Sommige cd’s zet je na één keer luisteren weg, andere blijven liggen – op het nachtkastje, in de auto, naast de stereo – omdat je er telkens weer naar teruggrijpt. Rhapsodos, het in maart verschenen album van harpist Joost Willemze, behoort overduidelijk tot die laatste categorie. Ik heb deze cd nu al enkele maanden in mijn bezit, en wat me het meest opvalt, is dat de fascinatie niet afneemt naarmate de beluisteringen zich opstapelen – integendeel. Bij elke nieuwe sessie ontdek ik weer een laag, een kleur, een detail dat me eerder ontging.
Dat heeft alles te maken met hoe Willemze Rhapsodos heeft opgevat: niet zomaar als een recital, maar als een persoonlijk artistiek portret: repertoire dat hem als musicus heeft gevormd, naast nieuwe composities die speciaal voor hem geschreven werden – iets waarover je eerder al kon lezen op Klassiek Centraal tijdens een gesprek dat ik met hem had (https://klassiek-centraal.be/rapsodie-zonder-woorden-joost-willemze-over-zijn-cd-rhapsodos/). Daardoor verschuift het album van een verzameling stukken naar een bewust geconstrueerd narratief portret van de uitvoerder zelf. Willemze zelf omschrijft die rol treffend: de rapsoden uit de oudheid waren geen componisten in de moderne zin, maar uitvoerders die bestaand materiaal een nieuwe gedaante gaven door interpretatie – precies de gedachte die dit album draagt.
Daardoor voelt het album niet als een verzameling stukken, maar als een geheel dat zich langzaam ontvouwt. Wie de tracks afzonderlijk beluistert, hoort knappe, fascinerende stukken – subliem gespeeld, met een technische beheersing die nooit pronkt maar altijd dient. Wie de moeite neemt om het album van begin tot eind te beluisteren, ontdekt iets groters: een doorlopende dramaturgie, met spanning die opbouwt en weer afvloeit, contrasten die elkaar precies op het juiste moment opzoeken. Die dramaturgie zit niet alleen in de volgorde van de stukken, maar ook in de manier waarop Willemze klank en stilte laat ademen. De stilte krijgt daarbij bijna dezelfde functionele waarde als de toon zelf: ze structureert het luisteren en versterkt de spanning tussen de werken. Ook opnametechnisch is dit album opvallend helder en intiem, met voldoende ruimte rond het instrument om de resonantie van de snaren volledig tot haar recht te laten komen, zonder dat de opname ooit afstandelijk wordt.
Opmerkelijk is bovendien dat het programma vrijwel volledig bestaat uit muziek uit de twintigste en eenentwintigste eeuw, met een uitgesproken plaats voor levende componisten en nieuw gecreëerd repertoire. Toch voelt het nergens als een demonstratie van ‘hedendaagse muziek’. Integendeel: de werken sluiten zo vanzelfsprekend op elkaar aan dat ze één organisch geheel vormen. Willemze toont daarmee dat dit repertoire allerminst een intellectuele oefening hoeft te zijn. In zijn handen klinkt het beeldend, toegankelijk en meeslepend, waardoor de scheidslijn tussen klassiek en hedendaags haast betekenisloos wordt.
Dat concept krijgt bovendien concreet gestalte in de programmakeuze. Het album opent en sluit niet toevallig met Marcel Grandjany (1891-1975): zijn Rhapsodie op. 10 leidt het programma in, terwijl The Colorado Trail op. 28 het besluit. Voor Willemze is Grandjany een sleutelfiguur – een Frans-Amerikaanse harpist-componist die volgens hem “met een sterk verhalende insteek” schrijft en wiens muziek hem tijdens een uitvoering van diezelfde Rhapsodie in een Romeins palazzo voor het eerst het gevoel gaf “een dienaar van een groter verhaal” te zijn. Daarmee wordt de opening niet alleen een muzikaal, maar ook een persoonlijk vertrekpunt voor het album. In de afzonderlijke werken krijgt die gedachte vervolgens steeds een andere gedaante.
Het album opent dat mythologische spoor al vroeg met Me·de·a van Anne-Maartje Lemereis (°1989), waarin de tragische en moorddadige kant van Medea als wanhoopskreet wordt verklankt – een gepaste tegenhanger van het Orpheus-drama dat erop volgt.
In Trois Moments d’Orphée van Carlos Micháns (°1950) wordt de onderwereld voelbaar: een klankwereld die zich opent als een afdaling, donker zonder zwaarwichtig te worden, dreigend zonder ooit theatraal te overdrijven. Het drieluik volgt de mythe in drie etappes: de ontreddering na Eurydices dood, de afdaling naar de onderwereld en ten slotte het aangrijpende beeld van Orpheus’ zingende hoofd dat na zijn dood blijft voortleven.
Daartegenover staat Exosphère uit Suite Galactique van Caroline Lizotte (°1969), dat in Willemzes handen een en al lichtheid wordt: klank die zich van de aarde lijkt los te maken, ijl en zwevend, alsof de harp werkelijk de dampkring induikt waar het stuk naar verwijst. Bij Pearl Chertok (1918-1991) klinkt dan weer een ander register: tafereeltjes die speels en lichtvoetig blijven, met een toets die plezier ademt zonder oppervlakkig te worden. Dat register hoort bij haar Around the Clock Suite, een reeks korte, schetsmatige momentopnames van het etmaal die de luisteraar na de zwaarte van de mythologische werken bewust opnieuw ademruimte geeft.
Wat dit album bovendien zo doordacht maakt, is de manier waarop oud en nieuw elkaar voortdurend raken. Mythische beelden krijgen soms een hedendaagse klankkleur, zoals in Event Horizon: The Point of No Return, een compositie van Ramin Amin Tafreshi (°1992), gerealiseerd in samenwerking met Soheil Shayesteh (°1989), waarin elektronica zich moeiteloos vermengt met de akoestische klank van de harp – niet als gimmick, maar als organische uitbreiding van het klankpalet. Het stuk verbeeldt het besef van Orpheus op het punt van geen terugkeer, wanneer hij zich realiseert dat Eurydice voorgoed verloren is. Ook het werk van Anne-Maartje Lemereis werd speciaal voor Willemze geschreven en vormt een wezenlijk onderdeel van het artistieke concept van dit album. Deze componisten voegen iets toe dat verder gaat dan een gelegenheidsstuk: je hoort musici die zich werkelijk verdiept hebben in zijn klankidioom. Het resultaat is muziek die niet enkel vóór hem geschreven is, maar duidelijk mét hem als denkend en spelend uitgangspunt tot stand kwam. Willemze zelf merkt daarover op dat techniek voor hem pas geslaagd is zodra ze “onzichtbaar” wordt – een uitspraak die je als luisteraar voortdurend bevestigd voelt: nergens hoor je inspanning, enkel overgave aan de muziek zelf. Toch zit in die ogenschijnlijke moeiteloosheid een grote mate van controle, timing en ademhaling.
Een heel andere energie brengt de Toccata van Guillaume Connesson (°1970). Tussen de mythologische gelaagdheid en Chertoks luchtigheid introduceert dit werk een ritmische, bijna percussieve virtuositeit. Willemze laat hier horen hoe veelzijdig de harp kan klinken: niet alleen lyrisch en zangerig, maar ook scherp gearticuleerd, motorisch en onweerstaanbaar voortstuwend. Daardoor krijgt het album opnieuw een andere kleur zonder dat de spanningsboog wordt doorbroken.
Willemze beschrijft het geduldig luisteren naar dit album zelf als een vorm van catharsis, zoals de oude Grieken die kenden: intense emoties die uiteindelijk tot innerlijke zuivering leiden, waarbij problemen niet verdwijnen, maar er wel ruimte en helderheid ontstaat. Dat is misschien wel de kern waarom Rhapsodos na maanden luisteren nog altijd weet te raken: geen troost in de zin van oplossingen, maar wel in de zin van perspectief. Die werking is minder een gevolg van één specifiek werk dan van de manier waarop het volledige album als spanningsboog is opgevat.
Na maandenlang luisteren blijft één indruk overeind: dit is geen album dat zich in één luisterbeurt laat vatten. Rhapsodos is een cd waarin je blijft rondwandelen: telkens ontdek je nieuwe verbanden, nieuwe kleuren en nieuwe accenten. Misschien is dat wel de grootste verdienste van Willemzes project: het blijft zich ontwikkelen, niet omdat de muziek verandert, maar omdat de luisteraar dat doet.




