Met Roméo et Juliette creëerde Hector Berlioz (1803-1869) in 1839 een werk dat zich hardnekkig aan elke categorie onttrekt. Geen opera, hoewel Shakespeare alomtegenwoordig is. Geen oratorium, ondanks de prominente rol voor koor en solisten. En evenmin een klassieke symfonie, al noemde de componist het zelf een symphonie dramatique. Berlioz was na een opvoering van Romeo and Juliet in Parijs – met de Ierse actrice Harriet Smithson als Juliette – dermate geobsedeerd geraakt door Shakespeare dat hij in deze partituur zijn meest persoonlijke muzikale universum schiep. Ironisch genoeg zou Smithson later zijn echtgenote worden, terwijl hun huwelijk even turbulent verliep als dat van Shakespeares geliefden noodlottig eindigde.
Die grillige mengvorm van symfonische poëzie, theatrale verbeelding en vocale dramatiek maakt Roméo et Juliette tot een van Berlioz’ meest visionaire werken. Wagner noemde het later een openbaring. Terecht, want de Franse componist trekt hier de symfonie open tot een haast cinematografische ervaring, waarin kleuren, contrasten en emoties elkaar voortdurend verdringen. De twee hoofdpersonages worden daarin nooit gezongen maar uitgebeeld door het orkest zelf – omdat woorden volgens de componist simpelweg tekortschoten. Drie solisten en twee koren omringen hen als getuigen en commentatoren.
Een actuele lezing van Shakespeare
Dat precies deze partituur nu door het Antwerp Symphony Orchestra op de lessenaars werd gelegd, voelde als een gedurfde maar logische keuze. In een scenische lezing van regisseur Aïda Gabriëls kreeg het werk bovendien een extra theatrale dimensie, zonder dat de muziek zelf naar de achtergrond verdween. Gabriëls is in eigen land bekend van transdisciplinaire projecten die ze maakt als huisartiest van Muziektheater Transparant. Haar benadering vertrok vanuit de ambiguïteit die Berlioz zelf had gecreëerd: in een mise-en-espace die de concertzaal nadrukkelijk als theatraal kader benut, plaatste ze de massa – koor, orkest, zangers – als een collectief lichaam waaruit individuen slechts moeizaam oprijzen. Schrijver Dominique De Groen voegde nieuwe teksten toe die niet gezongen maar via projectie leesbaar waren als innerlijke stemmen uit de massa. Gabriëls zocht voortdurend naar de actualiteitswaarde van het verhaal: haat, polarisatie en verzoening waren geen abstracte begrippen, maar voelbare maatschappelijke spanningen. Hebben we conflict of geweld nodig om een gemeenschappelijke grond te vinden, is de centrale vraag zowel bij haar als bij Berlioz.
De videoprojecties trokken het verhaal daarbij open naar een bredere maatschappelijke context. Verwijzingen naar collectieve fenomenen, gaande van voetbalmassa’s tot beelden die aan maffiafilms deden denken, maakten de tweespalt tussen de twee families herkenbaar voor een hedendaags publiek. Niet elke projectie was even noodzakelijk en de herhaling van bepaalde beelden werkte soms eerder afleidend, maar enkele momenten waren visueel bijzonder sterk, zoals de sterfscènes (uit gekende producties en films) en de slotbeelden waarin dirigent en orkest als een wazige, haast droomachtige projectie verschenen.
Een invaller met autoriteit
Die avond stond echter Cornelius Meister centraal, last minute ingevallen voor de zieke Dima Slobodeniouk. Als Generalmusikdirektor van de Staatsoper Stuttgart en graag geziene gast in de grote operahuizen sprong hij in met een bewonderenswaardige vanzelfsprekendheid. Hij begreep dat Berlioz vooral nood heeft aan ademruimte en transparantie: geen logge romantische bombast, maar een flexibele spanningsopbouw waarin elke orkestrale kleur betekenis kreeg. Berlioz werd hier niet benaderd als een componist van louter romantische erupties, maar als een meester van kleur en architectuur. Meister liet de lange instrumentale bogen ademen, zonder ooit de dramatische puls te verliezen. Meteen in de turbulente openingspassages werd duidelijk hoe trefzeker hij de architectuur van het werk bewaakte. Dat hij deze complexe partituur op het allerlaatste moment overnam, maakte de prestatie des te indrukwekkender. Meister dirigeerde met een aanstekelijke gedrevenheid en zichtbaar engagement, alsof hij het werk al jarenlang in de vingers had. Onder zijn leiding kreeg de uitvoering een bijzonder overtuigende lezing. We hopen hem nog vaak in Antwerpen op de bok te zien.
Het ASO antwoordde met een uitvoering die zowel technisch verzorgd als emotioneel geladen klonk. De strijkers vonden moeiteloos hun weg tussen etherische zachtheid en messcherpe dramatiek, en excelleerden in Berlioz’ eindeloze schakeringen tussen verstilling en eruptie. In de beroemde liefdesscène – puur instrumentaal gehouden, omdat de componist de menselijke stem er te grof voor vond – ontstond een bijna hallucinerende schoonheid: Meister bracht de melodische lijnen indringend zonder sentimenteel te worden, met een bijna Mahleriaanse gloed in het orkest. De houtblazers gaven de partituur die typisch Berlioziaanse nervositeit, terwijl het koper nooit gratuit spectaculair klonk, maar precies de heroïsche grandeur bood die deze muziek vereist. De schurende passages tussen de Capulets en de Montagues kregen een rauwe energie die akelig actueel aanvoelde. Berlioz’ orkestrale fantasie – soms visionair vooruitwijzend naar Wagner en zelfs Debussy – kwam hier volledig tot haar recht. Alle secties van het orkest leverden daarbij prestaties van hoog niveau, wat deze uitvoering ook puur orkestraal tot een van de sterkste ASO-avonden van het seizoen maakte.
Koor en ruimte als dramatisch principe
Berlioz schreef zijn koren niet als decoratief ornament maar als een dramatische motor. Het Octopus Symfonisch Koor bewees zich daarin een uitstekende partner: compact van klank, ritmisch alert en met voldoende tekstexpressie om de complexe en grillige passages overtuigend te dragen. Ook het Laurens Collegium functioneerde naadloos binnen het tweekorige geheel, waarbij Gabriëls de tegenstelling tussen de twee families niet alleen muzikaal maar ook visueel gestalte gaf. Haar mise-en-espace speelde bovendien inventief met de zaalruimte en leverde daarbij opvallende akoestische effecten op. Een kleiner zangersensemble zette plotseling vanuit het midden van de parterre in, vulde de zaal meteen met klank en nam vervolgens op en voor het podium een rol als loepzuivere commentaarstem op zich. Wanneer de solisten vanaf het eerste balkon zongen, verwees dat bovendien subtiel naar Shakespeares iconische balkonscène. Het geleidelijk zichtbaar worden van het voltallige koor achter een transparant doek versterkte de spanningsopbouw zonder de aandacht van de muziek af te leiden. Het slotbeeld, waarin beide koren eerst als vijandige kampen tegenover elkaar stonden om uiteindelijk dezelfde lijn te vormen, gaf de verzoeningsgedachte een eenvoudige maar krachtige theatrale vertaling. Het waren vaak kleine ingrepen, maar net die doordachte details maakten het scenische concept bijzonder overtuigend.
De solisten vormden een homogeen ensemble. Kai Rüütel-Pajula imponeerde met een warme, rijk genuanceerde mezzoklank en een vanzelfsprekende expressiviteit die meteen kleur gaf aan haar bijdrage. Bryan Register overtuigde met een heldere tenor, flexibel in frasering en met voldoende dramatische scherpte om de spanning vast te houden. Nahuel Di Pierro gaf als pater Laurence met zijn diepe, sonore bas een rustige autoriteit aan het geheel en zorgde zo voor precies de nodige menselijke en morele diepgang binnen het ensemble.
Tussen reflectie en muziek
De scenische ingrepen van Gabriëls waren niet allemaal even noodzakelijk – de conceptuele laag van De Groens teksten lag soms wat nadrukkelijk op de voorgrond – maar ze verstoorden zelden de muzikale spanningsboog en behoedden het werk voor een louter museale benadering. De geprojecteerde vertalingen van Berlioz’ Franse teksten vormden daarbij een duidelijke meerwaarde, omdat ze het publiek toelieten het verhaal en de dramaturgische ontwikkeling nauwgezet te volgen. De bijkomende reflectieteksten tijdens de langere orkestpassages waren inhoudelijk interessant en sloten aan bij de thematiek, al vroegen ze soms zoveel aandacht dat de focus tijdelijk van de muziek werd weggetrokken. Die spanning tussen concept en muziek was af en toe merkbaar, maar bleef ondergeschikt aan de sterke muzikale en theatrale impact van de uitvoering.
Een werk dat blijft raken
Wat deze uitvoering uiteindelijk overtuigend maakte, was de vanzelfsprekendheid waarmee muziek en drama samenvielen. Berlioz’ partituur klonk hier niet als een historisch curiosum, maar als een levend, ademend werk vol gevaarlijke schoonheid. Meer dan anderhalve eeuw na de creatie blijft Roméo et Juliette een compositie die haar publiek meesleept tussen extase en ondergang. Gabriëls en Meister legden die wonde genadeloos bloot, zonder de zinnelijke schoonheid van de muziek op te offeren. Zo werd deze uitvoering niet alleen het beloofde feest voor oog en oor, maar ook een confronterende spiegel van een tijdperk waarin verzoening opnieuw een moeizaam begrip is geworden. Het aanhoudende applaus sprak voor zich. Het Antwerp Symphony Orchestra verdient alle lof voor het programmeren van deze zelden uitgevoerde partituur in haar volledige omvang én voor de keuze om haar via een doordachte mise-en-espace nieuw leven in te blazen. Het resultaat was een uitvoering die zowel muzikaal als theatraal diep indruk maakte.





