Onze website is vernieuwd, geef zelf je evenementen in. Heb je een fout gezien. Mail ons!

Klassiek Centraal

Iberische schaduwen en hemelse architectuur – Melpomene overtuigt met Mors et Vita

Het gebeurt niet vaak dat een concertprogramma tegelijk musicologisch doordacht is én naadloos samensmelt met de ruimte waarin het weerklinkt. Met Mors et Vita bracht het koor Melpomene, onder leiding van Jan Melaerts, een beklijvende hommage aan de zestiende-eeuwse polyfonie in de Sint-Bartholomeuskerk te Merksem. Daarbij vervaagde op zaterdag 9 mei de grens tussen Iberische expressie en Vlaamse contrapuntische verfijning op organische wijze. Centraal stond Pedro Rimonte (1565-1627), de Spaanse kapelmeester wiens missen in het Antwerpen van Phalesius werden uitgegeven – een mooi voorbeeld van hoe muziek in die tijd vrij door Europa reisde en stijlen zich moeiteloos vermengden.

Wie een concert van Melpomene bijwoont, weet bovendien dat er telkens meer op het programma staat dan een loutere uitvoering. Melaerts zoekt met hoorbare passie naar vergeten repertoire en verborgen parels die zelden nog live te horen zijn. Zijn ensemble – een hechte groep zangers van wie velen al jarenlang samen musiceren – werpt zich telkens opnieuw met grote overgave op deze muziek, en precies die combinatie van musicologisch inzicht en zichtbaar engagement gaf ook deze avond haar bijzondere intensiteit.

De opening met Parce mihi, Domine van Pedro de Cristo (ca. 1540-1618) zette meteen de juiste sfeer neer. Het ingetogen achtstemmige werk werd sereen en transparant gebracht en werkte haast als een muzikale overgang van de drukte van de dag naar een staat van verstilling. De sobere smeekbede uit het boek Job kreeg een opvallend menselijke klank: geen groot drama, maar een ingehouden, bijna breekbare vorm van rouw. De stemmen kwamen trefzeker binnen, met een bijna ascetische zuiverheid in de intonatie, terwijl de lange fraseringen hun spanning moeiteloos behielden.

Daarna volgde de integrale uitvoering van de Missa pro defunctis van Pedro Rimonte. Op papier lijkt een requiem in de maand mei misschien een merkwaardige keuze, maar deze muziek ademt allesbehalve treurnis. Rimonte schreef geen requiem vol dreiging en duisternis, maar een dodenmis waarin warmte en troost overheersen. De uitvoering benadrukte die opmerkelijke levenskracht, met een koorklank die voortdurend bleef ademen en bewegen. Dat het concert bovendien baadde in het laatste avondlicht, versterkte het gevoel dat deze muziek eerder troost en glans uitstraalt dan zwaarte.

De koorklank bleef homogeen over alle stemgroepen heen. Melaerts koos voor dynamische bogen eerder dan voor uitgesproken contrasten, wat de liturgische ernst van het werk ten goede kwam. Opvallend was opnieuw de rol van het Melisma Gamba-Consort, dat de vocale lijnen ondersteunde met een warme, bijna orgelachtige sonoriteit. De instrumenten ademden mee met het koor en fungeerden niet louter als begeleiding, maar als een verlengstuk van de polyfone textuur.

Na het requiem sloeg plots een trom, waarna een instrumentaal intermezzo met de gamba’s de sfeer subtiel deed kantelen. Het vormde een ideale voorbereiding op het daaropvolgende In Paradisum uit de Missa pro defunctis van Juan Esquivel de Barahona (ca. 1560-1626), dat door koor en instrumentalisten bijzonder indringend werd uitgevoerd. Waar Rimontes mis nog in het teken stond van afscheid, leek hier muzikaal daadwerkelijk een poort naar het paradijs open te gaan. Vooral de transparantie van de bovenstemmen viel op: licht gedragen en haast zwevend boven de harmonische bedding. Hopelijk brengt Melpomene ook eens deze dodenmis integraal, want dit smaakte naar meer.

Na de pauze verschoof het perspectief van dood naar verrijzenis en licht, met een reeks Maria-antifonen en -motetten – een logische keuze in de meimaand, al vormde de combinatie met de dodenliturgie uit het eerste deel aanvankelijk een verrassende programmatorische sprong. Toch bleek de overgang inhoudelijk coherent: Maria als “advocata nostra”, als bemiddelaar tussen aarde en hemel.

Het motet O quam fulges in aetheris van Jean Mouton (ca. 1459-1522) klonk verzorgd en helder opgebouwd, al bleef het compositorisch eerder academisch en emotioneel iets afstandelijker. Na het door de mannenstemmen gezongen gregoriaanse Regina caeli volgde een meerstemmige zetting van Diego Ortiz (ca. 1500-ca. 1570), uitgevoerd door zeven solisten en begeleid door het gambaconsort. Hier ontvouwde zich een boeiende spanningsboog: vanuit de sobere gregoriaanse contouren groeide de muziek naar een meer ritmische en bijna dansante vitaliteit, alsof de ingetogenheid van het eerste deel van het concert langzaam plaatsmaakte voor licht en beweging. De lieflijke zachtheid van het werk maakte bovendien nieuwsgierig naar meer repertoire van deze componist. In de uitvoering voelde de solistische bezetting hier wel iets kwetsbaarder aan; een dubbele bezetting per stem had mogelijk nog meer draagkracht en stabiliteit gegeven.

Het absolute hoogtepunt van de avond volgde met het monumentale twaalfstemmige Regina caeli van Nicolaas Gombert (ca. 1500-1556). Tegen dan was het zonlicht verdwenen, maar de muziek zelf begon te stralen. Gomberts polyfonie ontvouwt zich als een rijk geweven tapijt zonder duidelijke begin- of eindpunten, waarin stemmen voortdurend in elkaar overvloeien. Hier bewees Melpomene zijn maturiteit: ondanks de complexe weefstructuur bleef alles opmerkelijk transparant. De zorgvuldige plaatsing van de zangers in de ruimte liet de antifonale effecten prachtig tot hun recht komen zonder dat stemmen elkaar ooit overvleugelden.

Melaerts leidde zijn ensemble zoals steeds met een beheerste, fijnzinnige directie. Zijn gebaren zijn economisch maar uiterst functioneel: inzetten blijven duidelijk, ademmomenten natuurlijk en de tekstbehandeling verraadt een diep begrip van de Latijnse prosodie. Zijn jarenlange ervaring vertaalt zich in een ensemble dat niet alleen technisch betrouwbaar zingt, maar ook flexibel reageert op ruimte en akoestiek.

Maar Melaerts zou Melaerts niet zijn zonder nog een onverwachte wending aan het slot. Met Zagaleja de lo verde van Juan Vásquez (ca. 1500-ca. 1560) kreeg de avond een speelse, bijna theatrale afsluiter. Trom, blokfluit, vier solisten en een zichtbaar genietend koor brachten plots kleur en beweging na alle contemplatie. Het leven stapte als het ware opnieuw binnen. Het koor liet hier een heel andere klank horen: lichter, ritmischer en haast dansend.

Met Mors et Vita bevestigde Melpomene opnieuw dat renaissancemuziek geen museumrepertoire hoeft te zijn, maar levend erfgoed blijft wanneer het met kennis, verbeelding en hoorbare bezieling wordt uitgevoerd. Dankzij Melaerts en zijn geëngageerde zangers ontdekte het publiek andermaal werken die zelden klinken, maar die het zonder twijfel verdienen om blijvend gehoord te worden.

Details:

Titel:

  • Iberische schaduwen en hemelse architectuur – Melpomene overtuigt met Mors et Vita

Wie:

  • Melpomene
    Melisma Gamba-Consort
    o.l.v. Jan Melaerts

Waar:

  • Sint-Bartholomeuskerk, Merksem

Wanneer:

  • 9 mei 2026

Blijf op de hoogte

Elke donderdag sturen we een nieuwbrief met de meest recente berichten op onze website

– advertentie –