Luik, 22 augustus 2026 — Met een bijna volle zaal, een doorweekt overhemd en minutenlang applaus vatte de Opéra Royal de Wallonie-Liège het seizoen 2026-2027 aan. Muziekdirecteur Giampaolo Bisanti dirigeerde orkest en koor door een programma dat slimmer in elkaar zat dan een gewone bloemlezing.
Elk jaar hetzelfde ritueel, en elk jaar werkt het. Het openingsconcert van de Opéra Royal de Wallonie-Liège is geen voorstelling, maar een hereniging: het orkest keert terug op het podium, het publiek keert terug in de zaal, en het seizoen krijgt zijn eerste ademteug. Op 22 augustus was het Théâtre Royal zo goed als uitverkocht — hier en daar een leeg stoeltje, meer niet. Een woord vooraf lichtte het nieuwe seizoen toe, dat de titel Pouvoirs, Désirs draagt: macht en verlangen als dubbele rode draad door tien opera’s.
Daarna volgden vijfenzeventig minuten muziek, zonder pauze, in één doorlopende boog.
Het idee achter het programma
Wie verwachtte dat het huis gewoon de hoogtepunten van de komende opera’s zou uitserveren, kwam bedrogen uit. Het concept was omgekeerd: bij elke componist die dit seizoen op de affiche staat, klonk een ander werk van diezelfde hand. Een omweg dus, en juist die omweg maakte de avond interessant.
Zo opende het orkest met de ouverture tot Stiffelio, niet met die tot Macbeth — terwijl het net Macbeth is die op 18 september het operaseizoen opent. Stiffelio (1850) is een van Verdi’s zwaarst gecensureerde en minst gespeelde werken: het verhaal van een protestantse predikant die ontdekt dat zijn vrouw hem bedroog. Verdi herwerkte het later tot Aroldo, en de oorspronkelijke opera verdween nagenoeg uit het repertoire.
Meteen daarna kwam het koor wél rechtstreeks uit Macbeth: “Patria oppressa”, de klaagzang van de Schotse ballingen die het vierde bedrijf opent. Vol en donker klonk het, met de zwaarte die dat koor nodig heeft — en het maakte de macht-thematiek van het seizoen in één klap hoorbaar.
Ravel was aanwezig met “Laideronnette, impératrice des pagodes” uit Ma Mère l’Oye: pentatonisch, glinsterend, bijna gamelanachtig van klankkleur. Een vooruitwijzing naar de dubbelavond L’Heure espagnole / L’Enfant et les sortilèges eind oktober.
De levende componist
De vreemde eend was Corybas – Fantastic Dances for Orchestra van Andrea Battistoni, sinds 2025 huiscomponist in Luik. Het werk van een goede twaalf minuten ging in première in Tokio, met het Tokyo Philharmonic onder leiding van de componist zelf. De titel verwijst naar de Korybanten, de gewapende dansers die de godin Cybele met trommelslag en dans vereerden — en dat ritmische, wat wilde karakter hoor je.
Eerlijk gezegd: voor een luisteraar zonder diepgaande bagage in het hedendaagse repertoire is dit geen makkelijke muziek. Ze vraagt aandacht en geeft zich niet meteen prijs. Dat Luik ze tussen Verdi en Smetana durft te zetten, op de avond waarop het meest gemengde publiek van het jaar in de zaal zit, is een statement. Battistoni komt dit seizoen nog twee keer terug: met de wereldpremière van zijn Zombie Opera in november, en met een volledig nieuw, donkerder slot dat hij in opdracht schreef voor Turandot.
Bij de zeldzaamheden hoorden ook de ouverture tot Massenets Le Cid (1885) — verwijzend naar Thaïs — en, nog opmerkelijker, Wagners ouverture Christoph Columbus (WWV 37). Dat is toneelmuziek van een tweeëntwintigjarige Wagner bij een stuk van zijn vriend Theodor Apel, geschreven jaren voordat hij de Wagner werd die we kennen. Ze wordt bijna nooit gespeeld. Hetzelfde geldt voor de Concertouverture in a klein van Richard Strauss, gecomponeerd toen hij negentien was: nog volop Brahms en Mendelssohn, nog geen spoor van Salome. Beide stukken verwijzen naar wat later komt — Lohengrin in januari, Capriccio als Luikse première.
Het hoogtepunt van de avond kwam van Smetana. “Vltava” uit Má vlast — de Moldau — is het bekendste werk van het programma en werd ook zo ontvangen: de melodie draagt zichzelf, de zaal ging mee vanaf de eerste fluitfiguren. Het orkest speelde de rivier van bron tot brede stroom met zichtbaar plezier. Wie het als een veilige keuze wegzet, vergeet dat de opera waarnaar het verwijst, Smetana’s Hubička, dit seizoen een Luikse première is en buiten Tsjechië nauwelijks te horen valt.
Puccini sloot af met “La tregenda” uit Le Villi, de heksensabbat uit zijn allereerste opera uit 1884 — een korte, wervelende instrumentale scène, en de logische opstap naar Turandot aan het eind van het seizoen.
Bisanti
En dan de dirigent. Giampaolo Bisanti dirigeert met zijn hele lichaam: groot gebaar, door de knieën, tot kleine sprongetjes toe, en voortdurend oogcontact met de groepen voor hem. Tegen het einde was zijn hemd doorweekt. Het publiek beloonde hem met een applaus dat minutenlang aanhield, en hij deed wat een goede huisdirigent doet: telkens opnieuw iemand anders in de kijker zetten, groep na groep, solist na solist. De band tussen deze dirigent en dit huis is hoorbaar én zichtbaar.




Eén bedenking blijft. Het koor kreeg maar één nummer, en dat is jammer — juist omdat “Patria oppressa” liet horen wat deze groep in huis heeft. Op een avond die uitdrukkelijk als hereniging van het hele huis wordt gepresenteerd, mocht de helft van dat huis wat vaker het woord nemen.
Voor het overige: het seizoen is open. En het is er een om in de gaten te houden.




