De combinatie klarinet-accordeon heeft in de kamermuziek nooit de status van bijvoorbeeld de vioolsonate gekregen, en dat is niet toevallig. Beide instrumenten dragen een dubbele identiteit mee: de klarinet balanceert al sinds Mozart tussen salon en volksfeest, de accordeon tussen musette en concertzaal, en wie ze combineert, moet die dubbelzinnigheid ofwel gladstrijken ofwel net cultiveren. Juist die grenspositie maakt beide instrumenten echter ook aantrekkelijk voor componisten die op zoek zijn naar een klankwereld waarin het populaire en het verfijnde elkaar niet uitsluiten, maar elkaar juist kunnen versterken. Reedin’ the Air, de nieuwe release van Da Vinci Classics met klarinettist Emanuele Salvatore Anzalone en accordeonist Mario Romeo – samen bekend als Duo RomAnce – kiest resoluut voor die benadering en maakt van die dubbelzinnigheid het uitgangspunt van het hele programma. Dat is geen toeval: de eerste zeven composities op deze cd werden speciaal voor het duo geschreven en aan hen opgedragen. Het album documenteert daardoor niet alleen nieuw repertoire voor een bijzondere instrumentale combinatie, maar ook een hechte samenwerking tussen componisten en uitvoerders.
Het openingsdrieluik van Alberto Tomarchio (°1962) zet de toon zonder omwegen. Al Moulin Rouge is theater in klank, met een cabaretgordijn dat vrijwel hoorbaar opengaat, al blijft het stuk soms wat gevangen in zijn eigen theatrale gebaar: het speelse karakter van de muziek krijgt in de uitvoering precies de lichtvoetigheid die het nodig heeft. Het is echter vooral Il Cubo di Rubik dat toont hoe inventief deze componist met ritme en kleur omgaat. Wat op papier een weerbarstig spel met maat en beweging lijkt, krijgt hier een natuurlijke soepelheid: de muziek blijft voortdurend verrassen, maar verliest nooit haar dansende karakter. Romeo geeft de accordeon een stevige basis, terwijl Anzalone daarboven met grote lichtheid en beweeglijkheid zijn lijnen ontvouwt. Het resultaat is geen muzikale puzzel, maar een speelse dialoog waarin beide instrumenten elkaar voortdurend uitdagen en aanvullen.
Bij Roberto Cipollina (°1994) verschuift het register van het speelse naar het narratieve, en daar ligt meteen een van de moeilijkste evenwichtsoefeningen van de plaat. Lu re d’amuri wil een Siciliaans sprookje evoceren zonder het te illustreren, wat betekent dat de muziek moet functioneren op allusie in plaats van op programma. Dat lukt grotendeels: de terugkerende motieven krijgen genoeg ruimte om vertrouwd te worden voor ze weer worden ontregeld, en het duo weet de wisseling tussen het tragische en het ironische – die twee onafscheidelijke polen van de Siciliaanse vertelkunst – zonder karikatuur weer te geven.
Shapes 898 van Francesca Adamo (°1987) is een korte maar intrigerende miniatuur waarin een asteroïde, vernoemd naar Hildegard von Bingen, de aanzet vormt voor een ontmoeting tussen twaalfde-eeuwse mystiek en een hedendaagse klankwereld. Geen monumentaal gebaar, maar een geconcentreerde klankgedachte waarin stilte en suggestie even belangrijk worden als beweging. Het stuk vraagt daardoor niet zozeer tijd, maar vooral een andere manier van luisteren: het blijft hangen als een vraag, niet als een antwoord.
Het is echter Gernika, 26/4/1937 van Gorka Hermosa (°1976) dat het morele en muzikale zwaartepunt van de plaat vormt, en het verdient om niet te snel gepasseerd te worden. Het stuk verwijst rechtstreeks naar het bombardement tijdens de Spaanse Burgeroorlog en naar Picasso’s schilderij dat er ruim een maand later op volgde – twee kunstwerken, twee media, één woede. Waar Picasso’s doek de vernietiging bevriest in een monumentaal beeld van ontzetting, kiest Hermosa voor de tijdsdimensie van muziek: geen afbeelding van het geweld, maar een klankspoor van herinnering en verzet. Dat Hermosa het schreef als zeventienjarige, in nauwelijks een week, en het beperkte tot verminderde kwarten en septiemen, is op zichzelf een curiositeit; wat het stuk uiteindelijk zijn zeggingskracht geeft, is dat die beperking nooit als armoede klinkt, maar als discipline. Het duo kiest voor een opvallend sobere lezing: Anzalones bijna vibratoloze klarinet en Romeo’s ingetogen accordeonspel vermijden elk spoor van effectbejag. Eén gebaar te veel, één dynamische uitschieter naar het sentimentele, en het stuk was in pathos verdronken. Precies dat gevaar wordt hier vermeden.
Niet alles op de plaat haalt dat niveau. Tarantella plenaria van Carmelo Mantione (°1980) is met zijn drie contrapuntisch verweven thema’s technisch behendig maar mist op momenten net dat tikje onbeschaamdheid dat een tarantella nodig heeft om niet als geleerde oefening te klinken; de ironie zit vooral in de titel en minder in de muziek zelf. Mario Romeo’s eigen Ruit hora, waarin de accordeon een glijdend, harmonisch ambigu klankdecor optuigt waarboven de klarinet droomt, is een ander soort probleem: het stuk is sfeervol en overtuigend van klank, maar in verhouding tot het beperkte materiaal wat lang van adem – een kwestie van vorm, niet van inhoud.
Eddy Flecijns (°1962) afsluitende Suite, geschreven voor de tussenspelen van Marie NDiayes theaterstuk Hilda, brengt weer een ander soort kanttekening met zich mee. De emotionele veelkleurigheid van de reeks – hoop, verraad, woede, berouw – komt weliswaar grotendeels tot haar recht, maar de dramaturgische samenhang die de suite in het theater ongetwijfeld had, is voor wie het stuk enkel als concertmuziek hoort minder direct voelbaar. Dat is geen tekortkoming van de uitvoering, eerder een onvermijdelijk verlies wanneer toneelmuziek haar oorspronkelijke context verliest; het verklaart wel waarom de cd uiteindelijk eindigt met een reeks sterke indrukken eerder dan met een volledig afgerond muzikaal statement.
Technisch is dit repertoire allerminst vrijblijvend: de voortdurende wisseling tussen ritmische precisie, lyrische vrijheid en kleurverandering vraagt van beide musici een uitzonderlijk gevoel voor timing en adem, en die beheersing is voortdurend hoorbaar. Maar uiteindelijk is het niet de technische perfectie die hier de doorslag geeft, wel de vanzelfsprekendheid waarmee Duo RomAnce nieuw repertoire tot leven brengt. Naast een absoluut hoogtepunt als Gernika staan ook stukken die minder ver reiken, en precies daardoor voelt Reedin’ the Air aan als een eerlijk portret van wat er vandaag voor klarinet en accordeon wordt geschreven: met pieken, kanttekeningen en alles daartussen – niet als een bloemlezing van gepolijste miniaturen.
Daarbij blijft vooral de vanzelfsprekendheid hangen waarmee Duo RomAnce deze muziek benadert. Anzalone en Romeo behandelen klarinet en accordeon niet als tegenpolen die met elkaar moeten worden verzoend, maar als twee stemmen die elkaar gevonden hebben. Dat de eerste zeven werken speciaal voor hen werden geschreven en aan hen werden opgedragen, zegt dan ook veel: dit duo vertolkt niet alleen nieuw repertoire, maar heeft ook actief bijgedragen aan het ontstaan ervan. Ze spelen met een aanstekelijke overgave en laten horen dat hedendaagse muziek net zo goed speels, warm en communicatief kan zijn als het klassieke repertoire. Misschien is dat wel de grootste verdienste van deze uitgave: ze pretendeert niets te bewijzen, maar doet dat juist door de vanzelfsprekendheid waarmee deze muziek hier klinkt. Wie Reedin’ the Air beluistert, hoort geen merkwaardige instrumentale combinatie, maar muziek die zo natuurlijk klinkt dat je je afvraagt waarom dit repertoire nog altijd zo weinig wordt gespeeld.




