Er zijn festivals die zich met veel vertoon aandienen, en er zijn festivals die zich eerst laten wortelen in een stad voor ze haar met muziek vullen. Het Orfeo Music Festival koos voor dat laatste. Voor zijn tweeëntwintigste editie verruilde het zijn vertrouwde stek in Sterzing/Vipiteno voor het historische Brixen/Bressanone, en al na de eerste concerten bleek hoe vanzelfsprekend die keuze was. De barokke Kaisersaal van de Hofburg, de verstilde ruimtes van het Priesterseminarie en de Parzivalsaal van het Vinzentinum vormden niet louter een decor, maar zalen waarin kamermuziek als vanzelf haar plaats vond. De architectuur vroeg niet om bewondering; ze nodigde uit tot luisteren.
Wie tussen 8 en 14 juli een van die concerten bijwoonde, ontmoette een festival dat docenten, internationaal gerenommeerde gastmusici en studenten niet als afzonderlijke werelden presenteerde, maar als partners in één gezamenlijk muzikaal avontuur. Repetities, lessen en concerten vloeiden haast ongemerkt in elkaar over. Waar een masterclass elders gemakkelijk een pedagogische oefening blijft, groeide hier een artistieke dialoog waarin ervaring en jeugdig enthousiasme elkaar voortdurend versterkten. Niet de hiërarchie stond centraal, maar het samenspel.
Die benadering werd misschien nog het duidelijkst tijdens de studentenrecitals. Zij vormden veel meer dan een aanvulling op het avondprogramma. De concerten lieten horen hoe artistieke ontwikkeling in de praktijk gestalte krijgt. Voor sommigen betekende een optreden tijdens het festival een eerste podiumervaring; anderen traden al met opvallende maturiteit naar voren. Het publiek was daardoor niet alleen getuige van afgewerkte uitvoeringen, maar ook van een zicht- en hoorbaar groeiproces, waarin luisteren, experimenteren en samen musiceren even belangrijk waren als technische perfectie.
De volgende concertverslagen zijn geschreven vanuit de overtuiging dat een recensie meer mag zijn dan een chronologisch overzicht van uitgevoerde werken. Ze proberen niet alleen te beschrijven wat er gespeeld werd, maar vooral hoe interpretaties ontstonden, hoe musici met elkaar communiceerden en hoe ensembles zich in de loop van de festivalweek ontwikkelden. Voor dit verslag bezocht ik zowel enkele avondconcerten met docenten en gastmusici als recitalmomenten van de studenten. Samen schetsen zij een representatief beeld van een festival waar artistieke kwaliteit, opleiding en ontmoeting elkaar op een vanzelfsprekende manier versterken.
Wie alle concerten van begin tot einde volgde, zag bovendien hoe geleidelijk een duidelijke rode draad zichtbaar werd. Techniek bleek zelden een doel op zich, maar een middel om iets te zeggen. Luisteren bleek minstens even belangrijk als spreken, zowel tijdens de lessen als op het podium. Precies daarin lag de grootste kracht van deze eerste festivaleditie in Brixen: niet alleen in het hoge uitvoeringsniveau, maar vooral in de manier waarop jonge musici en ervaren kunstenaars samen een omgeving creëerden waarin artistieke groei, collegialiteit en muzikaal plezier elkaar voortdurend versterkten.
8 juli – Een avond van groei, verrassing en muzikaal samenspel
De eerste avond van de officiële concertreeks bevestigde meteen de indruk die het festival vanaf de eerste dag naliet. De docenten brachten in wisselende bezettingen een gevarieerd programma waarin niet alleen de muziek, maar ook het plezier van samen musiceren centraal stond. Het concept van de avondconcerten biedt de docenten de mogelijkheid om een breed en verrassend repertoire te brengen, waarbij verschillende stijlen en bezettingen elkaar afwisselen. Het resultaat is een programma dat niet alleen muzikaal interessant is, maar ook perfect past bij de warme, ongedwongen sfeer van een zomers muziekfestival.
De openingsavond bracht barok, romantiek en laatromantische lyriek samen in een programma waarin vooral het luisteren en het samenspel centraal stonden. Misschien moesten enkele combinaties van musici nog wat verder naar elkaar toegroeien, maar juist dat proces maakte de avond boeiend: tijdens de verschillende werken voelde je de muziek groeien en ontstond er steeds meer vanzelfsprekendheid tussen de spelers. Die geleidelijke ontwikkeling gaf de avond bovendien een heel menselijke en aangename dimensie.
Alvaro Gomez, vooral bekend als altviolist, opende met de Chaconne van Tomaso Vitali (1663–1745). Zijn interpretatie kende een natuurlijke ademhaling en een warme muzikaliteit. Dena Kay Jones bewees zich daarbij als een aandachtige en verfijnde partner aan de piano, steeds ondersteunend en meedenkend. In de Sonate BWV 1037 van Johann Sebastian Bach (1685–1750) ontstond vervolgens een mooi muzikaal gesprek tussen Routa Kroumovitch en Gomez, waarbij de pianopartij van Jones als een vanzelfsprekend derde perspectief mee kleur gaf aan het geheel.
Een aangename verrassing vormde Trio Jeng met werken van Richard Strauss (1864–1949) en Francesco Paolo Tosti (1846–1916). Vooral Tosti’s A vucchella wist te raken door zijn eenvoud, charme en warme directheid. Waar Strauss’ Morgen nog een grotere vocale beheersing, verfijnde dictie en meer bravoure vroeg, kreeg Tosti een spontane en natuurlijke vertolking waarin de intimiteit van het lied mooi bewaard bleef. De sopraan, samen met Haroutune Bedelian en Lorna Griffitt, liet horen hoe krachtig een eenvoudige muzikale lijn kan zijn wanneer ze met gevoel en overtuiging wordt gebracht.
Het grote artistieke moment van de avond kwam met Christian Bertoncello. Voor deze Zuid-Tiroolse cellist had het optreden iets van een thuiskomst, maar tegelijk ook van een sterke artistieke bevestiging. In de Sonate voor cello en piano, op. 19 van Sergei Rachmaninov (1873–1943) hield hij het publiek van begin tot einde in zijn greep. Zijn cello klonk met een bijzonder mooie, ideale toon: warm, diep en rijk aan kleur. De melancholie van het werk werd nooit overdreven, maar groeide rustig uit tot een indrukwekkende expressieve kracht. Lorna Griffitt volgde hem met grote gevoeligheid aan de piano en wist zowel de transparantie van kamermuziek als de volle klankwereld van Rachmaninov te laten horen.
De afsluiting met Tritsch-Tratsch-Polka van Johann Strauss II (1825–1899) en Tico-Tico no fubá van Zequinha de Abreu (1880–1935), gebracht door Anna Gliadkovskaya en Kirill Gliadkovsky aan de piano, zorgde voor een heerlijke verandering van sfeer. Het spelplezier spatte ervan af, al had de aanslag hier en daar nog iets zachter en verfijnder mogen zijn. De levendigheid en spontaniteit maakten van deze werken meer dan een toegift; ze vormden een vrolijke afsluiting van een avond waarop muzikale ernst en ontspanning hand in hand gingen. De onverwachte wissel van stoel tijdens Tico-Tico voegde daar nog een speels moment aan toe.
Globaal bood deze eerste avond een zeer afwisselend programma waarin voor iedereen iets te ontdekken viel. Precies dat maakt deze concertreeks zo geschikt voor een zomerse vakantieperiode: verrassende ontmoetingen, mooie muziek en vooral een sfeer waarin musici en publiek samen kunnen genieten van het maken én beleven van muziek. Hier en daar mocht de finesse nog wat verder groeien, maar juist dat vooruitzicht maakt de komende concerten extra boeiend. De warme, ongedwongen sfeer en het zichtbare plezier in het musiceren vormden alvast een bijzonder sterke start van het festival.
10 juli – Eerste stappen op het podium
Vanmiddag begon mijn festivaldag met het bijwonen van het studentenrecital, voor mij telkens weer een van de mooiste onderdelen van een muziekfestival. Als leraar weet ik hoeveel voorbereiding, spanning en doorzettingsvermogen schuilgaan achter de eerste stappen op een podium. Voor sommigen betekende dit zelfs hun allereerste publieke optreden, zo vertelde de festivalleiding me, wat aan de namiddag een extra dimensie gaf. Naast technische voorbereiding vroegen deze uitvoeringen immers ook de moed om zich kwetsbaar op te stellen en hun muziek met een publiek te delen.
Daardoor kreeg elke student de kans een eigen muzikaal verhaal te vertellen en verschillende stijlen en karakters te verkennen.
Anastasia Powell opende energiek met de sprankelende Sonatina van Aram Khachaturian (1903–1978), waarna Amy Graham in Reflets dans l’eau van Claude Debussy (1862–1918) een heel andere klankwereld opriep. Henry Canning liet in de Mazurka in F minor, op. 63 nr. 2 van Frédéric Chopin (1810–1849) en Debussy’s Rêverie horen hoe lyriek en verfijning elkaar kunnen aanvullen. Vooral zijn Debussy maakte op mij veel indruk en wist vanaf de eerste noot te overtuigen. Daarna zorgden Daniil Safin en Daria Powell met de speelse pianostukken van Catherine Rollin (°1952) voor een luchtige en jeugdige toets, waarbij het ritmisch klappen tijdens het spelen voor een extra speels effect zorgde. Hun enthousiasme werkte aanstekelijk en onderstreepte dat muziek maken ook plezier mag uitstralen.
Een bijzonder sfeervol moment volgde met Isabella Calhoun, die samen met pianist Howard Chen Porgi amor uit Le Nozze di Figaro van Wolfgang Amadeus Mozart (1756–1791) bracht. Haar warme stem kwam mooi tot haar recht en werd zorgvuldig ondersteund door haar pianist. Een bijzonder charmant detail was dat Trio Jeng samen met Samuel Aldana van deze aria een kleine enscenering had gemaakt. Daardoor kwam de scène niet alleen muzikaal, maar ook visueel tot leven.
Het recital werd verder verrijkt door diezelfde Samuel Aldana, die het eerste deel uit het Vioolconcerto van Felix Mendelssohn (1809–1847) speelde. Misschien was de intonatie nog niet altijd helemaal zeker, maar hij liet wel duidelijk een eigen visie op het werk horen. Claire Tu bewees zich daarbij als een zeer betrouwbare en meegaande pianopartner. De namiddag werd afgesloten door Daria Powell met drie delen uit Papillons van Robert Schumann (1810–1856), waarmee het programma op een elegante en karaktervolle manier werd afgerond.
Zoals bij een studentenrecital te verwachten valt, stond niet iedere uitvoering al op hetzelfde artistieke niveau. Dat hoeft ook niet. Juist de combinatie van eerste podiumervaringen, zichtbaar groeiend zelfvertrouwen en de bereidheid om zich muzikaal kwetsbaar op te stellen, maakte deze namiddag bijzonder waardevol. Als leraar kijk ik tijdens zo’n recital niet alleen naar het eindresultaat, maar vooral naar het groeiproces dat zich voor je ogen afspeelt. Het aandachtige en warme publiek gaf de studenten daarvoor alle ruimte. Precies dat maakt deze recitalmomenten tot een onmisbaar onderdeel van het festival.
10 juli – Virtuositeit in dienst van de muziek
Na een eerste festivalavond waarin vooral de dialoog tussen musici centraal stond, legde het docentenconcert met de titel Romantic Fire and Virtuosity de nadruk op individuele zeggingskracht. Toch werd ook hier opnieuw duidelijk dat virtuositeit nooit een doel op zich was. In het prachtige kader van de Kaisersaal – een historische zaal waar ook Mozart ooit musiceerde, tijdens een verblijf in Brixen in 1769 – kreeg de romantiek alle ruimte. Niet als een demonstratie van technische superioriteit, maar als een zoektocht naar kleur, karakter, verbeelding en dramatische spanning.
Het was bovendien een bijzonder uitdagende avond: de uitzonderlijk hoge temperaturen vormden een extra beproeving, maar leken de musici nauwelijks te beïnvloeden. Vanaf de eerste noten ontvouwde zich een afwisselend en veelzijdig programma dat tot de laatste noot bleef boeien. Elk werk kreeg een eigen karakter, en telkens opnieuw werd duidelijk hoeveel muzikale persoonlijkheden hier samenkwamen.
Anna Gliadkovskaya opende met Rondo capriccioso van Felix Mendelssohn Bartholdy (1809–1847), een werk dat gemakkelijk kan bezwijken onder zijn eigen briljantie. Zij vermeed echter elke vorm van oppervlakkige virtuositeit. De lichtheid en elegantie van het openingsdeel bleven volledig behouden, terwijl de virtuoze passages natuurlijk en beheerst werden opgebouwd. Haar spel bezat helderheid, verfijning en een groot gevoel voor stijl, waardoor Mendelssohns geraffineerde schrijfwijze voortdurend hoorbaar bleef.
Routa Kroumovitch koos vervolgens met Zapateado van Pablo de Sarasate (1844–1908) voor een totaal ander idioom. De Spaanse dansritmen kregen precies de scherpte, energie en het vuur die het werk vereisen, maar haar indrukwekkende linkerhandtechniek en trefzekere boogvoering werden nooit als een technische krachtmeting gepresenteerd. Integendeel: de moeilijkheden leken volledig op te gaan in het muzikale plezier en de natuurlijke beweging van de muziek. Dena Kay Jones ondersteunde haar met een pianopartij waarin ritmische precisie en een opmerkelijk gevoel voor balans samenkwamen.
Scott Allan Cohen bracht daarna Réminiscences de Norma van Franz Liszt (1811–1886), een monumentaal pianowerk waarin de wereld van de opera en de concertzaal elkaar ontmoeten. Hij koos niet voor louter uiterlijke grandeur, maar liet de melodieën uit Vincenzo Bellini’s (1801–1835) opera Norma ademen onder de rijke, soms overweldigende pianistische texturen van Liszt. Daardoor kreeg de uitvoering een sterke dramatische samenhang en werd het werk meer dan een virtuoze tour de force. Het was een van die momenten waarop technische beheersing volledig samenviel met muzikale verbeelding – een beklijvende ervaring die bij velen in de zaal een echte “wow”-indruk naliet.
Kirill Gliadkovsky sloot het eerste deel af met twee Études-tableaux uit opus 39 van Sergej Rachmaninov (1873–1943): nr. 2, vaak verbonden met de officieuze bijnaam De zee en de meeuwen, en nr. 6, dat door zijn verhalende karakter geregeld wordt geassocieerd met Roodkapje. Deze benamingen zijn niet afkomstig van Rachmaninov zelf, maar helpen wel om de sterk evocatieve sfeer van deze werken te begrijpen. Gliadkovsky zocht niet naar uiterlijk effect of louter pianistische kracht, maar naar de donkere, bijna orkestrale klankwereld achter deze muziek. De massieve akkoorden, complexe figuren en dramatische spanningsbogen bleven steeds verbonden met een groter muzikaal verhaal.
Na deze reeks solistische hoogtepunten werd opnieuw een andere kracht van het festival zichtbaar: het samenspel. Het Strijktrio in c, opus 9 nr. 3, van Ludwig van Beethoven (1770–1827) bracht Routa Kroumovitch, Alvaro Gomez en Christian Bertoncello samen in een uitvoering die uitblonk door homogeniteit, verfijnde communicatie en onderlinge luisterbereidheid. Geen van de drie musici probeerde de anderen te overheersen; elke frase leek logisch voort te komen uit wat de andere stemmen daarvoor hadden ingebracht.
Reeds in het openingsdeel, het Allegro con brio, viel de natuurlijke balans tussen energie en transparantie op. De dramatische kracht van Beethoven werd overtuigend neergezet, zonder dat de uitvoering zwaar of massief werd. De drie stemmen behielden hun eigen karakter, maar vormden tegelijkertijd een hecht muzikaal geheel waarin spanning en dialoog voortdurend aanwezig waren. De levendige uitwisseling van motieven kreeg een bijna converserend karakter: nu eens nam een stem het initiatief, dan weer ontstond er een subtiele reactie vanuit het ensemble.
De vriendelijke, soms zelfs speelse blikken tussen de musici toonden een ontspannen samenwerking, maar altijd met diep respect voor het eigen karakter en de eigen rol van elke stem. Het Adagio con espressione kreeg vervolgens een natuurlijke ademhaling en warme expressiviteit, terwijl het Scherzo zijn speelse venijn behield zonder scherp of overdreven geaccentueerd te worden. In het snelle Finale bleef de transparantie van Beethovens schrijfwijze opmerkelijk intact: complexiteit werd nooit zwaarte, maar bleef levendige muziek.
De afsluiting met delen uit de Sérénade voor strijkers van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840–1893) vormde een passende en elegante afronding. Met Haroutune Bedelian als tweede violist kreeg het ensemble een warme, homogene strijkersklank die vooral in de Élégie haar mooiste kleuren liet horen. De Wals bracht de avond tot een verfijnd slot, waarin melancholie en lichtheid voortdurend met elkaar in gesprek bleven.
Na deze tweede avond waren alle verwachtingen op muzikaal vlak volledig ingelost. Waar na het vorige concert nog een kleine terughoudendheid of twijfel mogelijk was, verdween die hier volledig. Mogelijk speelde de technische situatie van het eerdere optreden in het seminarie – met een minder overtuigende piano – daarin een rol, maar in de Kaisersaal kwam de volle kwaliteit van deze musici overtuigend naar voren.
Wat deze avond uiteindelijk zo bijzonder maakte, was de combinatie van individuele klasse en gezamenlijke muzikaliteit. Een warm applaus gold dan ook niet alleen de afzonderlijke prestaties, maar vooral de muzikale verbondenheid die als rode draad door het hele concert liep: inhoudelijke virtuositeit, persoonlijkheid zonder ego, en samenspel waarin luisteren even belangrijk was als spreken.
14 juli – Samen muziek maken als eindbestemming
De laatste dag van een festival is altijd een bijzonder moment. Niet alleen omdat een week van intens musiceren ten einde loopt, maar ook omdat dan pas echt zichtbaar wordt wat zo’n week heeft opgeleverd. Tijdens het studentenrecital in het Priesterseminarie lag de nadruk niet langer op individuele prestaties, maar op het samen musiceren in wisselende bezettingen. Waar aan het begin van de week de eerste kennismakingen nog hoorbaar waren, stonden nu ensembles op het podium die in enkele dagen tijd een opmerkelijke muzikale eenheid hadden opgebouwd.
Het programma was even gevarieerd als de samenstelling van de ensembles. Van Russische miniaturen over barok en klassieke kamermuziek tot volksmuziek, koorwerken en romantische strijkersliteratuur: iedere uitvoering vormde een nieuwe combinatie van stijlen én musici. Juist die afwisseling maakte het recital boeiend. Geen enkel werk duurde lang, maar elk bood een inkijk in een ander facet van het festival.
Andrew Dixon en Henry Canning openden met de Hélène Polka van Aleksandr Borodin (1833–1887) en de Italian Polka van Sergej Rachmaninov (1873–1943), twee werken waarin speelsheid, ritmische scherpte en onderlinge precisie centraal staan. Beide pianisten vonden snel een natuurlijke balans. De humor bleef licht, terwijl de virtuozere passages nooit ontaardden in een wedstrijd om volume of snelheid. Opvallend was bovendien de vanzelfsprekende collegialiteit tussen beide musici. In kleine gebaren vóór en na de uitvoering werd zichtbaar hoe een meer ervaren deelnemer een jongere collega ondersteunde – een eenvoudig, maar veelzeggend beeld van de sfeer die het festival kenmerkt.
Peter Jackson bracht vervolgens de Inventie in a klein van Johann Sebastian Bach (1685–1750). Na de uitbundigheid van de openingswerken vormde dit een moment van verstilling, waarin heldere articulatie en verzorgde stemvoering de muziek alle ruimte gaven. Daarna volgde een verrassende stijlwisseling. Kaytie Kear bracht haar eigen compositie Reversing Reflections, die zij zelf zong en aan de piano begeleidde. De persoonlijke, eigentijdse toon van het werk contrasteerde mooi met Die Lotusblume van Clara Schumann (1819–1896), waarin Isabella Calhoun een gevoelige en ingetogen interpretatie neerzette.
Met Tchaikovsky and the Other Russians van Kurt Weill (1900–1950) veranderde de sfeer opnieuw volledig. Kaytie Kear en Isabella Calhoun gaven de ironische tekst precies de juiste dosis theatrale flair, zonder de muziek te overladen met karikatuur. De Orfeo Festival Choristers ondersteunden hen met enthousiasme en zichtbaar plezier, terwijl Vera Watson de pianobegeleiding soepel en stijlbewust vormgaf. Onder de inspirerende leiding van Trio Jeng ontstond een luchtig intermezzo dat door het publiek zichtbaar werd gesmaakt.
Kevin Watson koos uit De Vier Jaargetijden van Antonio Vivaldi (1678–1741) het middendeel van Zomer, waarin de verstilde spanning van het Adagio abrupt wordt doorbroken door de onstuimigheid van het onweer. Na een enigszins voorzichtige inzet vond hij gaandeweg steeds meer rust en wist hij dat contrast overtuigend uit te spelen. Vera Watson bleek ook hier een alerte en gevoelige partner.
Het recital bouwde vervolgens organisch verder op die afwisseling van bezettingen en stijlen. Met het Andante uit het Pianotrio in G, KV 564, van Wolfgang Amadeus Mozart (1756–1791) brachten Samuel Aldana, Kristina Tu en Tana Smith een van de meest verfijnde momenten van de namiddag. De drie musici luisterden voortdurend naar elkaar en creëerden een natuurlijk ademende uitvoering waarin geen enkele stem de overhand probeerde te nemen. Juist in deze schijnbare eenvoud toont Mozart hoe moeilijk echte balans kan zijn.
Daarna begeleidde Howard Chen Isabella Calhoun in Liebeszauber van Clara Schumann (1819–1896) en Widmung van Robert Schumann (1810–1856). Hier vielen zijn kwaliteiten als pianist onmiddellijk op. Hij ademde mee met de zangeres, ondersteunde haar met grote gevoeligheid en bleef steeds in dienst van het muzikale geheel. Achteraf bezien vormde dit recital al een mooie voorafspiegeling van de onderscheiding die hij later die avond zou ontvangen.
Daarna volgde een bijzonder drieluik voor het Orfeo Festival Choir. Opvallend was dat ook instrumentalisten actief aan het koorwerk deelnamen, een mooie illustratie van de brede muzikale vorming die het festival nastreeft. Red Rose and Dead Rose van Louis Lavater (°1948), het Oostenrijkse volkslied Auf der Alma en het openingskoor uit het Stabat Mater van Giovanni Battista Pergolesi (1710–1736) lieten drie totaal verschillende klankwerelden horen. Onder leiding van Trio Jeng in de eerste twee werken en met begeleiding van een instrumentaal ensemble, samengesteld uit studenten en docenten onder leiding van Alvaro Gomez, schakelde het Orfeo Festival Choir moeiteloos tussen volksmuzikale eenvoud, eigentijdse koorklank en religieuze ingetogenheid. Daniil Safin ondersteunde het geheel met een sobere maar steeds dragende pianobegeleiding.
De afsluitende orkestwerken maakten nog eenmaal duidelijk hoeveel vooruitgang de deelnemers gedurende de week hadden geboekt. De Élégie uit de Sérénade voor strijkers van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840–1893) klonk warm en homogeen, met fraaie dynamische schakeringen en een breed gedragen melodische lijn. Dat vervolgens werd overgeschakeld naar Prelude en Gavotte uit Five Pieces van Dmitri Sjostakovitsj (1906–1975) onderstreepte nog eens de stilistische veelzijdigheid van het festival. Onder leiding van Alvaro Gomez behield het Orfeo Festival Ensemble een opmerkelijke samenhang. Opnieuw bleek hoe vanzelfsprekend docenten en studenten samen musiceren, terwijl Vera Watson de pianopartij met discretie en een fijn gevoel voor ensemble invulde.
Wat tijdens dit recital vooral opviel, was niet zozeer het individuele niveau – dat lag de hele week al hoog – maar de snelheid waarmee onbekende musici naar elkaar waren toegegroeid. In nauwelijks een week tijd ontstond een vanzelfsprekend samenspel waarin luisteren belangrijker werd dan imponeren. Het was niet alleen hoorbaar in de muzikale afwerking, maar ook zichtbaar op het podium: korte blikken, een glimlach, een subtiele ademhaling of een kleine beweging volstonden om elkaar te vinden. Dat vertrouwen gaf de uitvoeringen een natuurlijke levendigheid die zich niet laat instuderen.
Juist daarin ligt wellicht de grootste verdienste van het Orfeo Music Festival. Techniek en talent vormen het vertrekpunt, maar de uiteindelijke bestemming is samen muziek maken. Dit studentenrecital was daarvan misschien wel het mooiste bewijs. Het vormde een waardige afsluiting van een festivalweek waarin jonge musici niet alleen artistiek groeiden, maar ook ontdekten hoeveel muziek kan winnen wanneer individuele kwaliteiten samensmelten tot één gezamenlijke muzikale stem.
14 juli – Een natuurlijke bekroning
Een slotconcert draagt vaak het gevaar in zich dat het vooral een afscheid wil zijn: veel uitvoerders, veel applaus en een programma dat eerder optelt dan richting geeft. Het Orfeo Music Festival koos voor een andere benadering.
Na de uitreiking van de Cohen Family First Prize 2026 – de eerste toekenning van wat ongetwijfeld een nieuwe festivaltraditie zal worden – aan pianist Howard Chen volgde een muzikaal dankwoord. Met Étude opus 10 nr. 2 van Frédéric Chopin (1810–1849) demonstreerde hij niet alleen een indrukwekkende technische beheersing, maar vooral een opmerkelijke muzikale intelligentie. Net als eerder tijdens het studentenrecital viel zijn instinctieve gevoel voor frasering en samenwerking op. De onderscheiding leek dan ook meer dan verdiend. Het Orfeo Music Festival wil een springplank zijn voor jong talent. Howard Chen maakte alleszins de indruk van een musicus van wie we ongetwijfeld nog zullen horen.
Als korte ouverture van het eigenlijke programma – Orfeo Grand Finale – brachten Routa Kroumovitch en Alvaro Gomez de Sonate opus 3 nr. 5 van Jean-Marie Leclair (1697–1764). Hun samenspel viel meteen op door zijn stilistische verfijning en elegante articulatie. De barokke dialoog tussen beide violen werd helder uitgewerkt en vormde een elegante opening van een zorgvuldig opgebouwd programma.
Daarna brachten Routa Kroumovitch en Dena Kay Jones Introduction et Rondo capriccioso, opus 28, van Camille Saint-Saëns (1835–1921), een werk waarin elegantie en bravoure voortdurend om voorrang strijden. Kroumovitch liet de ingetogen melancholie van de inleiding organisch overgaan in de onweerstaanbare vaart van het rondo. Haar spel bleef daarbij opmerkelijk transparant; de virtuositeit leek nooit belangrijker dan de melodische lijn. Jones bewees opnieuw hoe vanzelfsprekend zij zich aan haar solist aanpast. Haar pianospel ondersteunde, kleurde en reageerde zonder ooit de aandacht op te eisen.
Het vocale gedeelte van de avond werd gedragen door de Russische bariton Yury Kopyrin, die samen met Dena Kay Jones een recital bracht dat zich bewoog tussen Italiaanse belcanto en Russische romantiek. Zijn warme, kernachtige bariton bleek moeiteloos verschillende stijlen te kunnen dragen. Dat Kopyrin pas negentien jaar oud was, maakte zijn optreden des te opmerkelijker. Hij beschikt niet alleen over een opvallend rijpe stem, maar ook over een podiumprésence en tekstbehandeling die eerder aan een veel ervaren zanger doen denken.
Hij opende met Vergin, tutto amor van Francesco Durante (1684–1755), waarin hij koos voor een ingetogen, bijna meditatieve benadering. Vervolgens bracht hij Durantes bekende Danza, danza, fanciulla gentile met een lichte elegantie die het karakter van het lied volledig tot zijn recht liet komen.
Daarna verschoof de sfeer naar de Russische romantiek met None but the Lonely Heart en I’d Like to Merge into a Single Word van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840–1893). Vooral None but the Lonely Heart, subtiel ondersteund door de celloklank van Kristina Tu, vormde een emotioneel hoogtepunt van de avond. De toevoeging van de cello gaf het lied een extra melancholische diepte, waardoor de intimiteit van de zang nog sterker werd benadrukt. Ook I am in Love with You van Aleksandr Dargomyzjski (1813–1869) paste naadloos in die lijn van fijnzinnige expressie.
Als instrumentaal intermezzo bracht Kirill Gliadkovsky een beklijvende uitvoering van Prelude in cis klein, opus 3 nr. 2, van Sergej Rachmaninov (1873–1943). Het werk behoort tot de bekendste pianostukken uit het repertoire en wordt zo vaak uitgevoerd dat het gemakkelijk zijn verrassingseffect verliest. Gliadkovsky koos echter voor een beheerste spanningsopbouw, waarin de monumentale akkoorden geleidelijk uitgroeiden zonder de lyrische onderstroom uit het oog te verliezen. Zo werd de prelude geen losstaand virtuoos moment, maar een natuurlijk scharnierpunt binnen het recital.
In het slotgedeelte van het liedprogramma kregen verschillende Europese liedtradities opnieuw een plaats. Widmung van Robert Schumann (1810–1856) klonk warm en lyrisch, terwijl La serenata en Malia van Francesco Paolo Tosti (1846–1916) een elegante, bijna salonachtige charme behielden zonder oppervlakkig te worden. Met Musica proibita van Stanislao Gastaldon (1861–1939) besloot Kopyrin zijn recital op overtuigende wijze. Ook hier overtuigde hij minder door vocaal vertoon dan door zijn natuurlijke zeggingskracht, een kwaliteit die het publiek zichtbaar wist te waarderen. Met La donna russa uit Fedora van Umberto Giordano (1867–1948) kreeg Kopyrin ten slotte nog de gelegenheid zijn operakwaliteiten te tonen. Zonder de intimiteit van het voorafgaande liedrepertoire los te laten, gaf hij de aria de dramatische spanning en vocale allure die zij vraagt. Zo vormde zij een overtuigende afsluiting van een recital waarin muzikale zeggingskracht voortdurend belangrijker bleef dan vocaal effectbejag.
Wat deze slotavond uiteindelijk zo overtuigend maakte, was niet de omvang van het programma, maar de concentratie waarmee iedere uitvoering werd gebracht. De verschillende stijlen – van barok over romantiek tot laatromantisch lied – vormden geen losse opeenvolging, maar een organisch geheel. Daarmee sloot ook dit laatste concert naadloos aan bij de geest van het festival: technische beheersing stond steeds in dienst van muzikale expressie en ervaren docenten vonden vanzelfsprekend de dialoog met jonge musici.
Het langdurige applaus waarmee de avond werd besloten, gold niet alleen de uitvoerders van dit slotconcert, maar de hele festivalweek. Wie de concerten van begin tot einde had gevolgd, had jonge musici zien uitgroeien tot overtuigende ensemblepartners, begeleid door docenten die hun ervaring genereus deelden en tegelijk ruimte lieten voor de eigen muzikale persoonlijkheid van hun studenten. Daarmee vormde deze Grand Finale geen spectaculair eindpunt, maar de vanzelfsprekende bekroning van een week waarin luisteren, samenspel en muzikale nieuwsgierigheid steeds centraal hadden gestaan.
Slotbeschouwing
Tijdens de vijf concerten die ik bijwoonde, ontvouwde het Orfeo Music Festival zich geleidelijk als veel meer dan een reeks afzonderlijke concerten. Van de eerste noten in het Priesterseminarie tot de Grand Finale in de Kaisersaal ontvouwde zich een festival dat niet uitblonk door spektakel, maar door de zorg waarmee programma’s, musici en locaties op elkaar waren afgestemd. De historische ruimtes van Brixen vormden daarbij geen decoratieve achtergrond, maar een wezenlijk onderdeel van de luisterervaring. Iedere zaal gaf de muziek een eigen karakter, zonder ooit de aandacht van haar af te leiden.
Wat gedurende de hele week misschien nog het meest opviel, was de vanzelfsprekendheid waarmee ervaren musici en jonge deelnemers samen muziek maakten. Docenten bleven niet op afstand als onbereikbare voorbeelden, maar namen actief deel aan het muzikale proces, zowel op het podium als daarbuiten. Studenten kregen tegelijk de ruimte om verantwoordelijkheid op te nemen, risico’s te nemen en zich artistiek te ontwikkelen. Daardoor vervaagde het onderscheid tussen les en concert, tussen opleiding en uitvoering. Luisteren bleek daarbij minstens even belangrijk als spreken.
Die houding vormde de echte rode draad van het festival. Kunnen bleef zelden een doel op zich, maar stond consequent ten dienste van de muziek. Of het nu ging om een solorecital, een liedprogramma, een kamermuziekbezetting of een studentenensemble: telkens stond de dialoog centraal. Juist daardoor bleven niet alleen enkele uitzonderlijke uitvoeringen hangen, maar vooral het beeld van een muzikale gemeenschap waarin ervaring, nieuwsgierigheid en wederzijds vertrouwen elkaar voortdurend versterkten.
Het Alpenlandschap rond Brixen leverde het decor; de musici gaven het festival zijn betekenis. Als deze eerste editie in Brixen richtinggevend is voor de toekomst, dan heeft het Orfeo Music Festival niet alleen een nieuwe locatie gevonden, maar ook een nieuwe thuisbasis. Meer nog dan een reeks geslaagde concerten liet deze festivalweek zien hoe muziek mensen met uiteenlopende achtergronden, leeftijden en ervaringen kan samenbrengen. Misschien is dat uiteindelijk de grootste verdienste van het Orfeo Music Festival.











