat? Elvin Hoxha Ganiyev (°1997), afkomstig uit een muzikale familie, geldt vandaag als een van de opvallendste jonge violisten van zijn generatie – niet in het minst omdat hij zelf al op zijn achtste als solist debuteerde, een vroegrijpheid die mooi aansluit bij het wonderkind dat Mendelssohn was toen hij het d-mineur-concert schreef. Zijn opleiding bij onder anderen Zakhar Bron en Krzysztof Węgrzyn, gecombineerd met een internationale concertpraktijk, verklaart de stilistische veelzijdigheid die deze opname kenmerkt. Hij bespeelt een zeldzame Guarneri filius Andreae uit 1715, met steun van de Haydar Aliyev Foundation – een instrument waarvan de warme, afgeronde toon op deze opname prachtig tot zijn recht komt.
Wat deze uitvoering onderscheidt van de ontelbare andere opnamen van het e-mineur-concert, is precies dat besef dat beide werken om een andere aanpak vragen. Ganiyev wijst er in het cd-boekje op dat het d-mineur-concert veel meer interpretatieve vrijheid biedt dan het latere werk, en die twee benaderingen zijn ook effectief hoorbaar. In het vroege concert laat hij zich ornamenten en rubati toe die de muziek een bijna geïmproviseerd elan geven, zonder ooit de classicistische helderheid geweld aan te doen; in het latere werk buigt hij zich gedisciplineerd naar de tekst, zonder dat de uitvoering ooit dor of academisch wordt. Veelzeggend is hoe hij de uitdaging van dit oververtrouwde werk omschrijft: hij moest, naar eigen zeggen, “stoppen met automatisch spelen” en zich telkens opnieuw afvragen wat hij hier eigenlijk wilde doen. Die zoektocht naar een persoonlijke maar tekstgerichte interpretatie is precies wat deze lezing van het e-mineur-concert weerhoudt van routine.
Ook de rol van het orkest verandert fundamenteel tussen beide werken – van een zuiver begeleidend strijkersapparaat in het d-mineur-concert naar een volwaardig symfonisch orkest in het latere werk. De Württembergische Philharmonie Reutlingen en Howard Griffiths tonen zich uitstekend opgewassen tegen die verschuiving. Griffiths bouwt met zijn orkest een klankwereld op die zich naadloos aanpast aan wat elk werk vergt – kamermuzikaal en beweeglijk in het vroege concert, kleurrijk en vol reliëf in het latere. Het orkest begeleidt niet louter, maar denkt voortdurend muzikaal mee: de balans met de solist blijft voorbeeldig, zonder dat de orkestrale partij aan karakter inboet. Precies die combinatie van dienstbaarheid en persoonlijkheid verdient een uitdrukkelijk compliment.
Ganiyevs toon – zoetgevooisd, zangerig, met een natuurlijke warmte die aan zijn Guarneri evenveel te danken is als aan zijn eigen muzikaliteit – vormt de rode draad doorheen beide werken. Het is een klank die zich even moeiteloos voegt naar de kinderlijke onbevangenheid van het d-mineur-concert als naar de rijpere, romantische retoriek van het latere werk, zonder ooit geforceerd te klinken. Vooral het folkloristisch getinte derde deel van het vroege concert krijgt daardoor een verrukkelijke lichtvoetigheid, terwijl het e-mineur-concert een ingetogen, doorleefde volwassenheid uitstraalt die nooit in sentimentaliteit vervalt.
Deze cd ontleent haar grootste bestaansrecht niet alleen aan een frisse lezing van het overbekende e-mineur-concert, maar vooral aan de moedige – en muzikaal volkomen te rechtvaardigen – keuze om het te koppelen aan zijn ten onrechte verwaarloosde jongere broer. Solist, dirigent en orkest trekken hier aan hetzelfde zeel, gedreven door eenzelfde overtuiging dat ook befaamd repertoire elke keer opnieuw kan – en moet – worden bevraagd. Deze opname werpt niet alleen een nieuw licht op het vertrouwde meesterwerk, maar maakt vooral duidelijk hoe boeiend het is om Mendelssohn te horen groeien van wonderkind tot volwassen meester.




