In Libro primo (ECM) herdefinieert de Noorse luitist Rolf Lislevand de grenzen van de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk. Door de partituren van 17e-eeuwse meesters als Kapsberger en Foscarini te benaderen als dynamische blauwdrukken, vervlecht hij barokke tradities met een eigentijdse, bijna avant-gardistische esthetiek.
De kern van dit album ligt in de bewuste breuk met de klassieke “authenticiteitsregels”. Lislevand gebruikt de partituren als een raamwerk voor uitgebreide improvisaties. Waar puristen dit wellicht als een anachronisme beschouwen, beargumenteert de uitvoering dat deze vrijheid juist de kern vormde van de barokke geest. De ritmische stuwing en het toevoegen van eigentijdse fraseringen zorgen ervoor dat de composities niet als statische museumstukken klinken, maar als levende muziek.
De selectie op dit album belicht de overgang naar de vroege barok, een periode waarin componisten als Johann Hieronymus Kapsberger en Giovanni Paolo Foscarini de grenzen van de harmonie opzochten. Kapsberger stond bekend om zijn extravagante stijl en onvoorspelbare ritmiek. Lislevand benut deze historische grilligheid; hij ziet in Kapsbergers toccata’s geen vaststaande teksten, maar een uitnodiging tot de stylus phantasticus. Ook de invloed van Diego Ortiz, wiens Trattado de Glosas fundamenteel was voor de variatiekunst, wordt door Lislevand aangegrepen om de composities van Bernardo Gianoncelli open te breken met virtuoze versieringen die de oorspronkelijke structuur accentueren. Met name zijn eigen compositie, Passacaglia al modo mio, trekt hij de improvisatie door en gaat in dialoog met de barokke componisten.
Wat opvalt in het programma als geheel zijn de dynamische verschillen. De geluidsintensiteit varieert van fluisterstille, melancholische passages tot krachtige, percussieve aanslagen. De balans tussen deze melancholische traagheid en virtuoze passages is clever uitgedacht; nergens vervalt de luitist in puur uiterlijk vertoon. Muzikant, locatie en engineer werken hiervoor subliem samen. In de opname heerst een soort symbiose. De aartsluit en chitarrone worden met een extreme helderheid vastgelegd, waarbij de akoestiek van de ruimte een bijna actieve rol speelt in de compositie als geheel.
Lislevand slaagt erin om de luisteraar in een staat van ‘actieve contemplatie’ te brengen. Het album is niet louter een verzameling losse stukken, maar een samenhangend klankonderzoek naar de emotionele kracht van de barok. Geen imitatie maar artistieke risico’s—risico’s die inherent waren aan de oorspronkelijke improvisatiecultuur op een hedendaagse interpretatie opnieuw resoneren. Door de nadruk te leggen op de “sound” en de emotionele resonantie in plaats van louter op de historische correctheid, ontsluit Lislevand dit repertoire voor een breder publiek. Kortom, een album dat de definitieve van “vroege muziek” uitdaagt en nog goed klinkt ook!



